16 september 2017

Een week lang feest

Door Els van Swol

Spui25, genoemd naar het pand bij de Amsterdamse boekenmarkt en het Maagdenhuis waarin het academisch-culturele podium is gehuisvest, bestaat tien jaar. Dat wordt een week lang met allerlei activiteiten gevierd.
De aftrap was vrijdag 15 september met een opfriscursus over het werk van Jeanette Winterson en de start van het nieuwe seizoen met de Spui25-lezing door Winterson zelf, een paar deuren verder in de Aula van de Lutherse Kerk. De afsluiting is 22 september met een overigens al volgeboekt gesprek tussen Orhan Pamuk en Abdelkader Benali. De opfriscursus werd gemodereerd door Fiep van Bodegom, bekend van onder meer De Gids en De Groene Amsterdammer. Moderator van de lezing was Simone van Saarloos. Omdat de Nederlandse vertaling van de volledige lezing van Winterson de komende week in De Groene zal worden gepubliceerd, worden hier wat thema’s aangestipt die zowel in de opfriscursus als in de lezing aan bod kwamen.

Verhalen vertellen
De eerste spreker tijdens het middagprogramma, Maarten Polman, die zes boeken van Winterson vertaalde, begon zijn inleiding aan de hand van Wintersons Vuurtorenwachter (2004) met het schetsen van de thema’s in haar werk. Een daarvan, verhalen vertellen, is in genoemde roman nadrukkelijk aanwezig omdat de vuurtorenwachter leefde bij het vertellen van verhalen.
Winterson kwam hier ook mee toen zij zich in haar lezing afvroeg wat het is om mens te zijn. De mens, zei ze, ontwikkelde kunst, de taal en vertelde de ander verhalen bij het haardvuur. Het is een vorm van creativiteit die je met alle robotisering om ons heen niet kunt kopiëren. Het verbindt ons met het verleden, waardoor we nog steeds in gesprek kunnen zijn met een dode schrijver als Shakespeare, haar held, wiens The Winter’s Tale ze bewerkte tot Het gat in de tijd (2015).

Kunst
Kunst is volgens Winterson een plaats om in te leven, virtual reality. Maar wat op het toneel gebeurt, is echt, is waar. Winterson geeft niets om experience, een belevenis, maar om intensiteit.
Joyce Goggin, de tweede inleider van de middag en universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam, benoemde het op een soortgelijke manier: in het werk van Winterson zit vaak een open plek, een ruimte tussen binaire opposities als man-vrouw, zwart-wit, binnen-buiten. Hierin kan, stelde zij met de filosoof Hans Gadamer, betekenis worden gecreëerd. De plaats die Winterson benoemde, de lege plek waar Goggin het over had, is een vrijplaats waar je volgens Winterson voor moet vechten.

Verbinding
Fiep van Bodegom vroeg in het tafelgesprek en het gesprek met de zaal dat bij Spui25 altijd volgt op een of meerdere inleidingen, hoe de inleiders zich tot het werk van Winterson aangetrokken voelden. Goggin antwoordde het gevoel te hebben dat ‘ze in mijn hoofd kijkt, altijd bij me is.’ Polman kroop als vertaler in haar boeken en zo kwam zij bij hem binnen.
Winterson begon haar lezing, nadat Lou Reeds Perfect day was gedraaid, over pure vreugde, zowel cognitief als fysiek (ook hier was de oppositie opgeheven), die je kunt ervaren in muziek, in een kus op de brug, in lezen. Er vindt een verbinding plaats met jezelf, het is leven meer dan in louter biologische zin en van haar zou je het tot op zekere hoogte religieus mogen noemen.

Ontwikkeling
Een interessante vraag tijdens het middagprogramma kwam uit de zaal, van biograaf, publicist en begeleider van promovendi Maaike Meijer. Zij vroeg zich af of er een ontwikkeling kan worden geconstateerd in het werk van Winterson. Polman stelde dat de vondeling die Winterson is, inmiddels haar biologische moeder heeft ontmoet, zodat dit thema (het zoeken naar identiteit) volgens hem is afgesloten. Hij vroeg zich in alle eerlijkheid af hoe het nu verder moet. Goggin zag de ontwikkeling vooral in de veelzijdigheid van Wintersons oeuvre: romans, brievenromans, essays, science fiction. De conclusie was dat ze elke keer weer verrast met een boek op hoog niveau.
De schrijfster zelf kwam aan het eind van haar met plezier gebrachte lezing voor een grotendeels uit vrouwen bestaand publiek in wezen ook met een antwoord, in de woorden van Miranda uit Shakespeares The Tempest:

Oh wonder!
How many goodly creatures are there here!
How beauteous mankind is! O brave new world,
That has such people in it!

In het interview met Van Saarloos zei Winterson voorts nog dat je niet kunt verwachten dat de wereld verandert, als je zelf niet kunt veranderen. Er klonk iets van de radicaliteit in door die Polman al had aangegeven. Zo kennen we haar en zo is het goed.

 

foto: Yve du Bois

 

 

Recent

16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

Literair Nederland - 10 jaar geleden

29 oktober 2007

Roman met speelse cartoonachtige taferelen De opvatting dat de zintuiglijke waarneembare wereld de enige werkelijkheid is, is tegenwoordig niet meer vol te houden. In die andere dimensie van werkelijkheid speelt niet alleen de nieuwe natuurkunde, maar ook de religieuze ervaring een belangrijke rol. De ervaring van mensen die contact zouden hebben gehad met een werkelijkheid die uitstijgt boven de alledaagse werkelijkheid, betreft een waarneming van het transcendente, a.h.w. van het goddelijke. Door de medische technologie overleven steeds meer mensen een levensbedreigende lichamelijke crisis. Steeds meer wetenschappelijke disciplines staan open voor datgene wat deze mensen over bijzondere ervaringen te vertellen hebben die men heeft opgedaan tijdens die crisis. In de westerse wereld zijn wetenschappers de laatste jaren er toe overgegaan dit soort ervaringen toch serieus te nemen en een onderzoek in te stellen naar de strekking ervan. Dat leidt tot uitermate belangrijk onderzoek. Wanneer kan worden aangetoond dat mensen werkelijk de grenzen van ruimte, tijd en sterfelijkheid kunnen overschrijden, zijn de consequenties daarvan voor de wetenschap, de theologie en dus ook voor het leven enorm. Simon Vestdijk schreef in zijn essay Berichten uit het hiernamaals (De bezige Bij , 1982, pg.11) het volgende: Op aarde acht men het psychisch leven gebonden aan de stof. Een dergelijke stoffelijke grondslag kennen wij hier niet. Geen lichaam, geen zintuigen, geen tastbaar denkorgaan, niets. Maar hoe wil ik dat bewijzen? Hoe overtuigend moeten mijn woorden wel klinken, willen zij de kluisters verbreken van wat zelfs ik nauwelijks een vooroordeel waag te noemen? Ik weet zeker, dat ik leef, al ben ik gestorven, en ik weet zeker, dat ik geen lichaam meer heb; maar het zou wel eens kunnen zijn, dat dit dan ook het enige is dat ik weet. Ieder van ons heeft wel eens momenten gehad, dat niets hem eenvoudiger leek dan u, aanstaande lotgenoten, met voorbeeld of beeldspraak uit te leggen hoe wij ons voelen in onze nieuwe toestand, wat er met ons aan de hand is, wie en wat wij zijn en niet zijn. Menige aardbewoner, zo meenden wij, kent uit eigen ervaring wel die dromerige stemmingen, waarin het rumoeren der buitenwereld niet meer tot hem doordringt, en zijn eigen bewustzijn de gehele horizon van zijn bestaan schijnt in te nemen. Dat komt overdag voor, en even voor het inslapen ervaart gij het gewoonlijk op zijn duidelijkst. En nu kunnen wij wel zeggen, dat gij hierin een vergelijkingsmaatstaf bezit, die nadere uitleg onzerzijds overbodig maakt, helemaal eerlijk zijn wij hierin niet, want voor zover wij ons de vroegere dagdromen nog herinneren, weten wij maar al te goed, dat de vergelijking hoogst misleidend is, en dat uw minuten van wegdrijven op innerlijke golven heel iets anders zijn dan onze bestaansvorm. Als gewezen dienaren der wetenschap zouden wij er dus verstandig aan doen onze nederlaag toe te geven. De schrijver Eric de Clercq waagt in zijn roman Het grote spel waterparadijs een poging deze thematiek uit te werken en te gieten in een verhaalvorm. In zijn relaas wordt een zekere Tim ten tonele gevoerd die zich uitgerekend door een sprinkhaan, Vioolpret geheten, laat vertellen dat hij een ongeval gehad heeft en in een comateuze toestand verkeert. Deze toestand zou gelijk staan met de dood. Blz. 17 : “ Je zal ondertussen wel vermoeden dat deze wereld jouw doordeweekse leventje niet is. En dat is het ook niet. Dit is de vijfde Dimensie. De dimensie waarnaast alle levende wezens na hun dood terugkeren. “ Tim wordt in het verhaal omringd door tientallen figuren, allemaal cartoons die de meest uiteenlopende insectensoorten vertegenwoordigen. Elke figuur stelt een soort voor dat het best bij zijn status, beroep of persoonlijkheid past. De figuren die hij tijdens zijn ronddolen ontmoet, komen hem steeds bekend voor. Hij krijgt mensen gepresenteerd die afkomstig zijn uit zijn geboortedorp en die door Tim een plaats toebedeeld krijgen in de vorm van als cartoons. Het stoort hem ook niet dat de figuren creaties zijn van zijn eigen geest. Pas aan het eind van het verhaal keert de rust in Tims’ wereld weer terug. Het feest en de avontuur zijn dan ook voorbij. De figuren van zijn wereld hebben zich teruggetrokken in hun woning op vioolpret na die nog in het rond kuiert..Tim vraagt zich ten slotte af wat de toekomst voor hem in petto heeft. Zou hij uit zijn coma ontwaken en terugkeren naar de aarde, of toch maar hier blijven en binnen afzienbare tijd voor een laatste maal reïncarneren, alvorens te promoveren tot de opperste tweede graad. In de roman gebeurt er van alles, varierende van taferelen die je je in de Efteling doen wanen tot taferelen die zoals Vestdijk schrijft: het eigen bewustzijn de gehele horizon van je bestaan schijnt in te nemen en dat je minuten van wegdrijven op innerlijke golven iets anders zijn dan het gewone bestaansvorm. Het lijkt alsof De Clercq met zijn romanvorm waar hij voor gekozen heeft een poging heeft gewaagd zijn eigen literaire conventie te exploreren en exploiteren. Hij laat je de literaire werkelijkheid met andere ogen bekijken, al is het maar voor eventjes. Desalniettemin kan ik niet concluderen dat De Clercq uitstekende en uitzonderlijke literatuur gecreëerd heeft, d.w.z. literatuur met een inventief beeldend vermogen. In elk hoofdstuk creeert hij een nieuwe bedrijvigheid , volop taal en hallucinerende beelden. Het is voor mij zeker niet bon ton om meewarig te doen over de literaire nijverheid van deze auteur maar als ik zijn literaire conventie serieus neem neig ik te kanttekenen dat zijn relaas veel weg heeft van pulp of zelfs van veredeld divertissement. Voor een serieus thema als reïncarnatie had hij een heel ander soort scéne kunnen bedenken en minder op het speelse en amusante gaan zitten. Het begin van het verhaal is in ieder geval zeer goed bedacht. Het is jammer dat hij voor de tragiek van zijn dramatische expressie gekozen heeft voor taferelen en bedrijvigheden die zijn thema, dat best wel zwaar op de hand is, in het frivole meesleuren. Het is ontmoedigend te moeten constateren dat de verhaallijn die met zoveel ijver en toewijding is geconstrueerd, waar de krachtinspanning ook duidelijk in voelbaar is, enkel de verbinding vormt van een reeks woorden , hoewel deze woorden op zich steeds een beeldenstroom met zich transporteren .Het streven om in deze roman een diepzinnig Oosters gedachtegoed weer te geven , is echter even utopisch als het streven van de schrijver alle aspecten van de zichtbare en verborgen in de reïncarnatie te vangen in een roman, te verklaren door speelse cartoonachtige beelden in de roman en tot slot de personages te willen verklaren door de sociale, de familiaire, historische, culturele, psychologische, biologische, linguïstische etc. van hun geschiedenis.

Roman met speelse cartoonachtige taferelen

De opvatting dat de zintuiglijke waarneembare wereld de enige werkelijkheid is, is tegenwoordig niet meer vol te houden. In die andere dimensie van werkelijkheid speelt niet alleen de nieuwe natuurkunde, maar ook de religieuze ervaring een belangrijke rol.
De ervaring van mensen die contact zouden hebben gehad met een werkelijkheid die uitstijgt boven de alledaagse werkelijkheid, betreft een waarneming van het transcendente, a.h.w. van het goddelijke. Door de medische technologie overleven steeds meer mensen een levensbedreigende lichamelijke crisis.

Lees meer