Het was laat geworden toen de vergadering eindelijk voorbij was. Mijn collega  bood aan me met zijn auto naar het station te brengen, vandaar zou ik de trein naar huis nemen. De nachtlucht was scherp en koud, de sterren schenen stralend aan de donkere hemel. Het had gesneeuwd en het landschap leek een illustratie uit een boek van Anton Pieck. We liepen door de hobbelige straten van het slapende dorpje, gordijnen waren gesloten, geen mens op straat, zelfs niet om nog een laatste keer de hond uit te laten. Toen we langs een rij geparkeerde auto’s liepen, zagen we dat bij één van de auto’s de sleutels nog in het deurslot staken. We waren van mening dat we niet zo maar door konden lopen. Dus ik liep naar het huis waarvoor de auto geparkeerd stond en drukte op de bel. Na een poosje deed een oudere man open, een grote man met een baard en een bril. Hij nam ons argwanend van hoofd tot voeten op terwijl hij probeerde in te schatten met wie hij te maken had op dit late uur. Zijn blik bleven hangen bij het zwarte gezicht van mijn  collega.

Hij snauwde, ‘Wat moeten jullie?’ Ik zei, ‘Pardon meneer, is dat uw auto die hier voor de deur staat?’ Meteen werd hij nog achterdochtiger, deed een stapje terug en vroeg, ‘En wat dan nog? Wat hebben jullie daarmee te maken?’
‘Helemaal niks, meneer,’ zei ik, ‘ik wilde alleen maar zeggen  dat u de autosleutels aan de buitenkant van de deur hebt laten zitten.’ Als bij toverslag veranderde zijn houding. Hij ademde opgelucht uit en bedankte me uitbundig, steeds maar weer. Hij schudde langdurig mijn hand, mijn collega, die uiteindelijk ongevaarlijk bleek, daarbij volledig negerend. Die haalde gelaten zijn schouders op en voegde dit nare incident toe aan een lange rij van vervelende ervaringen die met zijn huidskleur te maken hadden. Ik voelde me onpasselijk worden van woede, wilde tekeer gaan, heel dat kleine dorp verwoesten, platbranden tot de grond toe, tot alleen smeulende resten zouden overblijven. Het zou niet helpen, ik zou me er maar even beter door voelen.

Na deze gebeurtenis kon ik het bekende gedicht van Lucebert nooit meer lezen zonder aan die avond te denken:

‘Er is een grote norse neger in mij neergedaald
 die van binnen dingen doet die niemand ziet
 ook ik niet want donker is het daar en zwart

 maar ik weet zeker hij bestudeert er
 aard en structuur van heel mijn blanke almacht

 hij morrelt wat aan halfvermolmde kasten
 dat voel ik – splinters schieten door mijn schouder
 nu leest hij oude formulieren dit is het lastigst
 teveel slaven trok ik af van de belasting’

Die avond zelf was ik alleen maar op zoek naar een baksteen, om door het raam van de auto te gooien.

 


Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.