Dichters moeten rusteloos op zoek naar poëzie die hen aanspreekt

Interview door Ingrid van der Graaf

Jozef Deleu (1937) is dichter en enig redacteur van het poëzietijdschrift Het liegend konijn, waarin per editie zo’n 180 nieuwe Nederlandstalige gedichten van gemiddeld 25 dichters wordt opgenomen. Voor de dichters van deze tijd is hij een belangrijke factor in de erkenning en verspreiding van nieuw werk, waarmee hij de poëzielijn vitaal houdt.

Naast redacteur en pleitbezorger voor Nederlandstalige literatuur, is Deleu ook schrijver, al noemt hij zichzelf geen veelschrijver, eerder een schrapper, redacteur van eigen werk. Als dichter is hij zuinig met woorden, zijn poëzie kan gerust minimalistisch genoemd worden- verzen als een smalle streep op het bladpapier – maar kennen een diepe zeggingskracht. In 1962 debuteerde hij met de novelle De ontmoeting, een jaar later debuteerde hij als dichter met de bundel Schaduwlopen. Ondanks zijn karigheid met woorden, verscheen vorig jaar zijn verzamelde gedichten in Ondoorgrond, Gedichten 1963-2019 in een 350 pagina’s tellend boekwerk. 

Toch gaat zijn meeste tijd naar die andere drang, het verspreiden van literatuur, het oprichten van literaire tijdschriften, het samenstellen van verschillende bloemlezingen, zoals het Groot Verzenboek, vijfhonderd gedichten over leven, liefde en dood dat in 2015 in een herziene en uitgebreide druk werd uitgegeven als Nieuw Groot Verzenboek.

Door de beperkende reismogelijkheden, kwam dit interview tot stand middels mailwisseling. Een interview over hoe men zo dicht verweven raakt met literatuur, elke dag poezie lezen. Over het driestromenbeleid van een eenmansredactie, het als kind voorgelezen worden uit een streekroman en hoe zoiets eenvoudigs alles in gang zette. Mooi is dat poëzie niet eindig is, en Jozef Deleu onverstoorbaar en consciëntieus zijn werk doet.

 

Wat heeft u beroerd waardoor u pleitbezorger van de Nederlandstalige literatuur werd?

‘Ik kom uit een boerenfamilie waar literatuur geen belangrijke rol speelde. Wél las mijn moeder soms voor uit een of andere streekroman. Ook twee leraren Nederlands waren essentieel voor mijn belangstelling voor literatuur. De ene was een kenner van de poëzie van Guido Gezelle, die hij heeft verzameld en uitgegeven. De andere was een bewonderaar van de Tachtigers. Hij declameerde uit zijn hoofd met groot gemak tientallen sonnetten van Willem Kloos. Daarnaast was er ook nog een leraar Frans die veel belang hechtte aan poëzie. Ook een opleiding aan het consevatorium was inspirerend.’


Wanneer bent u zelf begonnen met schrijven? 

‘Toen ik zeventien was stuurde ik mijn eerste verzen naar de Vlaamse dichter en criticus André Demedts (1906-1992, Vlaams schrijver en leraar, Iv/dG). Hij inviteerde me voor een gesprek. Zo werd hij mijn leermeester. Hij zette de deuren van de eigen en de wereldliteratuur wijd voor me open. Dat was heel ongebruikelijk in de jaren vijftig vorige eeuw. Mijn mentor stimuleerde me om uitsluitend werk van belangrijke auteurs te lezen. Literatuur en poëzie in het bijzonder werden voor mij steeds belangrijker. De behoefte om zelf te schrijven werd met de dag dwingender. Maar een veelschrijver werd ik niet. Eerder een schrapper.’


U heeft in uw leven twee tijdschriften geïnitieerd, waaronder Ons Erfdeel, dat sinds kort De lage landen heet, en waarvan u sinds de oprichting in 1957 tot 2002 de redactie voerde. 

‘Op suggestie van mijn leermeester ben ik in 1957 gestart met het tijdschrift Ons Erfdeel. Er hing in die dagen een intense behoefte aan openheid en verbreding van de eigen wereld in de lucht. Ons Erfdeel werd een ideologisch en politiek ongebonden Vlaams-Nederlands tijdschrift dat over de grenzen heen de eigen taal en cultuur wilde propageren. Het blad wees ‘verzuiling’ af en kwam op voor openheid, authenticiteit en onafhankelijkheid.’

‘Hoewel het tijdschrift en alles wat er in de loop der jaren uit voortvloeide veel aandacht opeiste, bleef ik ook schrijven, vooral ’s nachts. Adviezen en suggesties van Nederlandse vrienden als Anton Claessens en Frits Niessen werden steeds belangrijker voor mij.’


Toen ging u in 2002 met pensioen en richtte het poëzietijdschrift Het Liegend Konijn op. Was dit een gekoesterde droom, een poëzietijdschrift van dat formaat samen te stellen? 

‘Het is de realisatie van een lang gekoesterde droom. Ik heb me altijd voorgesteld dat ik na mijn pensionering me heel intens met poëzie zou bezig houden. In 1976 was ik al gestart met de publicatie van Groot Verzenboek, een omvangrijke thematische bloemlezing uit de Nederlandstalige poëzie van de twintigste eeuw. Volgend jaar, in 2021 verschijnt de 19de druk van wat nu Nieuw Groot Verzenboek heet.’


Hoe was de stand van de poëzie in die tijd, bijna twintig jaar geleden, er eigenlijk aan toe?

‘Ik volg al meer dan zestig jaar de hedendaagse poëzie. Het werd me met de jaren duidelijker dat poëzie geen serieuze plaats meer kreeg in de literaire tijdschriften. Twintig jaar geleden begonnen literaire tijdschriften nagenoeg allemaal in ademnood te verkeren. Velen verdwenen van het toneel. De plaats die poëzie kreeg in de overlevende bladen werd nog geringer. Aandacht voor debuterende dichters verdween zo goed als helemaal.’

‘Met Het Liegend Konijn wilde ik een tijdschrift maken vol poëzie van nu, met uitsluitend nieuw werk van debuterende en bekende dichters zonder een alles overheersende, eenduidige poëtica. Het blad moest op die manier een permanente bloemlezing worden van de meest hedendaagse poëzie, open voor wat beweegt en gebeurt.’ 

‘Ik koos voor een eenpersoonsredactie die kiest, wint en verliest. In volstrekte ongebondenheid. Voor mijn opzet zocht ik een Vlaamse  en een Nederlandse uitgever. Het blad startte bescheiden. Het mocht groeien en kon aan nieuw werk van dichters van divers pluimage een onderdak bieden. Aan de 37 nummers die tot nu zijn verschenen hebben straks vijfhonderd dichters meegewerkt.’


Wat bedoelt u met ‘die kiest, wint en verliest’?

‘Het voordeel van een eenpersoonsredactie is dat je geen compromissen hoeft te sluiten. Jij bent alleen verantwoordelijk voor de keuze. Wat ik soms wel ontbeer, is confrontatie met de inzichten van collega’s. Een paar keer per jaar, als ik onzeker ben over een inzending, vraag ik advies aan een zeer belezen en geleerde vriend.’


Bent u in de eerste plaats dichter, redacteur, of pleitbezorger?

‘Ik ben een dichter die het redigeren van tijdschriften niet kan laten. Ik ben zoals gezegd, geen veelschrijver, maar voortdurend met literatuur bezig. En poëzie lees ik iedere dag, de allernieuwste en de oude. Oordelen over wat nu wordt geschreven kan het best tegen de strenge meetlat van de beste poëzie van gisteren. Omdat ik de daad graag bij het woord voeg, ben ik misschien ook een pleitbezorger. Die dubbelheid wil ik graag zo houden. Uiteraard bij leven en welzijn.’


Benadert u dichters voor nieuw werk of sturen ze zelf in, en wordt er veel ongevraagd werk ingezonden?

‘De samenstelling van Het Liegend Konijn is het resultaat van een soort drie stromen beleid. Allereerst benader ik een aantal dichters waarvan belangrijk recent werk verscheen. Via een netwerk van contacten zoek ik ook nieuwe dichters op die nog niet hebben gepubliceerd. Tenslotte ontvang ik wekelijks 20 à 25 ongevraagde inzendingen van zowel bekende als geheel onbekende dichters.’


Om hoeveel gedichten gaat het, en de keuzes die gemaakt moeten worden, hoeveel uren zitten daar wel niet in?

‘Een nummer van Het Liegend Konijn bevat de jongste jaren om en nabij de 180 gedichten. Dat is een keuze uit een paar duizend gedichten. De lectuur en selectie van dit enorme aanbod vragen een halftijdse baan.’


In een interview uit 2012 in Knack liet u zich uit over stadsdichters en landschapspoëten, dat de dichter teveel een performer werd. Hoe denkt u daar nu over?

‘Tijdens het jongste decennium werd poëzie in toenemende mate een podiumgebeuren. Als de poëten getalenteerd zijn om de eigen gedichten te brengen, dan beschouw ik dat zonder meer als positief. Maar als dichters hun teksten onverstaanbaar staan te stamelen dan geef ik de voorkeur aan lectuur. Wie herinneringen heeft aan de manier waarop bijvoorbeeld Hugo Claus of Gerrit Komrij hun gedichten op het podium brachten, denkt met heimwee terug aan die unieke momenten.’


Hoe kijkt u naar de positie van een Dichter des Vaderlands, de kwaliteit van het dichterschap?

‘Een Dichter des Vaderlands die ook met talent het podium beklimt, zal ongetwijfeld efficiënter een publieke rol kunnen vervullen. Voor mij blijft de vaststelling overeind dat zwakke poëzie goed gebracht op een podium, nog geen uitstekende poëzie wordt. De kwaliteit van een gedicht is belangrijker dan de wijze waarop het zich bij het publiek aandient: gelezen, gesproken of gezongen. Alles wat bijdraagt om poëzie dichter bij de lezer of luisteraar te brengen, vind ik de moeite waard. Poëzie is deel van het leven. Een goed gedicht kan over alles gaan en moet ook op verschillende manieren kunnen worden gebracht.’

‘Met Het Liegend Konijn kies ik voor een vertrouwde vorm, een verzameling gedichten in een fraai boek samengebracht. Maar een pittige presentatie van een nieuw nummer van het tijdschrift ga ik niet uit de weg. Dichters zien en hoe ze hun verzen lezen, kan verhelderend zijn, als hun poëzie maar de moeite waard is!’


Gezien uw opmerking dat ‘poëzie van nu zich moet kunnen meten met de beste poëzie van gisteren’, welke dichters zou u de jonge dichter van nu aanraden te lezen, zich in te verdiepen? 

‘Jonge dichters adviseer ik lectuur aan van de poëzie van Nijhoff, Achterberg, Bloem, Slauerhoff, Van de Woestijne, Vasalis, Lucebert, Claus, Gilliams, Gerlach, Nolens. Deze lijst kan natuurlijk nog uitgebreid worden met het werk van oude meesters als Gezelle, Gorter en Van Ostaijen. Onze poëzie is ongemeen veelzijdig. Natuurlijk verdient het aanbeveling dat dichters ook anderstalige poëzie lezen, in origineel of in vertaling. Persoonlijk heb ik bijvoorbeeld veel gehad aan de Franse poëzie en aan vertalingen. Het poëtisch aanbod is overweldigend. Dichters moeten rusteloos op zoek naar de poëzie die hen aanspreekt. Vreemde poëzie kan zo inspirerend zijn, het opent nieuwe werelden.’


Ik probeer mij een voorstelling te maken van uw werkkamer, hoeveel poëziebundels heeft u in al die jaren wel niet verzameld, en doet u wel eens iets weg?

‘Ik probeer alle nieuwe poëziebundels in het Nederlands bij te houden.Dat zijn er om en nabij de tweehonderd per jaar. Het resultaat is een grote poëziebibliotheek. Ook heb ik een verzameling bloemlezingen met poëzie in diverse talen of in vertaling. Mijn collectie Afrikaanse poëzie met dichters als Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach, waaruit ik in 1966 een bloemlezing heb samengesteld, heb ik weggeschonken. Ze is in goede handen.’


Heeft u er wel eens over nagedacht te stoppen met HLK, en wat er dan met het tijdschrift zal gebeuren?

‘Moet een tijdschrift eeuwig blijven bestaan? Mag het niet verdwijnen als het een rol heeft gespeeld? Ik ben me natuurlijk bewust van mijn eindigheid. Daar schrijf ik overigens al heel mijn leven over. Maar ik ben ook een vitalist. Ik leef alsof er geen einde aan komt, al weet ik dat alles eindigt. Laat me bij leven en welzijn verder Het Liegend Konijn redigeren. En wat de toekomst betreft: “On verra”, zegt de Fransman in mij.’


Wat is de rol van poëzie in uw leven? 

‘Een leven zonder poëzie kan ik me niet voorstellen. Zelfs in het ziekenhuis neem ik een verzamelbundel mee. De krachtige verzen bijvoorbeeld van de  Pool Czelaw Milosz, hebben me in moeilijke omstandigheden bemoediging een troost gegeven. Woorden kunnen veel betekenen als ze de dingen aanraken die er toe doen, in een taal die verrast en verwondert. Poëzie is voor mij zingeving die ik niet wil ontberen.’

Niets lijkt passender dan af te sluiten met dit gedicht: 

Schrijven

woord
voor
woord

troost
bedenken
in tekens

verzonken
leven
herbeleven

essentie
zonder
overdaad

 

 

Uit: Overboord. Gedichten / Jozef Deleu / 79 blz. / Uitgeverij van Halewijck en Van Gennep (2012)

Foto: Lodewijk Deleu

 

 

Recent

Literair Nederland - 10 jaar geleden

27 oktober 2011

Recensie door: Albert Hogeweij 

Na De zeven laatste zinnen levert Dimitri Verhulst met De intrede van Christus in Brussel (in het jaar 2000 en oneffen ongeveer) een tweede titel in korte tijd die niet enkel iets met het christendom heeft uitstaan, maar ook met Ensor. Want zat bij eerstgenoemde titel niet een cd van het Ensorkwartet dat het gelijknamige muziekstuk van Joseph Haydn uitvoerde? En dit nieuwe boek verwijst natuurlijk naar het beroemde schilderij van de Belgische schilder James Ensor ‘De intrede van Christus in Brussel in 1889’.

Lees meer