18 februari 2016

Fotosynthese 2 De bezegelde slavernij

door Sharon Hagenbeek

Een paar jaar geleden ontving ik een brief van een goede vriend met een bijzonder postzegelvel erop. Op een van de postzegels stond dit schilderij, De dans van de Tapuya indianen van Albert Eckhout. De zegels behoorden tot de collectie Grenzeloos Nederland & Brazilië; een speciale uitgave die tot stand kwam op initiatief van de Braziliaanse Ambassade. De Brazilianen gaven een setje uit over de Nederlandse periode in hun geschiedenis. Dat inspireerde op hun beurt TNT-post en zij gaven met Braziliaanse goedkeuring hun eigen reeks uit. Toch aardig van die Brazilianen om geen wrok meer te koesteren over dat kolonialistische verleden.

De geschiedenis ligt achter ons, verbloemen of verbergen is niet goed, maar er trots op zijn gaat ons tegenwoordig toch wat ver. Zo was er een paar jaar geleden nog veel te doen over een standbeeld in Hoorn, van Jan Pieterszoon Coen, die in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) de slavenhandel bedreef in Oost-Indië. Het standbeeld staat er echter al sinds 1893, is sinds 1965 een rijksmonument en zodoende ook redelijk verzekerd van zijn plaats.

Niet Jan Pieterszoon Coen, maar Johan Maurits (ja, die van het Mauritshuis) reisde namens de WIC (West-Indische Compagnie) naar Brazilië. Als gouverneur zette hij er suikerplantages op, maar hij bracht ook schilders en schrijvers mee, zoals Albert Eckhout en Zacharias Wagener, om de ontdekkingen aldaar wetenschappelijk vast te leggen. Eeuwen later staat het werk van deze onderzoekers op de postzegels die de historische relatie van Nederland en Brazilië eren.

De beschrijvingen op de postzegels fascineerden me. Zoals het onderstaande citaat:

‘(c. 1640) “De Tapuya’s dansen helemaal naakt in een kring, waarbij zij angstaanjagende kreten uitstoten. Zij bewegen zich twee of drie uur lang, zonder ophouden, ordelijk achter elkaar aan. […] De Tapuya-mannen lopen ongelooflijk hard en springen helemaal naakt door dorens en distels, slaken verschrikkelijke kreten en vallen hun vijanden met groot rumoer aan en verslaan hen met ritmisch gezang en dansen”. Zacharias Wagener’

Een feitelijke beschrijving uit die vervlogen tijd, die TNT-Post aanvult met onder meer: ‘Johan Maurits had een goede verhouding met deze stam en bracht zes van hen mee naar Holland en liet hen de fascinerende rituele dans uitvoeren.’

Een goede verhouding? De Nederlanders waren slavenhandelaren en de bestuurders van het land, zo veel keus zullen deze mensen heus niet gehad hebben. Je leest die wegmoffelende beweging in hun woordkeuzes. Ja, een postzegel is ook te klein om daadwerkelijk recht te kunnen doen aan alle kanten van het verhaal. Bovendien wilden de Brazilianen in hun eigen collectie ook niet echt stilstaan bij de slavernij. Die kant van de geschiedenis is er nu eenmaal, we hebben gewoon geen onbevlekt verleden, maar laat dat de historische banden vooral niet te veel domineren. Desalniettemin is het enigszins sneu dat we ons, omwille van de culturele uitwisseling, slechts kunnen beroepen op deze ‘wetenschappelijke’ benadering. Men zag geen gelijken, men zag de inboorlingen als ondergeschikten en onbelangrijke wezens, als arbeidskracht en als soldaten die niet gemist zouden worden.

Het journaal van BontekoeNederland is nu eenmaal groot geworden met de VOC en die economische bloeitijd betekende ook dat we cultureel actiever werden. In die periode, De Gouden Eeuw, zijn er prachtige (literaire) werken geschreven over dat VOC-leven, zoals het reisverslag van Bontekoe. Uit deze tijd zijn vele spannende avonturenverhalen overgeleverd, die het mogelijk maken om over de superioriteitsmentaliteit van toen te lezen; maar waarom zouden we dat goed willen begrijpen? Er gingen eeuwen overheen voordat het enigszins veranderde. Tweehonderd jaar later viel bijvoorbeeld in Multatuli’s Max Havelaar te lezen hoe de Javanen uitgebuit werden. Vooruitgang gaat traag.

De tijden veranderen desondanks wel, en alhoewel we niet in staat zijn om een standbeeld weg te halen, zijnThe Sex Live of Cannibals we wel in staat ons besef te ontwikkelen. Op een postzegel verwijzen we er stilletjes naar. In de huidige reisliteratuur is de vroegere automatische minachting voor de autochtone bevolking bijna geheel verdwenen. De vreemdeling en diens rare gebruiken bieden juist iets dat we gemist hebben in Europa: denk aan het verfilmde boek Zeven jaar in Tibet van Heinrich Harrer of het (niet naar Nederlands vertaalde) The Sex lives of Cannibals van J. Maarten Troost (een Nederlandse Amerikaan). We mogen onszelf proberen te spiegelen aan de ander, zien verschillen en ontdekken tekortkomingen bij onszelf – de vreemdeling is een verrijking.

Tegenover de moderne reisverhalen zijn die van vroeger niet echt meer realistisch te lezen als verhalen die nog iets over het individuele leven kunnen leren. De achterhaalde superioriteitsvisie wordt terzijde geschoven en men leest het slechts voor de avontuurlijke aard. Als we het al ergens anders om lezen, dan juist om neer te kijken op die meerwaardigheidsgevoelens – zodat we ons beter kunnen voelen dan de mensen die zich beter voelden dan anderen?

PostzegelvelIk vraag me af wat er met Maurits’ dansers is gebeurd; dat heb ik nergens kunnen terugvinden. Zij hebben tenminste iets van een plek in de geschiedenisboeken – ze staan zelfs op Nederlandse postzegels –, dat kan van vele anderen niet gezegd worden.

 

 

 

Dit was het tweede verhaal over de achtergrondfoto van de site. In deze rubriek die naar Rudy Kousbroeks mooie genre-idee ‘Fotosynthese’ heet, wordt informatie gegeven over de afbeelding die dienst doet als achtergrond bij deze website.
Fotosynthese dus: een kort essay bij een afbeelding. Heeft u ook een idee? Lever een achtergrond, met context, of lever context bij een achtergrond. Suggesties: redactie@literairnederland.nl

 

 

 

Recent

22 september 2017

Modiano's spel met de lezer

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer