Geweldig boek, dat geef ik je op een briefje!

Recensie door Daan Lameijer

Goede columnisten en dichters hebben met name één talent gemeen: bondigheid. Waar de columnist met een handvol rake zinnen de maatschappij in haar hemd zet, roept de poëet met een enkel woord een nieuwe wereld op. Als deze twee schrijverstypen een intensieve briefwisseling onderhouden, mag het een doodzonde heten die brieven te laten vergelen in archiefkasten. Bertram Mourits, werkzaam in het Haagse Literatuurmuseum, en Trudy van Wijk, gepromoveerd op het werk van Ellen Warmond (1930-2011), brengen Lief Museum uit: een prikkelende correspondentie tussen Simon Carmiggelt (1913-1987) en Ellen Warmond, (pseudoniem van Pietronella Cornelia van Yperen). De briefwisseling omvat grofweg vijftien jaar.

In de inleiding vermelden Mourits en Van Wijk dat Carmiggelt als eerste columnist van Nederland de P.C. Hooftprijs won, maar ook Warmond werd gelauwerd: voor haar gehele oeuvre ontving ze de Anna Bijns Prijs. Niettemin is deze compilatie gespeend van alle gewichtigheid. Lief Museum is lichtvoetig, parlando en cynisch als het werk van de Vijftigers uit de naoorlogse literatuur, ongegeneerd twistziek over het literaire circuit – wie houdt niet van roddelen? – en de brieven bevatten een hoge mate van zelfkritiek, wat stijl aangaat. Dit is echter een karige greep uit al het moois dat dit boek te bieden heeft.

Verrukkelijke schrijfsels

Wie inspiratie wil opdoen, hoeft slechts ergens te gaan zitten, luisteren en observeren. Voor zijn Kronkels en kroeganekdotes doet Carmiggelt niet anders: het absurde van alledag komt dan vanzelf zijn pen uitgevloeid. Soms achterhalen zelfbenoemde literaire talenten zijn adres en overstelpen zij hem met hun penoefeningen. Hierover uit Carmiggelt zijn ergernis bij Warmond, zij het met een lichte toets: ‘De naam van het werkje was Hoeperdepoep – geen titel om watertandend op af te vliegen dus. Na het lezen van tien bladzijden bleek de inhoud aan de gewettigde vrees te beantwoorden.’ Als dit flutstuk een jeugdzonde van Warmond zou zijn, zo vervolgt Carmiggelt, ‘(…) dan spring ik in de Stadhouderskade die ’s avonds vlak voor mijn deur ligt te flonkeren als een Gardameer van minvermogenden.’

Zelfs in zijn teksten die geen literair doel dienen, schrijft Carmiggelt verrukkelijk. Steeds bewaart hij de balans tussen zwarte humor, zelfspot en frivoliteit. Wanneer Warmond hem namens het Museum uitnodigt de Heijermans-tentoonstelling met een praatje te openen, weigert Carmiggelt: ‘Los van het feit dat ik dan in Parijs hoop te zijn, hou ik in mijn leven nog maar één redevoering, namelijk mijn dankwoord voor de Nobelprijs. Ik zie er nu al tegenop, omdat het in het Scandinavisch zal moeten.’ Mulisch doet het hem niet na… Bij wijze van revanche geeft Warmond hem twee ‘sick jokes’ om te verwerken in zijn column voor het Parool, en zo stapelen de brieven zich in rap tempo op.

Gekronkel wordt gekonkel

Van oudsher worden pseudoniemen gekozen om de eigen naam te behoeden voor schande. Dat werkt uiteraard averechts, als de schuilnaam je duistere kant eerder typeert dan verdoezelt. Ellen ontpopt zich binnen de schrijverswereld tot gevreesde spraakwaterval: Warmond, met de warrige mond, hoeft maar een slokje wijn te slurpen of ze schoffeert het zoveelste groepje omhooggevallen schrijvers op het Boekenbal. Carmiggelt verkneukelt zich om haar onhandigheid en noemt de uitglijders ‘een punaise venijn.’ Warmond ziet dit heel anders, maar weigert in te binden, ook in haar columnreeks die ze afwisselt met Carmiggelt: ‘Als ik mag schrijven op dezelfde egocentrische restrictieloze geen-teen-ontziende manier waarop ik brieven schrijf, dan dolgraag.’ En er zijn nogal wat tenen die ze tot moes trapt.

Bij een bedrijfsborrel van uitgeverij Querido botst Warmond op tegen Hendrik Marsmans voorganger, Herman van den Bergh. Hij vindt dat zij te weinig publiceert, waarna Warmond opmerkt hem voor het laatst bij een Maatstaf-avond ontmoet te hebben: ‘aangezien de goede man in dat tijdschrift de laatste maanden steeds wegens plagiaat aan de kaak gesteld wordt, ging hij wat stijfjes doen.’ De kruiperige recensent Willem Brandt moet het eveneens ontgelden: ‘een uit Gods moede hand gegleden blindganger.’ Bevuilen de penvrienden niet een beetje het eigen nest? Nee. Vooral schrijvers die niet twijfelen over eigen kunnen, bekritiseren zij. Wie zichzelf afbrandt, blijft buiten schot. Warmond is toch al uit de gratie geraakt, zo blijkt uit een slotgroet aan Carmiggelt: ‘Na al deze oeverloze roddel en prietpraat de geruststellende mededeling dat ik geen griep heb. Het is lepra.’

Ken uzelve

Warmond en Carmiggelt leren ons het volgende: wie expliciet zegt over zelfspot te beschikken, oogst argwaan. Een zelfkritische natuur blijkt namelijk uit terloopse, spontaan uitgebrachte terzijdes. Ellen Warmond leest met de precisie van een ‘sniper’ haar schrijfsels aan Carmiggelt na en komt tot de gruwelijke ontdekking dat ze haar penvriend met eindeloze bijzinnen en komma’s ademnood verschaft: ‘(komma, ik schrijf met een snorkel blijkbaar)’. Als ze in haar rol van medewerker voor het Letterkundig Museum Carmiggelt om een gunst moet vragen, ridiculiseert én continueert ze haar eigen opdringerigheid: ‘Horen we eens wat? Heeft geen haast. (Tenminste: …een klein beetje haast maar) (Ruimte voor het doen van verwensingen)’. Al lonkt natuurlijk altijd een effectief middel om de eigen scrupules te overwinnen.

De drankconsumptie van enerzijds de dichteres en anderzijds de columnist ontwikkelt zich omgekeerd evenredig. Zelfbenoemd papierfetisjist Carmiggelt was vast verbaasd over de rode verkleuringen op Warmonds brieven: ‘Al die vlekken zijn niet van tranen, maar van sherry.’ Waar Warmond beter schrijft naarmate ze meer drinkt, remt Carmiggelts onthouding zijn spontaniteit – funest voor de Vijftiger, die gedijt bij kinderlijke invallen. In een poging zijn gedachten te verwoorden, wanneer hij wederom de verleiding van alcohol weerstaat, walgt hij van zijn wijdlopigheid: ‘Verkeerd. Zulke lange zinnen denk je niet.’ Zoals het auteurs met writer’s block betaamt, toont de Vijftiger zich andermaal zijn eigen strengste recensent: ‘Die geheelonthouders zitten toch ook maar lelijk uit hun nek te zwetsen.’ Wie blijk geeft van zo veel zelfkennis, heeft geen critici nodig.

‘Platoniese’ P.S.

Hoe langer de correspondentie aanhoudt, hoe vertrouwelijker ze elkaar groeten. Waar eerst ‘hart. gr.’ volstaat, wordt het algauw ‘liefs’. In de aanhef maakt ‘Beste’ plaats voor ‘Lieve’ en Warmond beëindigt haar brieven zowaar met ‘je Ellen’. Toch is de onderlinge band te speels, te luchtig voor een daadwerkelijke liefdesgeschiedenis. Verder dan de humoristische oneliner over een echtpaar in de trein komt het niet: ‘Ze hield van haar man, dat kon je zien aan de pull-over die ze voor hem gebreid had. En hij hield van haar, dat kon je zien aan het feit dat hij hem droeg.’ 

Zoveel zoetheid vraagt om een grove tegenhanger. Carmiggelt roemt het op-en-top Britse informatiebordje in Madame Tussauds over de vrouwenmoordenaar Dr. Crippen en schrijft Ellen: ‘‘‘Dr. Crippen. Hij vermoordde zijn vrouw. Zij dacht dat zij zingen kon.’’ Dat niveau bereiken wij nooit – geloof me.’ Dat is waar. Lief Museum overtreft het niveau.

 

Omslag  -
Ingeleid en samengesteld door Bertram Mourits en Trudy van Wijk
Verschenen bij: Uitgeverij Querido (2021)
ISBN: 9789021422732
248 pagina's

Meer van Daan Lameijer:

Recent

3 december 2021

De beste hoofdstukken zijn die over herinneringen aan de doden

Over 'Opkomst & ondergang van de Citroën Berlingo' van Jo Komkommer
2 december 2021

Een ontmoeting met grote gevolgen

Over 'De wereld van Italo Svevo' van Rob Luckerhof
1 december 2021

Aangespoord door de biografie van Louis Lehmann

Over 'Wat boven kwam' van Louis Lehman
26 november 2021

We zijn allemaal vluchtelingen

Over 'Vlieg weg, vlieg weg' van Paulus Hochgatterer
25 november 2021

Hij was geen prater, hij was een preker

Over 'Kom verder!' van Freek de Jonge

Verwant