Enig gewicht

De laatste weken was ik nogal uithuizig, voldeed aan wat anderen van mij verwachtten (betwijfelde of ik het wel goed deed) waardoor ik veel uit het oog verloor. Weer thuis hing ik verveeld rond, als een kind op een vrije middag dat niemand te spelen vindt. Ik was vergeten dat er ergens een lijstje was waarop: ‘doelloosheid’ → ‘boekenkast’, staat. Dat ik mijn ogen als een wichelroede langs de boeken beweeg tot, pats!, het juiste boek in trillende vreugde mij in de handen springt. Nou ja, zoals je vroeger langs de boeken in een boekwinkel ging, of bibliotheek. Geen auteursnaam op een briefje, geen titel in je kop, maar wat je van de boekenschappen trok, leidde altijd naar iets van betekenis. In Walt Whitman’s Oud ben ik en jong ben ik, zoek ik naarstig naar overeenkomsten, een oorsprong van alles zodat ik de diepte weer voel. Alsof anderen het allemaal voor je kunnen oplossen (dat wens je toch?). Walt Whitman (1819-1892) debuteerde in 1855 met Leaves of Grass, de uitgave bekostigde hij zelf (wat in die tijd nog niet zo’n ding was, want niet iedereen dacht toen dat ie schrijven kon). Dagboekfragmenten en losse aantekeningen liet hij in 1882 drukken. Gebrek aan samenhang van die fragmenten wilde hij laten voor wat het was. En hij had gelijk, want, ‘Het resultaat zal hoe dan ook een fase in het menselijk bestaan illustreren’. 

Steeds opnieuw moet ik mij een weg vinden om te herinneren wat ik mij gesteld heb. Whitman herinnert zich Edgar Allan Poe, toen hoofdredacteur van The Broadway Journal waarin een artikel van hem geplaatst was. ‘Poe was heel hartelijk, op een bedaarde manier, en maakte een welvarende indruk naar voorkomen en kleding enz.’ Hier komen twee levens samen waar ik beiden, los van elkaar, weet van had. Ik raak onder de indruk van Walt Whitman, die naast natuurliefhebber, humanistisch geestelijk verzorger ‘avant la lettre’ was. Als vrijwilliger brengt hij zijn dagen door in militaire hospitalen  in Washington tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Hij kwam er terecht nadat zijn broer George als officier van het 51ste regiment vrijwilligers van New York, ‘ernstig gewond was geraakt (eerste slag bij Fredericksburg op 13 december 1862).’ Dit schrijf ik zo volledig op omdat mijn jongste zoon op 13 december geboren werd. Voortaan zal ik op zijn verjaardag aan de slag bij Fredericksburg Virginia denken, aan Walt Whitman.

Whitman beschrijft wat hij aantrof bij het veldhospitaal bij Fredericksburg. ‘Buiten, aan de voet van een boom, zie ik een berg geamputeerde voeten, benen, armen, handen enz. liggen, een volle vracht voor een eenspans wagen.’ Amoureuze gevoelens worden kort als in een voetnoot genoemd. Zoals bij de Ierse, vrijwillig soldaat Thomas Haley die getroffen door een kogel in zijn longen, binnen drie dagen zal sterven. Whitman ziet hem als ‘voorbeeld van jeugdige fysieke manhaftigheid’. Hij bewondert zijn atletische gestalte, het glanzende haar, zoals ik die zelf ook zou bewonderen. Weet dat schoonheid en gruwelijkheden naast elkaar kunnen bestaan. Dikwijls zit hij zo’n tien minuten aan het bed van de jongen. ‘Och hoe onkundig was hij, arme, reddeloze knaap, van het hart van de onbekende die hem ter zijde zat.’ Whitman schreef niet met het oog op een lezer, hij schreef omdat er een dringende behoefte was te noteren wat hij waarnam. Kom daar nog maar eens om.

 

 

Oud ben ik en jong ben ik / Walt Whitman / vertaling René Kurpershoek / uitgeverij Van Oorschot (2019)


Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV.

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Inge Meijer: