Ken Babstock – Sigint

Een bundel die de lezer onderdompelt in dystopische fantasieën en ideeën

Recensie door Albert Hogeweij

Het Advertentiespel uit vroeger tijden was vermakelijk vanwege de vreemde advertentieteksten die konden ontstaan als de in stukken gehakte zinnetjes door toeval bij elkaar kwamen: ‘Aangeboden: vier nieuwe leden met grote kleefkracht’. Tussen zulke raadselachtige zinnen zal een zin als: ‘Dwangmatigheid / is een wind waaraan de niet-moderne kat / is vastgeniet’ bepaald niet misstaan. Laatste zin is echter niet van de spellenmakers van Jumbo maar van de Canadese dichter Ken Babstock (1970) en te vinden in de onlangs uit het Engels vertaalde sonnettenreeks SIGINT, een op zichzelf staande sectie uit Babstocks vijfde en meest recente bundel On Malice (2014).

Vermaak staat daarin niet voorop. Daartoe is ook allerminst reden wanneer men bedenkt dat de dichter zich heeft laten inspireren door een uit de Koude Oorlog daterende Amerikaanse spionagebasis op de Berlijnse Teufelsberg. De hoogste van de negen kunstmatige heuvels die het voornaamste bestemmingsplan waren voor de miljoenen kubieke meters Berlijns oorlogspuin. Al gauw echter na de val van de Muur kwijnde het inmiddels uit gebruik genomen afluistercomplex weg om te verworden tot fossiel uit het vergane hoogtij van de Koude Oorlog. Toen werden met zulke radarkoepels de verste radiosignalen uit het Sovjet-imperium waargenomen.

Signalen van een dystopie
Alle gedichten uit On Malice, inzonderheid die uit SIGINT, putten niet rechtstreeks uit het allerindividueelste domein van de dichter maar vissen doelbewust in andere bronteksten. Babstock schrijft in het nawoord dat de sonnetten uit SIGINT ‘plaatsvinden’ in het verlaten afluisterstation. SIGINT is de afkorting voor ‘signals intelligence’, informatiegaring middels het onderscheppen van signalen. Het afsluitende distichon van deze sonnetten bevat steevast in kleiner lettertype afgedrukte ‘incident reports’ welke botsingen ‘verbeelden’ tussen een klein vliegtuig en een gierzwaluw, met vermelding van plaats, datum en tijdstip. Deze sonnetten zouden volgens Babstock vocabulaire ‘delven’ uit de aantekeningen die de cultuurfilosoof en geboren Berlijner Walter Benjamin maakte over het taalverwervingsproces van zijn zoontje. Maar deze pas de deux met Benjamins teksten wordt door het afluisterstation vakkundig door de mangel gehaald om, opgeluisterd met digitaal jargon als ‘malware’ en ‘glasvezelkabel’, de ether in te worden geslingerd. De taal wordt hier als afvalproduct gepresenteerd, dat door de onzichtbare hand van de dichter zelf tot een sonnettenmozaïek gerecycled is. Vanzelfsprekend levert het resultaat geen gedichten die de schoonheid van het menselijk bestaan bezingen. De sinistere sfeer van een dystopie is er meteen in het openingsgedicht:

Het meest houd ik van / de dood. Dit is geen wachtkamer voor zielen (…) Kun je je niet voorstellen dat je bespied wordt, / dan kun je je niet voorstellen hoe goed ik ben.

Poëzie die geen lezer nodig heeft
Ik besta want ik word bespied. Een leven lang onopgemerkt blijven is de mens niet meer gegund; ‘de radio vraagt om nieuw misbruik’. Aan de spiedende blik van de moderne surveillancemaatschappij valt door niemand te ontkomen. We leven met ‘de coïtale koppijn van continu toezicht’ in een begluurde wereld en we weten het. Onze manier van communiceren wordt er mede door bepaald. Waar de een zal neigen tot onverschilligheid of exhibitionisme, gaat de ander er juist toe over zijn informatie te versleutelen. Op de menselijke maat is deze poëzie niet bemeten. In het digitale universum lijkt de mens te zijn verworden tot een supplementair ‘diertje’. Het is intussen maar de vraag of deze poëzie nog om een lezer vraagt.

De gedichten bevatten een volledig platgeslagen en gelijkgeschakelde, autonome tekst. Zonder richtinggevend verdwijnpunt worden de zinnen voortgedreven door grammaticale logica die de lexicale betekenis ondergraaft. Met een overweldigend potentieel aan (on)vermogende woorden als resultaat. Maar net als onkruid onuitroeibaar is, bloeit op deze afvalberg van taalscherven als vanzelf betekenis op. Als een Feniks verrijst de taal uit zijn eigen as. De volhardende lezer die bereid is deze gedichten meerdere lezingen te gunnen, zal bemerken dat verbanden zich schoorvoetend beginnen prijs te geven. Hij zal echo’s waarnemen van eerder gelezen zinnen. Leest men bijvoorbeeld in het ene gedicht:

Omdat het openbare lab er al stond, / verlegde ik maar de grenzen op het geheime / toilet.

Dan zijn de oren gespitst waar het volgende gedicht verder orakelt:

Zij die al gestorven zijn, zo bang
op het toilet, moeten wel vragen:
waar is vlees van gemaakt?

Waar is een begraven jongen van gemaakt?
Is hetzelfde vlees in het toilet niet de andere
dode gedachte begraven in ‘ben braaf’?

Digitale maatschappij
Hoe onheilspellend is het dat het allerlaatste sonnet begint en eindigt met de zin ‘Nu ben ik braaf’? Aldus spant zich een fijn weefsel waarin een spoor, glimpend van opheldering, lijkt uitgezet. Zoals de radars de onderschepte signalen ooit op geheime betekenissen uitvlooiden, graast de lezer deze tekstflarden af op hun diepere betekenislagen, daar de veronderstelling dat dichters schrijfmachine hier simpelweg gekkenpraat zou hebben gemijmerd niet bevredigend is. In deze bundel hoeft men niet per se te verdwalen. Al lukt het waarschijnlijk niet overal een vinger achter te krijgen. Wie daarmee kan leven, zal onderweg genoeg moois kunnen lezen: ‘Jij geschiedt en wordt beschoten’, ‘Brave mensen maken geen inbreuk op het heden.’ of: ‘Misschien is denken de maan van een maan’. Zinnetjes die ons in een flits lijken te willen zeggen hoe de wereld werkelijk in elkaar zit.

Als deze bundel een kunstwerk was, betrof het niet een schilderij maar eerder een installatie die de toeschouwer onderdompelt in dystopische fantasieën en ideeën die bij nadere beschouwing minder ver van ons af blijken te liggen dan de sussende woorden van de boven ons gestelden ons willen doen geloven in onze inmiddels o zo vertrouwd gemaakte, verdigitaliseerde maatschappij.

Buiten staan twee schapen.
‘Moet’ bewaakt de schapen.
‘Misschien’ schudt aan het boompje.

De kleine hond met een staf valt eraf.
Brengen de vervloekte doorns voor volgend jaar genoeg op
dan komt het zwarte schaap erop bijten.

Wanneer hij jaagt, slaat hij een hond.
Wanneer hij jaagt, slaat hij een hond.
Wanneer hij slaat, jaagt hij een hond.

Het regent hier in de kamer.
Wat wordt geleerd van al dit geluister?
Voddenkoppen in boeien met hun geëlektrocuteerde leden.

 

04.35u, mei, hoogte onbekend, tijdens nadering Varna. Helder

 

 

Omslag Sigint - Ken Babstock
Sigint
Ken Babstock
Vertaling door: Jeske van der Velden
Tweetalig
Verschenen bij: Poeziecentrum vzw
ISBN: 9789056551469
96 pagina's
Prijs: € 19,95

Meer van Albert Hogeweij:

Recent

15 december 2017

Drakenbloed en hoestende koeien

Over 'Tijl' van Daniel Kehlmann
14 december 2017

Vergane Hollywoodglorie in de Maghreb

Over 'De oppermachtigen' van Hedi Kaddour
13 december 2017

Literatuur uit de provincie

Over 'Ergens op het eind' van Erik Nieuwenhuis
12 december 2017

Troosteloos zal het in Twente wezen

Over 'De heilige Rita' van Tommy Wieringa
11 december 2017

Niet alles hoeft begrepen om te zien hoe prachtig het is

Over 'Finisterre' van Eugenio Montale