12 januari 2017

Een blik in de spiegel

Door Rob van Dam

Voelt u ook zo’n weerzin tegen Trump? Dat kapsel, die tronie, dat gebullebak? Zijn rijkdom, zijn wansmaak? Hoe is het toch mogelijk dat zo’n barbaar, enz. En Clinton had nog wel meer stemmen, enz. Nooit eerder zijn weldenkende mensen het zó met elkaar eens geweest. Op 20 januari is zijn inauguratie en dan wordt het menens.
Lees eens het volgende citaat van George Orwell. Let op het jaar van publicatie. Hij heeft het over ‘nationalisme’ en daar bedoelt hij een heleboel dingen mee die wij ‘populisme’ noemen: blinde groepstrouw, blinde groepshaat, afkeer van feiten en afkeer van het vreemde. Trump. De onderbuik.

‘Wat betreft de nationalistische voorkeur en afkeer waar ik het over heb gehad, die behoren tot de aard van de meesten van ons, of we het leuk vinden of niet. Of het mogelijk is er vanaf te komen, weet ik niet, maar ik geloof dat het in ons vermogen ligt ze te bestrijden en dat dat in wezen een morele inspanning is.

Het komt er om te beginnen op aan te ontdekken wie je werkelijk bent, wat je eigen gevoelens werkelijk zijn en vervolgens om rekening te houden met je onvermijdelijke bevooroordeeldheid. Als je Rusland haat en vreest, als je jaloers bent op de rijkdom en macht van Amerika, als je Joden veracht, als je een gevoel van  minderwaardigheid hebt jegens de Britse heersende klasse – je komt niet van die gevoelens af door er alleen maar over na te denken. Maar je kunt ten minste onder ogen zien dat je met die gevoelens behept bent en voorkomen dat ze je denken (‘mental processes’) besmetten.

De gevoelsmatige impulsen waar je niet aan kunt ontsnappen, en die misschien zelfs noodzakelijk zijn om tot politiek handelen te komen, moeten toch kunnen bestaan naast een aanvaarding van de werkelijkheid. Maar dit vraagt, ik zeg het opnieuw, een morele inspanning (…)’

Uit: Notes on Nationalism (1945)

Zo’n morele inspanning leveren, dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Steeds maar je onderbuik inhouden! De last van zelfcorrectie en weldenkendheid. Orwell zelf wist er alles van, overtuigd socialist als hij was, met de inborst van een Tory.
Laten we daarom van 20 januari een bijzondere dag maken. Zodra we zijn opgestaan, posteren we ons voor de spiegel en kijken we onszelf langdurig en indringend aan. Liefst in ons eentje, dat verhoogt de intensiteit van de ervaring. En dan –  u moet wel even uw best doen – zult u geleidelijk aan, misschien vaag, misschien verblindend scherp, de gestalte van Trump ontwaren. Shit! Ben ik dat?

Jawel. En pas als wij de primitieveling in onszelf durven zien en aanvaarden, zie Orwell, zijn we in staat te begrijpen dat politieke opponenten, hoe onbehouwen ook, geen aardedonkere vertegenwoordigers van het kwaad zijn waartegen wij, als zelfverklaarde hoeders van de Rechten van de Mens en van Artikel 1 van onze Grondwet, met zuiver blazoen ten strijde moeten trekken. Orwells ‘gevoelsmatige impulsen’ zijn menselijk, al te menselijk.
Noem dat ‘het menselijk tekort’ of, als u dat sjieker vindt, ‘la condition humaine’. De kerken spraken vroeger van ‘erfzonde’, een geloofsartikel waar moderne christenen niet veel van moeten hebben. Het besef van onze onvolkomenheid (‘De mens is geneigd tot alle kwaad’) brengt ons echter tot grotere zelfkennis en vergroot onze realiteitszin en maakt ons juist daardoor minder Trumperig. Want laten we eerlijk zijn: voor we het weten lijken we in onze aversie jegens Trump, Le Pen, Wilders, enz. verdacht veel op de tegenstanders. Of bent ú daar niet bang voor?

De Poolse filosoof Leszek Kolakowski, overleden in 2006, schreef eens naar aanleiding van het begrip ‘erfzonde’: ‘Voor ons verstand is twijfel het bewijs van onze onvolmaaktheid, niet de aanleiding ervan; tegelijkertijd verhindert hij dat het kwaad dat in ons is, zijn hele arsenaal aan mogelijkheden ontwikkelt. Datgene dat maakt dat wij ons pijnlijk bewust zijn van onze onvolmaaktheid, helpt ons minder onvolmaakt te zijn dan we anders geweest zouden zijn (…)’

Verder merkte hij op: ‘Onnodig toe te voegen dat de duivel ook weet hoe hij de twijfel voor zijn karretje moet spannen, hoe er een excuus voor inactiviteit en inertie van te maken juist dan, wanneer standvastigheid en bereidheid tot het aangaan van een onzekere strijd nodig is.’
Uit: Kan de duivel verlost worden? (1972, vertaling J. Minkiewicz)

Die ‘onzekere strijd’ waar Kolakowski het over heeft, is er een die zowel innerlijk moet worden gevoerd als tegen externe tegenstanders, en heeft alleen kans van slagen als we Orwells ‘morele inspanning’ weten op te brengen en onder ogen zien dat we uit hetzelfde hout zijn gesneden als Trump. Laat u zich inspireren door de volgende regels van Leonard Cohen, afkomstig van zijn allerlaatste cd:

say your Mea Culpa, which you gradually forgot
year by year, month by month, day by day,
thought by thought.

Uit: Steer Your Way (2016, van de CD ‘You Want It Darker’)

En dan ten strijde, want alleen met dromen en tranen à la Jan Terlouw komen we er niet. Overigens, wat denkt u dat Trump zélf in de spiegel ziet?

 

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer