Een draai geven

In ‘Achter de muur’ herinnert Marga Minco zich hoe haar vader elke zaterdag naar de sigarenwinkel wandelde, terwijl zij met hem meeliep. Ze beschrijft hoe hij daar een sigaar aangeboden kreeg. ‘Met de sigaar al tussen zijn lippen maakte hij een bijna terloopse buiging naar het blauwe vlammetje van de sigarenaansteker – een stevige metaalkleurige standaard, die deed denken aan de zilveren kandelaren die men wel op de met wit damast gedekte dinertafels aantreft  en stak de sigaar op.’ Deze details haalt ze zich voor de geest als ze na de oorlog voor de dichtgemetselde winkelpui van de sigarenwinkel staat. Ze gaat na waar de winkeldeur moet hebben gezeten. Ze legt haar hand tegen de muur. Bedenkt dat daar, achter die stenen muur, ‘de geur van een pas opgestoken sigaar voorgoed moet zijn blijven hangen.’ Minco’s verhalen schrijnen des te meer door haar droge constateringen.

In het literair tijdschrift Kluger Hans las ik een verhaal over een zomerkamp, een knap geconstrueerd verhaal. Drie jonge mensen, Tomas, Tara en Inge zijn de begeleiders. Het speelt zich af in de toekomst, in een Koepel waarin de wereld is nagebootst. Al komen er geen onvoorspelbare weersomstandigheden in voor. Op een dag verzucht Tara dat ze verlangt naar een zuchtje wind. ‘Een goeie zomerbries. Schaapjeswolken. Of zelfs een stevig namiddag onweer.’ Tomas negeert de opmerkingen, ‘Hij heeft weinig op met de pre-Koepelnostalgie die tegenwoordig in bepaalde kringen hip is.’
Het verhaal begint zo: ‘De laatste ouders zijn vertrokken. Met een vaag gevoel van spijt ziet Tomas de auto’s achter het duin verdwijnen – voor één moment zelf weer kind.’ 
Door dat vage gevoel, een moment weer kind voelen, ontstaat het vermoeden dat Tomas aan zo’n zelfde zomerkamp geen prettige herinnering heeft overgehouden. Er is sprake van een verdwenen zusje. 

Eigenlijk kan Tomas niet met kinderen omgaan. Dan komt er ook nog elke nacht een vreemd kind bij. Eerst een jongetje, dan een meisje, dan een baby. Er lijkt een omkering van vermissingen gaande te zijn. Tomas besluit ze weg te brengen. In de vroege ochtend brengt hij ze met de auto naar de buitenrand van de Koepel, waar hij ze naar buiten werkt. Een van de kinderen stribbelt tegen. ‘Tomas moet hem met beide armen loswrikken van het hek en hem, terwijl de poort alweer omlaag ratelt, een laatste hakje geven wanneer hij terug naar binnen dreigt te kruipen.’
Als de ouders de kinderen komen ophalen, zal het aantal dat ze hebben achtergelaten precies kloppen. ‘Niemand kwijt.’, bedenkt Tomas. Toch blijft er iets aan hem knagen. Op de terugweg zet hij de auto aan de kant van de weg. Hij kijkt rond in de auto. Zijn blik treft een roze elastiekje op een van de stoelzittingen. ‘Met terugwerkende kracht bereikt hem een beeld uit de achteruitkijkspiegel, als een vakantiefoto van lang geleden; broer en zusje, een baby op de achterbank.’ Alsof Tomas zelf, zijn zusje en de nieuwe baby zijn teruggekeerd uit de tijd. En hij ze nu voorgoed verwijderd heeft. 

In ‘De dag dat mijn zuster trouwde’ ging Marga Minco nadat het bruiloftsfeest van haar zus was afgelopen, naar haar kamer. Op haar bed lag de doos waarin het bruidsboeket bezorgd was. Ze hield de doos voor haar gezicht. ‘De geur was erin blijven hangen.’ Alsof door het vasthouden van die geur, die te beschrijven, het lot van haar zuster die drie weken na haar trouwdag werd opgepakt en niet meer terugkwam, nog veranderd kon worden. Door stil te staan bij de geur van een bruidsboeket, sigarenrook, of bij de aanblik van een roze elastiekje, is er de schijn of het leven nog alle kanten op kan. Echt gebeurd is een goed excuus om de geschiedenis een draai te willen geven.

 

 

Uit: Alle verhalen / Marga Minco
Uit: Kluger Hans #45 / Malthus aan zee / 
Johannes Westendorp



Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een column.

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Inge Meijer: