Held of egoïst

‘Voor wie de droom uit het leven wil halen, is er geen leven zonder schuld’. Het is misschien wel de kernzin in het oeuvre van de Nederlandse zanger/dichter Alex Roeka (1945). Hij zingt het in het majestueuze lied ‘De modder van mijn graf’ dat is opgenomen op zijn zojuist verschenen verzamelalbum Nachtcafé, dat ik natuurlijk meteen beluisterde. Het bevat zijn beste werk voor Excelsior Recordings van de laatste tien jaar. ‘Samen alleen, Stille dromers in de stad’ en ‘Wat wil je eigenlijk met mij?’ staan er eveneens op. Prachtig. Toch is het jammer dat hij niet meer van dit soort nieuwe kanjers schrijft en in plaats daarvan aan het verzamelen is geslagen. Ook zijn vorige album, Nieuwe Dromen uit 2022 viel me al een beetje tegen. Alsof hij op die plaat alles, waarover hij eerder in metaforen zong, nog één keer duidelijk wilde uitleggen. Misschien begrijpelijk voor een kunstenaar die tegen de tachtig loopt, maar jammer voor de fan die in Roeka’s teksten kroop en zijn best moest doen om te zoeken naar de zanger en zichzelf.

De portee van ‘Het Nachtcafé aan het eind van de straat’ bezong Roeka trouwens ook in het onnavolgbare ‘Hadesbar’ (2010). Een lied van ruim tien minuten over mensen die zich na de dood terugvinden in een tussenportaal en daar de balans opmaken: ‘eerst moest ik in mezelf geloven / toen ook nog in een doel /  levend werd ik leeg gezogen / door de barre beestenboel.’ Vergelijk dat met deze strofe uit ‘In dit Sterrendal’, ‘ze zeiden ga maar wat studeren in de stad / gesmoorde levensdrang / ik had nog niets geleerd, raakte getroebleerd / voelde me niet genoeg’. Kritiek op mijn lievelingszanger doet pijn. Liever spreek ik over zijn indrukwekkende optredens. Een verkreukelde achtenzeventigjarige man in een langzaam toenemend bezweet wit overhemd onder een grijs colbert, vuur en passie van een jonge kerel, zingend over leven, liefde en dood. Nooit zal hij het publiek paaien, al is hij gelukkig minder afstandelijk dan Van Morrison met wie hij eenzelfde zeggingskracht gemeen heeft.

Soms doet Roeka denken aan de gulzige zwier van Ramses Shaffy, die hij toezingt in het schitterende lied ‘Lege ochtendkroeg’ (2006). Dat mag, nee, moet op mijn begrafenis gedraaid worden: ‘Ja, ik heb wel gebeden / gelachen, geleden/gevochten, bewonderd, gehuild / maar misschien te benauwd / te bang en te koud / me te veel in mijn pantser verschuild.’ Roeka spaart zichzelf niet en dat maakt hem zo charmant. In ‘Tussen honds geluk en pijn’ (2008) bezingt hij een variant op de droom en de schuld waarmee dit stukje opende. Herkenbaar voor iedereen die een scheiding doorzette, zijn kinderen moest teleurstellen of zijn ouders in de steek heeft gelaten, ‘het is een zee die me met zich meetrekt / ik zwalk weerloos door de mist /  ben ik een held die trouw is aan zichzelf / of een egoïst?’ Wie Roeka met deze strofe in het achterhoofd aan het eind van een voorstelling alleen in een spotlight, ‘Gestreeld en gekrast’ heeft zien zingen, houdt voor altijd van die man. Fijn dat dit nummer is verzameld op Nachtcafé.

 

Foto: Excelsior Recordings


Jan Kloeze ging naar Schrijversvakschool Amsterdam waar hij met een groepje studenten literair tijdschrift Proefdruk oprichtte. Voor Literair Nederland schrijft hij tweewekelijks een column en regelmatig recensies.

 

 

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Jan Kloeze: