Het stond in Trouw van dit weekend: ‘Geluk is geld terugsturen’. Twee broers, Msgane Zeray (17) en Fnan Tesfahans (10) uit Eritrea zijn zulke gelukzoekers, al komt het idee niet van henzelf. Hun ouders, veeboeren in Eritrea, zonden hen naar Londen, of Birmingham. Als ze daar werk vinden, moeten ze de zestienduizend euro die ze meekregen, eerst terugverdienen. De familie heeft in hen geïnvesteerd en verwacht dat ze een vaste bron van inkomsten zullen worden. De jongens hebben gelopen en gelopen tot de grond onder hun voeten verdween. Eerst door de woestijnen van Ethiopië en Soedan, daarna naar de kust van Libië en toen de benauwende reis in de buik van een schip naar Lampedusa. Zeven maanden zijn ze al onderweg. Als ze naar huis bellen drukt hun oudste broer hen op het hart hun familie toch niet te vergeten.

Ik herinner me een zondagmiddag in de lente dat ik met zondagse schoenen aan de rafelige rand van een omgeploegde akker stond. Ik was zeven en twee van mijn broers waren met mijn vader naar de bioscoop. Ik was gekwetst dat ik niet mee mocht. Een emotie die me deed lopen, lopen, lopen, tot niets me meer vertrouwd voorkwam en ik stilstond aan de rand van die eindeloze akker waarvan de vette aardkluiten glommen in de namiddagzon. Een groot verlangen greep me aan en ik geloofde dat aan het einde van dit aards donkere veld Duitsland moest liggen. Duitsland leek zich, op een ongrijpbare manier, altijd in de nabijheid van ons gezin op te houden. Het leek alsof ik het naar me toe zou kunnen halen. Ik stapte op de brokken aarde en met moeite mijn evenwicht bewarend, liep ik richting einder. Het zal na een meter of drie, vier zijn geweest dat er opeens een verlatenheid over me heen kwam, die ik nooit eerder ervaren had. Ik voelde me los van alles wat mij verbond met mijn zevenjarige leven. De zwarte aarde, voor en achter me en de gedachte aan Duitsland beangstigden me. Alsof ik met veel bravoure hoog in een klimrek was geklauterd en niet meer terug kon.

Ik stel mij zo voor dat de vader van Fnan en Msgane voordat ze op reis gingen, met hun het plan heeft besproken: ‘Kijk’, zei de vader, ‘hier is voor ieder van jullie achtduizend euro. Daar moeten jullie de gidsen en het vervoer van betalen. Jullie moeten er eten voor kopen en een telefoon zodat jullie naar huis kunnen bellen, elke dag, vergeet dat niet.’ Hun moeder overstelpte hen met goede raad en welke kleding ze aan moesten, waar ze hun geld moesten verbergen en ‘elke dag bellen, vergeet dat niet’. Oudste broer ontvouwde de wereldkaart voor hen en wees met zijn vinger waar Eritrea lag en hoe ze naar Engeland konden komen. Het zag er op de kaart geruststellend overzichtelijk uit. De jongens geloofden het wel, ze wilden vertrekken. Ze kregen de kaart mee. En ze belden elke dag, alleen die dagen niet dat ze op de boot zaten omdat ze ziek waren en geen bereik hadden.

Vaag wisten de broers nog van het plan dat hun vader hen had voorgelegd. Maar ze konden er niet meer bijkomen. Het was te ver alles, ze waren de intentie  kwijt. En je wordt bang, door alle verhalen die je onderweg hoort, dat je in Duitsland, Zweden of Nederland (waar ligt dat?) zult aankomen. Je bent vooral bang dat angst je zal overvallen om alles wat je met het leven verbond en jouw bestaan tot jouw bestaan maakte, er niet meer is en niemand je meer kent. Dat je jezelf voor altijd hoog moet houden en nooit meer grond onder je voeten zult voelen. Waar zijn we aan begonnen. Laten we terug gaan, of nee, eerst moeten we die zestienduizend euro terugverdienen. Als we dat gedaan hebben gaan we terug.

 

Meer van Inge Meijer: