9 december 2009

Geert van Istendael – Gesprekken met mijn dode god

Door Machiel Jansen

Dat Geert van Istendael (Ukkel, 1947) opkeek naar zijn vader blijkt wel uit de titel van zijn nieuwste boek Gesprekken met mijn dode god. Daar had hij alle reden toe. De Vlaamse August Vanistendael (1917-2003) (de spatie onderscheidt zoon van vader) groeide op onder armoedige omstandigheden en stierf met een eredoctoraat en de titel van Minister van Staat op zijn naam. Ook moet hij één van de meest bereisde mensen van zijn tijd zijn geweest, gemeten naar het aantal kilometers dat hij aflegde in vliegtuigen. Tel daarbij op dat hij drie dichtbundels gepubliceerd heeft en een grote rol speelde in de christelijke, internationale vakbeweging en je kunt begrijpen dat zoon een keer ‘over deze man moest schrijven’.

Van Istendael, inmiddels 62 en vanaf 1993 voltijd schrijver, beschrijft het leven van zijn vader door hem aan te spreken, hem zich voor te stellen, zijn geschriften te lezen, zijn gedichten te bespreken en zijn oude vrienden na te reizen. Hij begint zijn verhaal min of meer in de vorm van een roman en gaat dan langzaam maar zeker over in een meer beschouwende biografische stijl. Latere hoofdstukken zijn in de vorm gegoten van een journalistiek verslag en het boek eindigt met een overzicht van de poëzie van zijn vader.

In het begin is het dus proza dat je als lezer onder ogen krijgt. August, of Guske, is nog niet geboren als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt. Het gezin vlucht tijdens de Eerste Wereldoorlog naar Engeland, waar Guske geboren wordt. Twee jaar later zijn ze terug in Vlaanderen en straatarm.

Het tweede hoofdstuk leest als een kort verhaal. Het wordt verteld door een gespierde kapelaan. Hij is het die de kleine Guske uit de armoede van de Rode Straat van Sint Truide tilt.

Het is vlot geschreven proza met enkele romantische details. Zo maakt de kapelaan indruk op de arbeiders die hem met geweld de straat uit willen drijven door zijn spierkracht te tonen en een zware zak op te tillen. En alsof dat nog niet genoeg is, bijt hij ook nog de kop van een rat af. Een detail dat overigens niet representatief is voor de rest van het boek. De kapelaan maakt van de jonge Guske een katholiek en biedt hem via studie een uitweg uit de armoede.

Met het beschrijven van de ontluikende liefde tussen zijn vader en zijn moeder loopt de trein uit de rails. Geert van Istendael merkt op dat hij zich nog steeds zijn ouders niet vrijend kan voorstellen. Vervolgens probeert hij wel hun meest intieme gevoelens voor elkaar aan de lezer voelbaar te maken. Dat lukt hem uiteindelijk niet goed.
Foto’s met herinneringen voeren ons terug in de tijd met Van Istendaels commentaar als ‘voice over’. We ontmoeten zijn moeder als onderwijzeres. We kijken in de hoofden van de geliefden mee en lezen delen van de liefdesbrieven die ze elkaar schrijven. Van Istendael legt daarbij teveel nadruk op wat we nu eigenlijk lezen. Uit de citaten blijkt een net niet uitgesproken, groot verlangen naar elkaar dat door de sociale omstandigheden en het katholieke geloof pas met een huwelijk vervuld zou worden. Van Istendael legt het teveel uit, zodat je als lezer meer op Van Istendael let dan op het liefdesverhaal dat hij vertelt. Hij zit zijn ouders zo dicht op de huid dat we het drama niet meer kunnen zien. Toch weet hij het enigszins goed te maken door het verhaal te verplaatsen naar zijn tante en oom, hoe zij het huwelijk van hun zus met een groots etentje proberen te voorkomen. Het verhaal ademt even, krijgt kleur en glimlacht.

Maar dan stopt het proza toch echt. Er volgt een vrij lang biografisch middenstuk over de succesvolle carrière van vader Gust bij de Internationale Christelijke Vakbond (ICV). De oorlogstijd is dan al met een paar bladzijden afgedaan. Het zijn de jaren vijftig en zestig waarin Gust voortdurend de wereld rondreist op zoek naar broeders in de strijd tegen armoede en voor solidariteit. Want niet alleen katholieken ook aanhangers van andere wereldgodsdiensten kunnen zich aansluiten bij de ICV, dat later Wereldverbond voor Arbeid is gaan heten. Het is een klein stukje, niet oninteressante, sociale geschiedenis waar we kennis mee maken. Over de christelijke, katholieke vakbeweging die in concurrentie met de socialisten de arbeidsomstandigheden wil verbeteren.

Ondanks Van Istendaels vlotte stijl wordt het hoofdstuk vrij taai als hij aan de hand van citaten van zijn vader diens motieven en denkbeelden gaat analyseren. Wie en wat was August Vanistendael? Katholiek, met een grondige hekel aan het communisme, solidair met de armen, en vechtend tegen de gezagsdragers van het Vaticaan, wereldreiziger en dichter. Het is een biografische schets van een zoon over zijn succesvolle vader die overigens nergens echt kritisch wordt. Vader was nooit thuis, weten we al vanaf de eerste pagina. Ook na zijn pensioen was hij voortdurend op reis. Van Istendael draagt hem dat niet na. Zijn moeder noemt hij een onbestorven weduwe, maar wat de afwezigheid van haar man voor haar echt betekende, krijgen we niet te horen. Was hij haar wel eens ontrouw? Het is een vraag die van Istendael zich niet stelt.

Voor mij wil vader dan ook niet echt tot leven komen. Van Istendael probeert dat goed te maken door terug te keren naar een prozastijl en vader zelf, fictief, aan het woord te laten. We lezen over een toespraak en het zingen van Schubert in Togo. Maar die overgang van een biografische stijl naar proza valt bij mij niet goed. Het eerste is iets te droog, het tweede te zoet. Het verhaal raakt uit evenwicht en vindt de balans niet meer terug. 

Het fragmentarische karakter van het boek wordt nog versterkt door twee journalistieke hoofdstukken die welbeschouwd niet over zijn vader gaan, maar over een vriend en naaste medewerker, Pater Vekemans. Deze zou in Chili banden gehad hebben met de CIA tijdens de verkiezingen in 1964, die niet door Allende maar door de katholieke Frei Montalva werden gewonnen. Van Istendael, voormalig verslaggever van de BRT, doet journalistiek verslag van gesprekken in Ecuador en Chili met oude vrienden van zijn vader. Aardig voor wie zich interesseert voor de buitenlandse inmenging in de Chileense politiek in die jaren, maar als literair verslag wat minder interessant.

Ten slotte volgt nog een beschouwing over zijn vader als dichter. Zoals gezegd publiceerde August Vanistendael drie dichtbundels. Het is een liefdevolle beschouwing van een zoon van de poëzie van zijn vader. De gedichten doen mij persoonlijk te weinig om heel erg geboeid te worden.

Al met al is Gesprekken met mijn dode god een teleurstellend boek voor een lezer die niet direct op zoek is naar informatie over August Vanistendael. Zoon Van Istendael heeft geprobeerd een monument voor zijn in 2003 gestorven vader te schrijven. ‘Het werd mijn moeilijkste boek’, schrijft hij op de achterflap en helaas worstel je als lezer soms mee. De liefde van de zoon voor de vader proef je wel, maar liefde alleen blijkt niet genoeg. De god van Van Istendael is na het lezen niet die van mij, en helaas is zijn god voor mij ook niet echt een mens geworden.   
Geert van Istendael Gesprekken met mijn dode god

Uitgeverij Atlas, 2009, € 19,90

Geert van Istendael
Gesprekken met mijn dode god
ISBN: 9789045015996

Meer van :

17 augustus 2017

Gedichten die op afstand blijven maar ook weten te ontroeren

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník

Recent

7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden
4 augustus 2017

Wondranden

Over 'Een tuin in de winter' van Anna Enquist
2 augustus 2017

Jannie Regnerus gebruikt geen woord te veel

Over 'Nachtschrijver' van Jannie Regnerus
31 juli 2017

Het gitzwarte leven

Over 'Noordwaarts' van Naomi Rebekka Boekwijt
28 juli 2017

Het lot van een niet-joodse jood

Over 'Buster Kafka' van Martin Schouten

Verwant