Geschikte verhalen

In Brummen wordt de krant onregelmatig bezorgd, vaak helemaal niet. Eigenlijk zijn we zo gewend dat er geen krant komt, dat we verrast zijn als hij er wel is. De krantenjongen krijgen we nooit te zien. Een keer hoorde ik hoe hij de krant door de brievenbus duwde. Het was of ik voor het eerst een ijsvogel, waarvan ik wist dat die er was, te zien zou krijgen. Ik snelde naar beneden, trok de voordeur open, riep “Hé, hallo! maar weg was hij. De afgelopen week was er geen krant. Eerst omdat het sneeuwde, toen omdat het dooide. In plaats van de krant doornemen aan de keukentafel, zijn we overgegaan tot het elkaar voorlezen van verhalen. Hoewel, ik lees voor. Mijn lief luistert, gedwee. Als ik zeg, ‘zal ik een verhaal voorlezen?’, zegt hij, ‘…Toe maar’, alsof ik hem een trucje wil laten zien. Soms lees ik een zeer kort verhaal, soms een wat langer. Afhankelijk van de hoeveelheid geduld die er in de lucht zit. 

Het is als samen een modewinkel binnengaan (waar ik nooit kom, maar stel je voor), ik weet welke jurk ik wil, deze pas, koop, en klaar. Ga ik daarentegen besluiteloos wat kleerhangers heen en weer staan schuiven in rekken met blouses en truien, dan verdwijnt de gedweeheid. Tijdens het voorlezen van een lang verhaal ben ik daarop bedacht, of er niet teveel in gedraaid wordt, het ergens heengaat. Of, liever nog, je ergens mee laat zitten. Dan zijn het geschikte verhalen. Gister las ik ‘Projecties’ van F.B. Hotz voor. Over een man die voor twee nachten zijn vijfjarige kleinzoon, wiens ouders aan hun relatie moeten werken, te logeren heeft. De tijd moet om, ze gaan een middagje naar het strand. Daar, terwijl de man zijn colbert uittrekt, deze met precisie  opvouwt, in een tas legt, daarna een schoen uittrekt, verdwijnt het kind. Ik lees: ‘Mark was weg.’ ( Mijn liefs adem stokt een tel) ‘Hij was verdwenen; door de grond verzwolgen, weggeblazen.Van hieruit door een duivel in zee gekwakt en, niet gewend aan golf en branding, meteen verdronken. Of een meer aardse gruwel had hem in een tent gesleurd. Misschien vermaakte een morsige krankzinnige zich giechelend met hem in de kleedhokjes verderop.’ (een diepe zucht).

Ik lees verder: ‘Grote kwaadheid kwam over me. Klootzak! dacht ik; al in de eerste minuut verspeel je het kind dat je toevertrouwd is. Je hebt meer belangstelling voor je colbertje. Dat moest zo nodig in een tas; opgevouwen nog wel.’ Het kind wordt ongeschonden teruggevonden, het ging om de man. Die zichzelf niet meer kon zijn in bijzijn van het kind.

Vanmorgen las ik staand bij het aanrecht dit zeer korte verhaal van Lydia Davis voor: ‘In een belegerd huis woonden een man en een vrouw. Vanwaar ze ineengedoken in de keuken zaten, hoorden de man en de vrouw kleine ontploffingen. “De wind,” zei de vrouw. “Jagers,” zei de man. “De regen,” zei de vrouw. “Het leger,” zei de man. De vrouw wilde naar huis maar ze was al thuis, daar midden op het land in een belegerd huis.’ Ik vond het een geweldig verhaal, zo bij het aanrecht.

 

 


Inge Meijer is een pseudoniem, leest de krant als die er is, zoekt naar verhalen.

 

 

 

Meer van Inge Meijer: