Er waren avonden dat R. en ik, vlak voor we gingen slapen, in de hal bij de voordeur stonden en met ons hoofd wat scheef luisterden naar pianomuziek uit het appartement van de Japanse expat. De expat woonde hier sinds kort. Eén keer had ik hem bij de afvalcontainers gezien en begroet. Een jongeman met een sjaaltje.
We kwamen er niet uit, hoe lang we ook bleven luisteren. R. dacht aan een CD of een playlist op Spotify. Ik raadde Chopin, live gespeeld op de piano. Niet omdat ik dat kon horen, maar omdat ik dat zo’n fijne gedachte vond: de buurman speelt romantisch Chopin en wij kruipen onder ons dekbed.

Op een ochtend zag ik hem beneden bij de berging. In plaats van een obligaat goodmorning – je praat als vanzelf Engels – zei ik dat ik zo genoot van zijn muziek ’s avonds laat. Wat volgde was Lost in translation, een botsing van sorry’s en no no-sorry’s. Hij interpreteerde mijn opmerking – afgaand op zijn gezichtsuitdrukking – als een beleefde vorm van kritiek, dat hij overlast bezorgde en mij uit mijn slaap hield. Het was het laatste wat hij wilde. Het laatste wat ik wilde was dat hij stopte met ’s avonds pianospelen. Zo transformeerden zijn excuses in dankjewels en mijn vriendelijke woorden in overdreven loftuitingen.

Een paar weken later, bij de lift, vroeg hij of ik een keer bij hem wilde komen eten. Dan zou hij ook iets voor mij spelen.
‘Dat doe je toch niet?’ zei R. toen ik hem van de uitnodiging vertelde.
‘Waarom niet?’
‘Ik vind het niets voor jou om te doen. Is het er soms eentje?’
‘Daar gaat het toch niet om?’

Hij deed iets in Sales. Maar pianospelen kleurde zijn leven. ‘Ik speel alleen zeer matig.’ In Japan had hij nooit vakantie. Nu reisde hij elke maand naar een Europese stad, Milaan, Berlijn, Madrid. Alleen.Op zijn vakantiebestemmingen vroeg hij aan vriendelijk ogende voorbijgangers een foto van hem te maken. Hij liet me ze op zijn telefoon zien. Telkens keek hij schuw, een beetje verschrikt in de lens. Alsof hij eigenlijk niet gefotografeerd wilde worden. Hier, Lissabon. Hij staat achter het bronzen beeld van Fernando Pessoa. De eenzame dichter Pessoa, de expat kende hem niet. Dan zegt hij verlegen glimlachend: ‘Als mensen héél vriendelijk zijn, dan vraag ik of ze met mij op de foto willen.’ Hij swipet verder. De expat tussen een Braziliaans echtpaar. De expat naast twee meisjes uit Hongarije, op gepaste afstand. ‘Door deze foto’s verbeeld ik me dat ik niet alleen op vakantie was.’

Ik kijk van zijn smalle rug naar zijn handen die feilloos de toetsen raken, een pianosonate van Mozart. En ik denk aan dat gedicht van Pessoa, dat ooit door Frank Boeijen op muziek werd gezet: Wanneer de lente komt/En als ik dan al dood ben/Zullen de bloemen net zo bloeien/En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar. De werkelijkheid heeft mij niet nodig.
En ik denk aan een eigen eenzame vakantie, lang geleden. Soms weet je niet precies waarom je ergens bent beland, je bent er misschien wel om de echo van je eigen herinneringen terug te horen.

 

 


Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn tweede roman Augustus.

 

 

Meer van Eric de Rooij: