Een brief die wel aankwam

Op 21 september kwam  bij een Amstelveens postzegelveilinghuis de wellicht laatste brief aan Otto Frank gericht onder de hamer. Het is een dikke brief met een postzegel van vijf cent erop. Hij komt uit de nalatenschap van een in 2013 overleden verzamelaar en lag onder in een doos. Ongeopend. De veilingmeester speculeert in een kort interview waarom deze brief ongeopend zou kunnen zijn gebleven. Het kan volgens hem zijn, dat de brief over het hoofd is gezien. Maar het kan natuurlijk net zo goed, dat de filatelist het een te beladen object vond om te openen. Otto Frank was immers de vader van Anne. Bovendien is het stempel op de brief al schrijnend genoeg: ‘Terug afzender’, evenals het er met de hand bijgeschreven ‘Onbekend’. De brief bracht € 9.500 op.

Tijdens mijn middelbareschoolperiode luisterde ik naar een lp waarop twee piepjonge violisten elk een Romance van Beethoven spelen. Ik kon de diepte van Beethovens beide Vioolromances nog niet vatten. Het was als een brief die aan mij was geadresseerd maar die ik niet open wilde of kon maken.

Jaren later duiken de Vioolromances opeens weer op. Ik bereid een middag voor van een muziekclubje in een verzorgingshuis, dat een keer in de maand samenkomt om naar muziek te luisteren. Ik vertel er wat bij en we praten erover. Op verzoek van een van de deelneemsters had ik gekozen voor de muziek die Beethoven rond 1800 schreef, ‘de tijd van gisting’ zoals de Vlaamse dirigent en musicoloog Jan Caeyers het in zijn mooie biografie over Beethoven noemt.
Als ik tijdens die middag de Tweede romance draai, vertel ik erbij dat Beethoven toen hij dit werk schreef, zich ervan gewaar werd dat hij doof aan het worden was. Caeyers noemt het stuk in zijn boek een vorm van escapisme. Beethoven vluchtte in deze delicate, jeugdige muziek die suggereert dat alles goed is, en vond er troost in.

Een van de deelneemsters uit het groepje merkt op, nadat we stil hebben zitten luisteren, dat een vriendin van haar deze muziek vaak wilde horen toen ze op sterven lag. ‘Het gaf haar troost’. Deze  woorden raken me, ik die eerst niets met deze muziek kon of wilde en nu met de neus wordt gedrukt op het feit wat die muziek eigenlijk heeft te zeggen. Beethoven wist, zelf gebukt gaande onder narigheid, als geen ander dezelfde snaar van troost bij een ander te raken. De deelneemster uit het muziekclubje boog haar hoofd – om twee zinnen uit Anna Enquists roman Want de avond te parafraseren – in figuurlijke zin over de brief en schreef door die houding het antwoord. Ik mocht meelezen.

 


Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw en schrijft daarover in haar columns.