18 maart 2010

Er moet sprake zijn van een misverstand – Mark Boog

Een mindere dichter bezwijkt aan zijn voorbeeld, maar de betere sterkt zich eraan.

Recensie door Albert Hogeweij

Tien jaar na zijn debuut als dichter is er nu de vijfde of zesde bundel van Mark Boog, al naargelang men de zeer dunne gedichtendagbundel van 2008, Alle dagen zijn van Liefde, als een ‘echte’ rekent. Intussen zond hij ook een viertal romans de wereld in. Bepaald geen luie schrijver dus. Iets van een eigen toon had hij bij zijn debuut al te pakken en hij intensiveerde die in wat erop volgde. Een toon waarmee hij de ‘Grote Dingen des Levens’, zoals daar zijn: eenzaamheid, liefde, onvolkomenheid van het leven en wat dies meer zij, op behoedzame, subtiele wijze aftastte, en waarin hij liever zijn idealen prijsgaf dan zijn gelatenheid, en bereid was zijn verlies te nemen. Een eerlijke en heldere toon ook, waarvoor je makkelijk, misschien ook vanwege de aanwezigheid van ironie en het ontbreken van cynisme, sympathie kon voelen. Dit oordeel geldt ook zijn romans, want in zijn gedichten herkent men de romancier en in zijn romans herkent men de dichter. Toch laat Boog zich allereerst op zijn gedichten voorstaan. Naar eigen zeggen doet hij het proza er gewoon bij.

Op YouTube zijn diverse filmpjes van Boog en zijn Poetry In Motion te bekijken. We zien dan (gelukkig) allerminst iemand die zich uit het lood geslagen weet. Dat Boog vaak leegte, daadloosheid, onvolkomenheid als uitgangspunt voor zijn werk kiest, zie ik dan ook niet als een onverschillig staan tegenover de genietingen des levens. Eerder vermoed ik dat de dichter zich er nu eenmaal prima door kan laten inspireren. De thermiek van de stilstand houdt Boog al tien jaar in de lucht. De gedichten die het dichten zelf, de woorden en de taal thematiseren, tenderen dan ook vaak naar een ideaal van leegte, woordloosheid, onbeweeglijkheid, kort gezegd: het soort toestand dat aan ieder begin voorafgaat. Hierin staat Boog natuurlijk niet alleen. Hoeveel dichters hebben de stilte niet als hoogste goed bezongen? Daarnaast is er ook het spel van de taal, waarin nu eenmaal een woord bestaat voor stilte dat alleen als je het verzwijgt de stilte kan oproepen. Mogelijk houdt Boog tijdens het schrijven meer van de taal dan van het leven, maar vaststaat dat hij een bestaan waarin hij van de taal kan leven bij lange na niet zinloos acht.

Maar hoe verhoudt een en ander zich tot zijn nieuwste bundel, Er moet sprake zijn van een misverstand? Welnu, wat over zijn vorige bundels is gezegd, kan wat mij betreft gelukkig onverminderd op deze nieuweling van toepassing worden geacht. Deze voegt zich naadloos in zijn oeuvre, waarmee Boog inmiddels een basisplaats in de bovenlaag der Nederlandse dichters mag claimen. De bundel is gescheiden in twee ongelijke delen (53 versus 26 gedichten), waar we blijkens een verklaring van de dichter zelf niet al te veel achter hoeven zoeken, behalve dat het tweede deel jongere aanwas betreft. En van hogere kwaliteit is, voeg ik eraan toe. In het eerste deel kom ik zeker zinnen, strofen of hele gedichten tegen die mij zeer bevallen. Bijvoorbeeld:

 

Het Gemis

‘Het gemis, voor het gevoeld wordt,
bestaat al. Het heeft de moord
al op het gewetendie ongepleegd blijft ? de daad
als de vermindering van het woord,
ontijdig, ongelukkig, ongeveer.

Laat ons dus tot elkaar weerkeren.
Er stond ons niets in de weg,
en zelfs nu nog slaan de deuren open,
krijsen de vogels, stokt het vergeten.’

 

Maar ik had ook het gedicht Som kunnen kiezen:

‘Men omgeeft zich met de ruimte die nodig is
om ongelukkig te zijn. Niet dan stuurs
begaat men zijn handeling.
Achter zijn eindes aan beklemt men,

Haalt het slechtste uit zichzelf, vermenigvuldigt het,

een som zo schoon, zo mooi,
dat alles klopt.’

Mooie gedichten die hier en daar een beetje aan Faverey en Kouwenaar herinneren, maar ik haast mij te zeggen dat Boog dat beetje makkelijk hebben kan. Een mindere dichter bezwijkt aan zijn voorbeeld, maar de betere sterkt zich eraan. Toch staan in dit eerste deel enkele gedichten die wat vlak blijven. Zo verwoorden in het gedicht Verslag de zinnen braaf de ontvouwde gedachte zonder dat ook maar één zin zich daartegen schrap zet. Maar de meeste gedichten verleidden mij tot het plaatsen van streepjes bij geslaagde passages (en eigenlijk had bij Verslag  best een streepje mogen staan bij de regel Wanneer het pad een weg werd,/ is onduidelijk). En zeker in het tweede deel kom ik op genoeg aangestreepte gedichten uit om van een geslaagde bundel te mogen spreken. Overigens ben ik allerminst van mening dat een bundel alleen maar the best of zou moeten bevatten. Zo had ik van deze bundel geen gedicht willen missen.

Een mooi en typisch ‘Booggedicht’ uit dit tweede deel vind ik Veel:

‘Welaan, weer buiten. Er is veel buiten.
Ziekbedgeuren hangen aan, vervliegen
maar langzaam. Ik ben door en door verrot.

 De lucht is geluk, en er is veel van. Veel
is ook verdwenen, ongemerkt en ?herroepelijk.
Ik zeg het anders: er is weg. Er is terug.

Het drukt op de ogen, het zware licht,
de wind doet rillen, het is een voorrecht,
een voorrecht zeg ik, om te leven. Wees

dankbaar, zeggen ze. De verjaardag,
de verre tante, het cadeau. Wees dankbaar.
Het kan stuk gaan maar het is nu nog nieuw,

je hebt het al maar het is nieuw. Mompel van
schoonheid en van vreugde, zeg: ‘het is te veel.’’

Aandoenlijk is de onbeholpenheid waarmee de net van een ziekbed verrezen ik zichzelf op de been houdt en de peptalk van derden herkauwt, om dan bijkans te bezwijken onder de attenties van een verre tante. Typerend voor zijn stijl is de afwisseling van over de versregel heenlopende zinnen met korte zinnetjes. Ook het spel van de herhaling van de woorden, die stelling gaan nemen in het gedicht. Een ogenschijnlijk strompelend gedicht, maar erg subtiel opgebouwd. Ook dat zien we veel bij hem. Het gedicht dat in de bundel hierop volgt verdient ook geciteerd te worden:

 

Opmerkelijk

‘Zo is elke dag een volgende, een vorige.
De blauwe lucht een opgetrokken wenkbrauw.

Uiterst opmerkelijk, dit leven.

Iemand zou het moeten vastleggen,
een hond aan een ketting op een foto,

maar het ontglipt ons steeds. Aalglad.

En in de hoek, op de achtergrond,
dat lachende hoofd: een voorbijganger.
Dat is de fotograaf even ontgaan.’

De eeuwige strijd die de kunstenaar met de werkelijkheid heeft uit te vechten. Steeds ontglipt er iets, en onderwijl sluipt er ongemerkt iets onvolmaakts naar binnen. Zelfs bij zoiets als ‘een hond aan een ketting op een foto’ kan het nog verkeerd gaan.

Het gedicht erna Betreffende begin handelt over soortgelijk leed:

‘Elk begin is een vernietiging.
Elk perspectief op verre bergen, dalen,
doodt ze, legt ze vast in weliswaar bevallige
maar toch onhandige posities.

Nergens, dat is mooi, nergens dringt zich op
het onvermijdelijke alternatief.

Slechts is, maar snel vergeten,
weg de envelop nog ongeopend, het pakpapier nog intact,
het kind voordat het leert wat voor hem klaarligt,

de blik, de trieste blik, het onuitspreekbare
geluk dat afspat van begin
als vlokken marmer van een beeld
meesterwerk of niet.‘

Een stevig aforisme als inzet. Daar is de dichter ook niet vies van. Niets haalt het bij het begin dat nog niet begonnen is, het onbedorven kind dat nog niet door leren is aangedaan.

Een erg aardig gedicht, tot slot, heet enkel O:

O, het licht en de ochtend, hand in hand,
o de vroegte. Iets is weg, iets in mij,
en ik zie de voorlopigheid van de velden,
de voorlopigheid en de precisie.

Onzwaarte neemt bezit, en vliegen
nee blijven is wat ik doe. De huizen als struiken
staan verspreid over het land. Alles is natuur.
Een vroege morgen zoals alle, zoals deze’

Vanwege de aanhef ‘O’, valt het moeilijk dit niet ironisch te duiden (Boog hanteert hierin ook nog eens prachtig de stijlfiguur van de zelfcorrectie; hij is er een meester in), maar toch is de onderliggende lyriek er niet door verstikt. Het gedicht wint bij die dubbelheid. Een bijzonder geslaagd gedicht. Misschien wel het mooiste. Maar hij kan bij herlezing zomaar zijn koppositie moeten afstaan aan een ander gedicht. Veel is mogelijk in deze bundel met zijn vele gedichten. Ik dank daarvoor de dichter.

 

Er moet sprake zijn van een misverstand
Mark Boog
Verschenen bij: Cossee, Uitgeverij
ISBN: 9789059362680
96 pagina's
Prijs: € 18,90

Meer van Albert Hogeweij:

18 mei 2017

Poëzie gefascineerd door het zijn, het aanwezig zijn.

Over 'Gebogen planken' van Yves Bonnefoy
2 februari 2017

Vormvast en elegant van stijl

Over 'Viviane Élisabeth Fauville' van Julia Deck
15 december 2016

Twaalf lofliederen op lichamelijke schoonheid

Over 'Poèmes secrets / Geheime gedichten' van Guillaume Apollinaire

Recent

17 augustus 2017

Gedichten die op afstand blijven maar ook weten te ontroeren

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník
7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden
4 augustus 2017

Wondranden

Over 'Een tuin in de winter' van Anna Enquist

Verwant

18 maart 2010

'Wie één keer verliest heeft altijd verloren'

Over 'De vuistslag' van Mark Boog
18 maart 2010

Zonder zang vaart niemand wel

Over 'Maar zingend ' van Mark Boog