13 april 2012

De buurman – J.J. Voskuil

Dialoog van een huwelijk

Recensie door Ingrid van der Graaf

 

Het werk van J.J. Voskuil bestaat uit meer dan vijfduizend pagina’s waarin zijn eigen leven centraal staat. De roman Binnen de huid (voltooid in 1968 en postuum uitgegeven in 2009) gaat over een dieptepunt in zijn leven waarin hij bevangen raakt door een haast vernietigende verliefdheid op de vrouw van zijn vriend. Een semi-autobiografische roman waarin Voskuil voor het eerst de ik-vorm hanteert. Ook de onlangs verschenen roman De buurman valt onder deze categorie.

In De buurman legt de schrijver getuigenis af – voornamelijk in dialogen – van de ongelijkwaardige vriendschap met het homoseksuele stel Petrus en Peer. Waarbij  het onvermogen zijn vrouw te kunnen volgen in haar blinde gedrevenheid dit stel in hun leven te betrekken, onverbloemd aan de oppervlakte komt. De eerste passage uit het boek geeft een kijkje achter de voordeur van huize Koning wanneer er nog geen vuiltje aan de lucht is. Een kennis- making met Maarten en Nicolien, en hoe zij zich tot elkaar verhouden. Voor de liefhebbers van Voskuil zal dit een voortzetting van de kennismaking betekenen en voor degene die met De buurman het eerste boek van Voskuil openslaan, een passende introductie.

Voordat Petrus (60 jr.) in het achterhuis kwam wonen en later Peer (45 jr.) bij hem introk, zat er een groothandelaar in wc-potten. Maarten en Nicolien hebben de man in kwestie nooit ontmoet. Wel hoorde Nicolien hem elke werkdag langskomen als Maarten naar zijn bureau was en zij de afwas deed. Ze hoorde hoe hij over het portaal liep, de negen treden naar het achterhuis beklom, zijn voordeur opende en weer zachtjes achter zich sloot. Ze wist dat het een oude man was. Dat ook kon ze horen.

Op een dag wordt er gebeld. De oude man staat voor de deur en Maarten nodigt hem binnen waar hij met Nicolien aan de borrel zit en biedt de man er ook een aan. Het is de directeur van het bedrijfje in het achterhuis, die aankondigt te gaan verhuizen. “‘U gaat verhuizen!’ zei ik verrast. Hij knikte. ‘Eind van de maand.’ ‘Dat is jammer.’ ‘Ik vind het ook jammer, maar het kon niet anders.’ ‘Omdat we altijd een goede buurman aan u gehad hebben ’ Ik keek naar Nicolien om een bevestiging. ‘Ja,’ zei ze. ‘En ik aan u,’ zei hij beleefd. Er viel een stilte waarin ik het nieuws verwerkte.”

Een rustige passage in een verder zeer onrustig boek, waarin de Konings nooit meer zo’n goede buurman zullen treffen. De eigenaardigheden van Nicolien (die het niet verdraagt tegengesproken te worden) en Maarten (die de discussie nooit echt aangaat) ontaarden geregeld, zo niet constant in vlammende ruzies. En deze ruzies worden altijd ‘afgedwongen’ door Nicolien. Zo gauw er derden hun leven binnnentreden, ontstaan de irritaties over elkaar vanzelf. Veel huwelijken kunnen als een mijnenveld beschreven worden waar de echtelieden alles vermijden om de pais en vree niet te verstoren. Echter, zo gauw er derden binnenkomen, verliest men het zicht op de kwetsbare plekken, wordt men roekeloos. Zo ook Maarten Koning die er in gezelschap van alles uitflapt. Met het gevolg dat er in het mijnenveld plofjes ontstaan of heftige uitbarstingen. Uiteraard achter gesloten deuren. Na iedere ontmoeting met de buren uit het achterhuis voelt Nicolien de behoefte elk woord te herkauwen, speurend naar onvolkomendheden. En die zijn er altijd te vinden, waar Maarten dan op wordt afgerekend.

Hoewel Nicolien aan het begin van het boek roept dat ze toch echt niet hoopt dat er in het leegstaande achterhuis aan de Herengracht waar ze wonen, een echtpaar intrekt, ‘Want ik heb geen zin om hier samen huisvrouwtje te gaan zitten spelen.’ (…) ‘En dan bij elkaar op de koffie of de thee zeker. Ik denk er niet over!’ (…) ‘Wat zou ik dat verschrikkelijk vinden!’ is dat precies wat ze zelf inzet in haar contact met de nieuwe buren. Een kopje thee over en weer, een borrel, koffie en taart op verjaardagen en zelfs samen uit eten en gedeelde vakanties. Nicolien is ervan overtuigd dat homo’s tot de underdogs van de samenleving behoren en daarom haar toewijding verdienen en ook die van Maarten. Maar daar past hij voor. Een vriendschap dus waarin onderling veel getolereerd wordt en waar hun huwelijk flink onder te lijden heeft.

Maarten doet zijn best maar zijn pogingen zijn tot mislukken gedoemd omdat hij het stel  niet serieus kan nemen. ‘Vanachter gezien leek Petrus nog het meest op een kever: kromme, dunne benen in een te korte, te nauwe zwarte broek, waardoor zijn knieën opvallend uitstaken, daarboven een onbeweeglijke rechthoekige massa in een te groot jack, met daar weer boven dat eigenaardige hoofd met sprieten die stijf vooruitstaken boven de ogen en rond de mond.’ De vriendschap loopt de nodige schade op door nogal wat boute uitspraken van Maarten. Het zal je maar gezegd worden dat de badkamer in het huis van je zus (Peer), waar ze met zijn vieren vakantie vieren, ‘iets weg heeft van een bordeel’.  Maarten is zich van geen kwaad bewust maar het einde van de vriendschap is ingezet.

Wanneer Petrus en Peer hen ontwijken en er duidelijk iets aan de vriendschap schort, slooft Maarten zich uit in gedienstigheid. Hij neemt de krant voor ze mee en gaat zelfs zo ver dat wanneer Petrus een ei komt lenen en ze die niet in huis hebben, Maarten aanbiedt die te gaan halen in de winkel. En wanneer hij ze op straat tegenkomt, verplicht hij zich met ze op te lopen, al was hij duizend keer liever alleen gebleven. Hij manouvreert zich in situaties waardoor hij zo opgefokt raakt dat zijn gezicht ‘stijf staat’ van de spanning.

In Binnen de huid is sprake van veel opgekropte, ongecontroleerde woede bij Maarten wat onder andere Nicolien moet ontgelden. Geregeld zegt Maarten ‘erop te willen slaan’. Dat zijn handen trillen van ingehouden woede en hij zo gespannen is dat hij zijn blik niet kan richten op zijn gesprekspartner. In De buurman is het Nicolien die met haar verbale agressie jegens Maarten zichzelf overtreft en hem letterlijk en figuurlijk van alles naar zijn hoofd smijt en hem geregeld de deur wijst.

Maarten beseft niet dat het Nicolien woedend maakt als hij, om ruzie te vermijden haar naar de mond praat. Ze raakt gefrustreerd door zijn ontwijkende gedrag waarmee hij onbewust hun huwelijk in een immer kabbelende kibbelstand zet. ‘Misschien ben jij ook eigenlijk bang voor ruzie. Ik vind ruzie fijn. Ik zou nog veel scherper willen zijn.’ zei Nicolien al in het begin van hun huwelijk (Uit: Binnen de huid, pag. 59). Maar in een meningsverschil met Maarten over Peer en Petrus eist ze haar territorium op en snoert ze Maarten de mond. ‘Peer en Petrus, is mijn terrein. Daar weet ik alles van af!’ Als Maarten haar waarschuwt dat ze haar kunnen horen, schreeuwt ze: ‘Ze zijn niet thuis! En dan heb jij te luisteren! Dan moet je zeggen: ‘O, zit dat zo? Dat wist ik niet. Dat is interessant. Want zo heb ik het nog nooit gezien.” Dat moet je zeggen.’ Waarna ze opnieuw begint te huilen en het ruziemaken waarvan ze ooit zei te houden, wel een zeer eenzijdig actie is geworden.

Het werk van Voskuil, waarin minutieus wordt beschreven wat er gezegd wordt, en vooral hoe het gezegd wordt (geknepen mond, hij keek weg, of het onvergetelijke ‘van onder de wenkbrauwen kijken’ in Bij nader inzien) en alledaagse problemen die als gefileerde vis gepresenteerd worden, is gretig weg te lezen. In De buurman is het huwelijk verworden tot een plaats waar Maarten zich niet begrepen voelt en Nicolien onvoorstelbaar eenzaam is. Nog nooit is een huwelijk in de Nederlandse literatuur zo van alle vlees ontdaan en tot op het bot beschreven.

Maar het is niet alles treurnis in De buurman. Want juist deze wanhopige dialogen werken aanstekelijk op de lachspieren. Ik kon het niet laten verschillende dialogen aan mijn huisgenoot voor te lezen (‘luister!’, of, ‘deze is fantastisch’ of, ‘nee, deze, niet te geloven!’). De uitzichtloosheid van deze dialogen werkt bevrijdend want ohzo herkenbaar. Waarna geconstateerd moet worden dat er zo toch best te leven valt. Daarvan getuigt het lange leven dat Voskuil met zijn Lousje deelde, tot de dood erop volgde. Niet onbelangrijk is de ruimte die Voskuil, dankzij diezelfde Lousje, kreeg om aan zijn oeuvre te werken. Woede is een dankbare aanjager om scheppend werk te verrichten.

 

De buurman
J.J. Voskuil
Verschenen bij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot B.V.
ISBN: 9789028241930
300 pagina's
Prijs: € 22,50

Meer van Ingrid van der Graaf:

29 mei 2017

Grasduinen in het poëzielandschap van Jozef Deleu

Over 'Het liegend konijn jaargang 15, nr. 1' van Onder redactie van Jozef Deleu
25 april 2017

Tijdschrift voor vertalers met verrassende opbrengst

Over 'Tijdschrift PLUK - De oogst van nieuwe vertalers' van Onder redactie van o.a. Anne Folkertsma, Betty Klaasse, Barbara de Lange, Anne Lopes Michielsen, Lisa Thunnissen
10 april 2017

De Duivelsverzen als vertrekpunt

Over 'Altijd Augustus' van Maria Barnas

Recent

17 augustus 2017

Gedichten die op afstand blijven maar ook weten te ontroeren

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník
7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden
4 augustus 2017

Wondranden

Over 'Een tuin in de winter' van Anna Enquist