Vreselijke term: boekenwurm. Alsof het om iemand gaat die niet helemaal serieus genomen hoeft te worden. Om van de connotatie van een kruipende diersoort nog maar te zwijgen. Toch wordt het woord vaak gebruikt om het lezen aan te prijzen. Zelfs als het om volwassenen gaat. Dat is dus ook nog eens heel kinderachtig.
Wilma van Meteren (Trouw, 31 augustus) wil ze zelfs kweken in een zoveelste pleidooi om de jeugd aan het lezen te krijgen. Want slechts een kwart van de Nederlandse basisscholieren vindt lezen ‘erg leuk’, schrijft ze bezorgd. ‘Bij middelbare scholieren neemt het dramatische vormen aan.’

Het is een bekend verschijnsel, want decennia oud. W.F. Hermans zegt in een interview uit 1969 (Scheppend nihilisme, Amsterdam, 1979) dat van de driehonderd leerlingen op zijn gymnasium er maar twee interesse hadden in literatuur, waarvan hij er een was. De rest las nooit. Hij zegt er trouwens bij dat er ‘tegenwoordig’ wel door meer jongeren wordt gelezen.
Toch blijft dit een minderheid. Ik weet dit van mijn eigen middelbareschooltijd (begin jaren ’80), waar ik ook tot een kleine minderheid literatuurliefhebbers behoorde. En in de twintig jaar dat ik docent Nederlands aan middelbare scholen was, zag ik hetzelfde beeld. Per klas had je hooguit vijf geïnteresseerde leerlingen. Gelooft u mij dat ik al die jaren mijn stinkende best heb gedaan om de schone letteren te propageren. De vraag is of deze beperkte belangstelling erg is. Zelf had ik bijvoorbeeld de pest aan wiskunde en niemand had me zover kunnen krijgen dit vak ‘erg leuk’ te vinden.

Ik voelde dus dezelfde ‘emotionele weerstand’ als de leerlingen waar Van Meteren over schrijft. Er moet volgens haar meer gelezen worden omdat ‘lezen en taalvaardigheid onontbeerlijk zijn om verder te komen in de samenleving’. Literatuur dient dus voornamelijk een educatief en ‘nuttig’ doel.
Zelf las ik om een heel andere reden: ik had fantasie, hield van verhalen. Het boek was een vlucht uit de werkelijkheid. Later herkende ik me in hoofdpersonages die met dezelfde problemen worstelden als ik. Lezers hebben verbeeldingskracht en een bepaalde intellectuele belangstelling. En ze hebben een natuurlijk concentratievermogen. De lezer is, met andere woorden, een bepaald type, net als ‘de wiskundenerd’. Dit soort kinderen zit niet te wachten op  ‘voorleesmaatjesprojecten’ of dergelijke flauwekul. De literaire auteur moet niet gedegradeerd worden tot leesbevorderaar. Literatuuronderwijs is vanwege de culturele waarde van het grootste belang. Al was het maar voor die vijf belangstellende leerlingen.

 


Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar laat zich evengoed inspireren door schrijvers uit het verleden.