5 oktober 2011

Een vader in de kelder en raven als broers

Recensie door: Sunny Jansen

Recensie door Sunny Jansen

Op haar negentiende schreef Laura Broekhuysen (1983) het jeugdboek Zand erover dat een eervolle vermelding van de Zoenjury kreeg. In 2008 verscheen Twee linkerlaarzen, haar debuut voor volwassenen. Deze roman werd genomineerd voor de Selexyz debuutprijs en voor de Vrouw & Kultuur DebuutPrijs. Van haar recent verschenen boek Hellend vlak had ik dan ook hoge verwachtingen.

Hellend vlak gaat over een gezin dat zich heeft terug getrokken langs de IJslandse fjordenkust. Hoofdpersoon is de kleuter Lidewijde, door haar familie Liet genoemd. Dit vederlichte meisje luistert naar de wind en hoort door deuren en muren met haar faunoortje dat spits uit haar klitterige haardos steekt. Liets wereld wordt gevormd door de eenzaamheid rond de fjorden, een vader die zich in de kelder opsluit om haar vooral niet te beïnvloeden, een manke moeder die haar eigen ambities voor haar dochter nastreeft en zeven (‘of zijn het er toch zes?’) broers, ‘of wat ervoor door moet gaan’.

Edward, Liets vader, vindt dat hij in zijn leven is gevormd, misvormd is zelfs, door de verwachtingen van volwassenen en de maatschappij en door zijn eigen ambities als musicus. Het motto van het boek ‘Ik weet niet wie ik ben, maar ik lijd wanneer men mij misvormt‘, slaat dan ook net zo goed op hem als op zijn dochter. Vastbesloten om zijn dochter niet aan te doen wat hem is aangedaan – al blijft dat onbenoemd – , besluit hij haar niet te vormen door zoveel mogelijk afwezig te zijn. ‘Edward bijt nog liever z’n tong af dan dat hij normbepalend is.’ Hij kan zijn frustraties dan ook niet onderdrukken als Liet vraagt of ze van tafel mag. ‘Wanneer is het concept mogen erin geslopen?’ vraagt hij zich wanhopig af. ‘Wij bepalen niet wat jij wel of niet mag’, bijt hij het kind toe. Zijn dochter moet zelf maar beslissen wat goed voor haar is. Niemand in het huishouden lijkt zich te realiseren dat Liet een kleuter is, ze wordt behandeld en aangesproken als een volwassene. Zelf heeft Liet behoefte aan haar vaders aandacht en aanwezigheid en als Edward dat merkt, trekt hij zich juist verder terug. ‘Hoe minder ze van me zien, hoe minder er mis kan gaan,’ besluit hij voor hij weer naar de kelder verdwijnt. Moeder Wobke kan hier maar moeilijk mee omgaan. ‘Je vader is overal tegen, het probleem is: hij komt niet met een alternatief,’ zegt ze tegen de broers, die steeds kritischer staan tegenover de houding van hun vader.

Juist haar vaders afwezigheid is erg nadrukkelijk aanwezig in het leventje van Liet. Juist zijn afwezigheid vormt haar. Ze mist hem, ze hunkert naar een vader, maar wordt aan haar lot over gelaten. In een poging haar niet te vormen, vormt Edward haar des te meer.

Al tijdens het lezen van het eerste hoofdstuk raakt je enigszins in verwarring: waar gáát dit boek over. Hellend vlak is een vreemd boek. Het staat op zichzelf en is qua stijl nergens mee te vergelijken. Alles aan het boek is apart en anders. Soms leest het als een sprookje, soms klinkt het als een harde aanklacht tegen het conditioneren van kinderen. In de belevingswereld van kleuter Liet lopen fantasie en werkelijkheid door elkaar heen. Zo rijst de vraag: bestaan haar broers enkel in de verbeelding van dit eenzame meisje? Verwart zij hen met de raven in het sprookje De zeven raven waaruit zij wordt voorgelezen? In elk geval zitten de jongens verdacht veel op het dak. ‘Zie je die raven?’ vraagt Liet. ‘Dat zijn mijn zeven broers’. En dan al die vreemde, angstaanjagende dingen die zij zeggen…

Broekhuysen schrijft filmisch, zintuiglijk bijna. Alles in het verhaal, beweegt, trilt en vibreert. Ook haar schrijfstijl wijkt af van het gangbare. Vooral haar woordkeuze doet archaïsch aan en draagt daardoor bij aan het vervreemdende karakter van het boek.
Soms levert dat wondermooie, haast poëtische zinnen op, maar dikwijls leidt het tot vreemde, geforceerde constructies (‘Eet je gries, Liet, kniester niet zo.’), waarbij het er soms op lijkt dat de klank en het ritme van de zinnen voor de auteur, die tenslotte vooral violiste is, belangrijker zijn dan de inhoud en betekenis van de woorden. Dikwijls stoort haar gebruik van taal: het kind draagt een jakje, een boezelaar of een ponnetje. Ze probeert ‘een gaapje’ voor zich te houden en haar broers vragen of ze wel tegen een ‘gebbetje’ kan of dat ze een ‘slachtje’ wil eten. Ze zakt in ‘een hurkje’ en haar nichtjes gunnen haar ‘een gelukje’, terwijl ze heel wat ‘pestjes’ van haar broers doorstaat.

Want pesten kunnen die broers. Liet is nergens veilig voor hen. Lastig en ongrijpbaar zijn ze en dat komt vooral omdat ze geen individuen zijn. Zij treden enkel op als een dreigend collectief. Op ongeveer driekwart van het boek kiest de auteur voor een perspectiefwisseling. Plotseling wordt het verhaal verteld vanuit het gezichtspunt van de zeven broers, weer als collectief natuurlijk, want ook nu spreken zij met één stem. En ook in dit deel van het boek blijven die ravenbroers vreemde, morbide dingen zeggen. Onheilswaarschuwingen lijken het wel.

Het hele boek is doordrongen van een latente dreiging, niet alleen in de woorden van de broers en de beschrijvingen van de grillige natuur. In de lucht cirkelt Gammur, de adelaar die alles ziet. Liet met haar loer steevast in haar hand vormt het middelpunt (en doelwit?) van zijn allesziende blik. Dreigend is ook de aanwezigheid van de liervogel Melchior die alle geheimen doorgrondt en -als de gezinsleden niet oppassen- ook openbaart. Een van de geheimen die keer op keer ontrafeld dreigt te worden, is de geheime agenda van moeder Wobke. Ondanks het uitdrukkelijke verbod van Edward geeft zij Liet toch vioolles, iets dat zij angstvallig voor haar man probeert te verbergen.

Voor de lezer wordt het steeds duidelijker dat dit verhaal niet goed kan eindigen. Al deed de titel dat natuurlijk al vermoeden. In de retorica is een hellend vlak immers de bewering dat een bepaalde actie (in dit geval de keuze van Edward) een reeks reacties, in de vorm van onstuitbare opeenvolgende gebeurtenissen, zal veroorzaken die uiteindelijk tot een ongewenst einde leiden.

Ook na het herlezen van dit boek blijft de essentie ongrijpbaar. ‘Waar het over gaat is iets wat bleef transformeren tijdens het schrijfproces. Dat maakt het moeilijk om er de vinger op te leggen’, antwoordde Laura Broekhuysen toen Rutger Martens haar de vraag stelde waar Hellend vlak over gaat. Daarin schuilt precies het probleem voor de lezer: als het voor de auteur zelf al moeilijk is om onderwerp en thema van haar roman te benoemen, is het niet verwonderlijk dat je als lezer houvast mist. Bovendien ontbreekt een echte verhaallijn: het gezinsleven wordt beschreven, het kabbelt voort, maar er gebeurt weinig. Het nog eens lezen van het boek ten spijt, blijft de eerste indruk bestaan: Hellend vlak is een vreemd boek. Echt boeien doet het niet: een spanningsboog ontbreekt en in het verhaal blijft net te veel té vreemd en té vaag en onbenoemd. En omdat het zo slecht lukt de essentie van het boek in treffende woorden te vangen, blijf je als lezer achter met een toch wat onbevredigende leeservaring.

 

Hellend vlak

Auteur: Laura Broekhuysen
Verschenen bij: Uitgeverij Querido
Aantal pagina’s: 213
Prijs € 18,95

 

 

 

Een vader in de kelder en raven als broers
ISBN: 9789021440194

Meer van Sunny Jansen:

23 maart 2015

Op zoek naar het eeuwige leven

Over 'Slaap zacht Johnny Idaho ' van Auke Hulst
2 maart 2015

Wat is herinnering en wat is verbeelding  

Over 'Uitval' van Fleur Bourgonje
9 december 2014

Zonder rietpen verkommert de geest

Over 'Het paviljoen van de vergeten concubines' van Pim Wiersinga

Recent

20 november 2017

Het leven ontwijken

Over 'Kraaien tellen' van Lucas de Waard
17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef
14 november 2017

Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

Over 'Binnenplaats' van Joost Baars
13 november 2017

Een aaneenschakeling van mislukkingen?

Over 'We haten elkaar meer dan de Joden' van Els van Diggele