Mijn vader had een luchtbuks. Hij gebruikte hem om vogels te verjagen of neer te schieten als ze zich volvraten in de kersenbomen op het erf. ‘Kijk maar eens of het jou lukt’, zei mijn vader. De eerste vogel waarop ik mikte viel onder geritsel van bladeren pal voor mijn voeten neer. Ik zag een klein tongetje bewegen in een wijd opengesperde snavel waaruit geen geluid meer kwam; langzaam zakte een ooglid naar beneden. ‘Een spreeuw’, zei mijn vader. Het was juni 1962. 

Iedereen heeft wel eens die doorschijnende zwarte wolk tegen de avondhemel gezien waarin honderden spreeuwen een perfecte en grillige choreografie uitvoeren: ‘Komt dat zien, want daar – boven drasland, in tintelende winterlucht, onder zalmroze wolken – vindt de grootste show op aarde plaats! Komt dat zien, je mond valt er van open, staat vol tanden, je zult je ogen niet geloven: de zwermkermis is aan de gang daarboven!’, schrijven Jackie Morris en Robert MacFarlane in Het vogelboek (vert. Nico Groen). 

Die collectiviteit van de spreeuwen is op een prachtige manier verbonden met de individuele vogel in het muurgedicht van Judith Herzberg  aan de Boshuizerlaan in Leiden. In haar gedicht is hij de ‘frivoolkelige imitator’. 

Had niets te beweren
te klein voor veren
te nat om bruin te heten
en snavel dicht
ook tegen eten.

Maar werd een hoogst
warmpotige geleerde
specialistisch geïnteresseerde
zeehondgeveerde
vetervereerder.

Frivoolkelige imitator
een parel-bespetterde
wezel, een vliegende
ongeletterde triomfator.

Ze kunnen inderdaad perfect geluiden nadoen. Robert MacFarlane schreef hem in The Lost Words (2017) ‘the Rooftop riprap street-smart hip-hop of starling song’ toe. Door Bibi Dumon Tak vertaald als ‘straatschoffiepop’ en ‘dakrandhiphop’.

Vanwege zijn talent tot imitatie belandde de spreeuw in 1596 zelfs in Shakespeares Henry IV. Daarin fantaseert de rebelse Henry Hotspur erover hoe hij de vogel voortdurend als pesterij ‘Mortimer’ kan laten zeggen (de koning had Hotspur verboden die naam te gebruiken).

De zangkwaliteiten van de spreeuw brachten Mozart er in 1784 toe om in een Weense dierenwinkel een tam exemplaar te kopen (‘Vogel Stahrl, 34 Kreutzer’ schreef hij na thuiskomst in zijn kasboekje), omdat die een stukje uit zijn 17de pianoconcert kon fluiten toen Wolfgang hem het voor neuriede. Het vogeltje overleed op 4 juni 1787 en schijnt een heuse uitvaart van de meester zelf te hebben gekregen.

In 2001 schreef de Finse componist Kai Nieminen een door de spreeuw geïnspireerd fluitconcert Palomar. Die naam is een eerbetoon aan het literaire personage dat onvermoeibaar op zoek is naar ‘ware kennis’. In de verhalen over deze held van Italo Calvino lezen we hoe meneer Palomar ‘een paar minuten blijft gadeslaan hoe de vogels zich bewegen ten opzichte van elkaar [en] hij zich gevangen [voelt] in een netwerk dat zich onafgebroken, eenvormig en zonder enige opening uitstrekt, alsof hij ook deel uitmaakt van dit lichaam in beweging’ (vert. Henny Vlot).

Een beroemde Nederlandse liefhebber was Jac. P. Thijsse. Deze onderwijzer, die in plaats van de natuur de klas in te brengen zijn leerlingen het veld instuurde, portretteerde de spreeuw op zijn ex Libris. In Het vogeljaar uit 1904 bejubelt Thijsse diens zangkunst, maar doet dat in een bizarre zin als ‘ik kan hem nergens anders bij vergelijken dan bij het fluiten van een kogel uit een modern repeteergeweer, zooals ge dat in de nabijheid van een schietbaan tot uw niet onvermengd genoegen wel eens hooren kunt’. 

Hier moet ik toch weer even denken aan mijn vaders luchtbuks.

Ter herinnering aan Thijsse siert de spreeuw ook de tweejaarlijkse prijs van de Heimans en Thijsse Stichting. De winnaar ontvangt een beeldje van een bronzen spreeuw.

In mijn verzameling wetenswaardigheden inzake de spreeuw stuitte ik op een opvallende overeenkomst in medeleven met de spreeuw die de dansende wolk voorgoed ontzegd is. 

In de verzamelbundel Een dode mus, een persoonlijke collectie van  Meike Lieve Bos, schrijft Jan Beuving naar aanleiding van een dode spreeuw in zijn tuin: 

Wanneer je vriendjes in de najaarszwermen
hoogmoedig met hun kunst- en vliegwerk schermen
– patronen waar zich nooit één in vergist – 

dan, spreeuw, terwijl zij met hun veren pronken
en duizendkoppig naar het leven lonken,
zal ik alleen zien dat er eentje mist.

En zo dichtte H.C. ten Berge over de Sturnus vulgaris:

Zingt tot aan zijn laatste snik, hecht
dus danig aan het leven.

is na twee jaar opgebrand
of neergeschoten op de vlucht.

Niemand die hem mist?
Ja, ik!

En ik? Ik heb sinds juni 1962 geen schot meer gelost.

Foto: Adri Altink


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *