Ik ging voor een weekend naar Den Haag. Het was een uitdaging. Uitvallende intercity’s, gemiste aansluitingen, volle treinen. Meerdere keren klonk er, ‘personeels tekort’. Gevolgd door ‘raadpleeg de app’, ofwel, zoek het maar uit. Treinreizen van A naar B is de weg van de meeste weerstand geworden. Maar ik kon ertegen, had een goed boek bij me.  Zo’n nietkunnenstoppenmetlezen boek. Ik moest zelfs uitkijken de treinen die wel reden niet te missen, zo’n boek dus. Ik las het op perrons, treinen en in de wachtkamer van het Westeinde ziekenhuis. Door een ongelukkig manoeuvre van voeten, verkeerd ingeschatte afstanden en hoogte van een zitzak die voor de bank bij mijn dochter thuis lag, viel ik voorover en ving mijzelf op met mijn linkerpink. Op zich een niet geringe prestatie. Zo zit ik nu met een gespalkte pink te typen.

Het woord ‘ontmanteling’ speelt door mijn hoofd. Dat denk ik vaker, dat alles uit elkaar valt. Dat de ontmanteling die leidt tot het einde van de wereld al gaande is. Op die bank bij mijn dochter keken wij met zijn allen Independent Day, met een beamer op de muur geprojecteerd. Het was me wat, het verschroeien van de aarde begon met het vernietigen van de grote steden.
Waarom verhuizen we van de stad naar buiten? Waarom worden schrijvers als Thoreau, Raynor Winn of Annie Dillon zo graag gelezen?  Waarom, vraagt Rivka in het boek zich af, moet ‘iedereen tegenwoordig zo nodig de Mount Everest op’, om eenmaal op die top, ‘met z’n honderden naar eenzaamheid te snakken in peperdure donsjassen.’ Op de radio zegt iemand: ‘We verliezen het contact met de natuur.’   

De trek van de grote stad naar de provincie is gaande. In Buitenleven verhuizen Esse en Rivka na een relatie van meer dan vier jaar, vanuit het westen naar een ‘karakteristiek’ woonhuis bij een fictief dorp in noord-Groningen. Esse heeft een baan gevonden als trainer basketbal van een meisjesteam, Rivka maakt van het schuurtje haar schrijfhuis. Rivka, die opgroeide in een grote stad, zal over haar leven in afzondering schrijven. Een krant en een literair tijdschrift beloofde ze alvast een artikel. En er moet een derde boek komen. Maar het schrijven lukt niet. Het schrijfhuis is te stil, of nee, er lopen luid pratende wandelaars voorbij. Wat moeten die hier? Zoals Lousje Voskuil, wandelend langs een druk bezochte route, eens wanhopig geroepen schijnt te hebben of al die anderen niet gewoon thuis konden blijven. Natuur is geen groepsvermaak.

Als Rivka in haar schrijfhuis zit, kijkt ze op en ziet een man in een oranje windjack. ‘Hij droeg een rood petje, had een stoppelbaard en hij keek recht haar schuur in.’ Het Pieterpad bleek vlak langs hun tuin te lopen. ‘Het was overdreven, dat wist ze zelf ook wel, maar Rivka kookte. Ze graaide haar laptop en aantekeningen bij elkaar. Binnen vanuit de keuken, gluurde ze de tuin in om nog meer felgekleurd tuig te betrappen, maar het bleef groen.’
Terwijl ik las, dacht ik, als de treinen niet meer rijden, als de wereld vergaat heb ik een goed boek nodig, dan overleef ik het wel. Wat natuurlijk onzin is, maar zo verborgen voelde ik me in de tijdelijke samenleving waar Rivka en Esse een jaar deel van uitmaakten. Dankzij het drama dat zich er afspeelt, (wie houdt niet van drama) is dit een springlevende roman.

 

 

Buitenleven / Nina Polak / 237 blz. / uitgeverij Prometheus


 

Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

 

 

 

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Inge Meijer: