30 oktober 2014

Rituelen

Ik moest iets lezen dus ik las over Buwalda

Column: Inge Meijer

Hoewel een reeds gemaakt plan omgooien, of het compleet veranderen van de indeling van onze woning me gelukkig maakt, kan een kleine verstoring van een dagelijks ritueel het tegendeel bewerkstelligen. In het etablissement waar mijn Kleine vriendin werkt en waar ik elke ochtend mijn koffie drink en de krant doorneem, zat een vrouw bij het raam die ik er niet eerder had gezien. Ook zag ik dat De Trouw en De Volkskrant niet op de gewone plek lagen.

De Dame bij het raam leek me niet het type vrouw dat koffie buitenshuis drinkt. Ze was niet gekleed om op een hoge kruk aan een verhoogd tafeltje bij het raam met een espresso in de hand de krant te lezen. Maar ze deed het wel. Met haar crèmekleurig blouse met opstaand kraagje onder een donkerblauwe blazer, paste ze heel goed in een zeshoekig gebouwde serre met uitzicht over een rivier. Haar haren waren hoog opgestoken waardoor ze sowieso geen vrouw leek die gewoon was een krant te lezen. Maar men kan zich vergissen.

Met lege handen ging ik zitten. De serveerster bracht me een cappuccino en een glas water. Ik keek nogmaals zoekend de ruimte rond. Nee, het kon niet anders dan dat zij, daar bij het raam, beide kranten had. Een bron van verontwaardiging werd in mij aangeboord. Ze zat statig rechtop, het opgestoken haar triomfantelijk omhoog stekend. Precies zoals één van mijn zussen het vroeger droeg. Mijn vader noemde het een suikerspin. Mijn moeder vond het een ordinair kapsel en trok demonstratief, vanwege de geur van haarlak, haar neus op als mijn zus de kamer binnen kwam. En de vrouw van de bakker, in de stad waar ik opgroeide, droeg tot het einde der dagen zo’n kapsel. De bakker overleed nogal onverwacht waardoor de bakkersvrouw er alleen voor stond. Ze bleef met haar blonde, hoog opgestoken kapsel vanachter de toonbank de klanten bedienen. Haar kapsel, een vormvast gegeven, hield haar op de been. Dat geloof ik wel. Geluk is de basis waar je op staat en die basis moet stabiel zijn. De keren dat ik er nog wel eens terug kwam, om de lekkerste puddingbroodjes die ik gekend heb, oogde ze steeds kleiner en fragieler. Op een dag bleven de rolluiken van de winkel gesloten.

Ondertussen had ik nog geen krant gelezen en voelde me onthand. Op tafel lag enkel nog het Volkskrant magazine van het afgelopen weekend met een interview met Peter Buwalda. Ik houd niet van Buwalda, niet van zijn boek (‘boeken’ zijn het nog niet) en niet van zijn columns. Maar ik moést iets lezen dus ik las over Buwalda. Dat hij geen relatie en geen kinderen wil maar sinds hij Suzy kent, dit allemaal verleden tijd is. En dat hij nog twee jaar nodig heeft om zijn boek af te schrijven waar hij al jaren aan werkt. Knap vind ik dat. Ondertussen zag ik dat de Dame bij het raam de kranten achteloos naast zich in de vensterbank legde. Waar niemand erbij kon!
Toen ontstond er spontaan een soort van ‘Etiquette voor het krant lezen in openbare gelegenheden’ in mijn hoofd. Ik noteerde:

Eigen je niet alle kranten in een openbare ruimte toe; Deel de katernen; Lees niet alle artikelen van A tot Z: Los nooit de puzzel op (tenzij het de krant van gisteren is); Leg de kranten na lezing terug op de centrale plek.

Zo, dat luchtte op. Nu de krant nog en de dag kon zijn gang weer gaan.

 

Recent

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

14 september 2017

Daar waar granaten fluiten

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer