Voordat ik er erg in had, geloofde ik in God. Ik verliet de wereld van de sprookjes van Grimm, Perrault en Andersen en belandde, slechts twee straten verder, op een Dudokschool met de bijbel. Ik kwam in een klas met kinderen die als de juf ‘eerbiedig’ zei, als vanzelf de voeten sloten, de rug rechtten, het hoofd bogen en hun handen gevouwen op de rand van de schoolbank legden. Ze zongen, ook als vanzelf, onbekende liedjes die psalmen of gezangen werden genoemd. Mijn handen bleven in mijn schoot toen de juf vroeg wie er op zondag naar de kerk ging. Tussen de schare gelovigen zat ik, ongedoopt en ontheemd. Het moet paniek zijn geweest waardoor ik nu nog Proustiaanse herinneringen krijg aan dat eerste jaar op de lagere school als ik schoolkrijt en schoolbanken ruik en de geur van muffe kleren. 

Ik observeerde en zweeg. Een houding die ik in de loop van het schooljaar moeiteloos koppelde aan hoe God zich in het dagelijks leven gedroeg. Geloven in iemand die je niet kon zien, voelen of ruiken – het kostte me geen enkele moeite. Misschien vond ik zijn onzichtbaarheid eerder een prettige bijkomstigheid. Ik wilde met Hem goede maatjes worden, net zoals Mozes. Elke ochtend opende de juf met een aflevering uit zijn leven. Het boek Exodus afgeslankt tot een avonturenroman. Ze had illustraties uitgeknipt en die werden als geheugensteun voor de leerlingen bij de deur van het klaslokaal opgehangen. Mozes maakte zoveel indruk op mij dat ik de weekenden, onderbrekingen van het vervolgverhaal, verfoeide. 

Mozes was, vertelde de juf, verbaal minder begaafd dan zijn broer Aaron. Dat nam hem voor mij in. Ook ik sprak nauwelijks en als ik iets wilde zeggen werd ik zo overspoeld door emoties en gedachten dat ik mezelf alleen met gebaren en kreten kon verduidelijken. Er werd ernstig aan mijn geestesgesteldheid getwijfeld terwijl ik ervan uitging dat iedereen mijn gedachten kon lezen met evenveel gemak als dat ik de gedachten van anderen begreep, zonder dat er een woord was gevallen. Mozes, brabbelaar en held – met God als handlanger die tien plagen bracht, de Rode Zee spleet en vervolgens alle vijanden door het water liet verslinden. Mozes die zo ontzettend boos kon worden en daarom de stenen tafelen op de rotsen kapot smeet, alleen maar omdat het volk rondom het Gouden Kalf danste.  

Bidden deed Mozes ook, maar niet zoals de juf en mijn klasgenoten. Op de plaatjes bij de deur hief hij zijn armen in de lucht en hield hij zijn kin schuin omhoog, een beetje trots. Ik zag dat God en Mozes een bijzondere band met elkaar hadden  – vriendschappelijker, meer op gelijke voet. Een band die ook bij mij paste. Later zou ik, met het leven van Mozes als best practice, de klas naar het beloofde land loodsen. Waarom en hoe, en of de kinderen daar op zaten te wachten, ik had geen idee, maar ik was ervan overtuigd dat ik voorbestemd was voor iets dat mijzelf oversteeg. Op een ochtend markeerde ik mijn positie: na het ‘eerbiedig’ van de juf hief ik mijn armen op als Mozes. En net als Mozes kon ook ik driftig worden.

 

 

 


Eric de Rooij (1965), schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider schrijft columns over boeken die iets voor hem betekend hebben. Begin dit jaar verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil.