Vannacht is de ster terechtgesteld. Zijn laatste wens – te mogen sterven met het hem zo kenmerkende rode sjaaltje om – is ingewilligd, en tot het allerlaatste moment prevelde hij de namen van zijn slachtoffertjes voor zich uit. Alleen mijn naam noemt hij twee keer, aan het begin en aan het einde.
Ook ik heb de ster nagedaan, net als alle andere jongetjes in die tijd. Eindeloos oefende ik zijn danspasjes voor de tv en ik had bijna altijd een rood sjaaltje om.

De ster werd gearresteerd in Bogota, waar hij zou optreden in een uitverkocht voetbalstadion. In een van zijn huizen, dat ook wel ‘het kasteel’ werd genoemd, waren eerder die dag de alkoven aangetroffen.

In zijn twee jaar geleden verschenen en in de gevangenis geschreven autobiografie wijdt de ster weinig woorden aan de jongetjes. Hij vertelt alleen over hen in relatie tot zichzelf: ze hielpen hem zich levend te voelen, schrijft hij, en omdat hij zelf nooit kinderen heeft gehad, voelde hij zich genoodzaakt bezit te nemen van de jongetjes.

Wij, de jongetjes van dit land, droegen sjaaltjes. Onze moeders kochten stukken stof voor ons op de markt. De vierkante rode lap vouwde je diagonaal dubbel en het was belangrijk dat de knoop iets scheef zat, dus niet precies midden in je nek, maar wat naar voren geschoven, aan de linkerkant.

Ik won de imitatiewedstrijd en werd ontboden op het kasteel. Mijn ouders was verteld dat ik een van de vijftien winnaars was, maar nadat ik afscheid van hen had genomen en het toegangshek vol camera’s was doorgelaten, bleek ik de enige te zijn. De metershoge voordeur werd opengedaan door een soort butler, die, zo herinner ik het me nu, zijn best deed oogcontact te vermijden.
Hij bracht me naar boven en aan het einde van een lange gang met trofeeën aan de muur liet hij me een kamer binnen. Daar lag de ster op de grond, in het midden van een groot rood kleed, hij zei dat ik langzaam en dansend naar hem toe moest komen.

Keer op keer bekijk ik de korrelige opnames van zijn executie die een van de bewakers met zijn telefoon gemaakt moet hebben. Net als vroeger kijk ik telkens een stukje, zet de opname op pauze, oefen een paar keer, spoel iets terug, en beweeg dan met hem mee.
Hebben de andere jongetjes ook onder het sjaaltje mogen kijken? En waarom liet hij mij gaan? Was ik niet goed genoeg, of zag hij in mij juist iets speciaals en heeft hij me daarom gespaard?

De opname duurt iets minder dan drie minuten en ik heb al zijn bewegingen bijna onder de knie. Ik kleed me uit, doe mijn sjaaltje om, en scroll naar het begin van het filmpje. Nu moet het in één keer goed gaan.
Ik ben ouder geworden, en veel minder lenig, maar het imiteren gaat me nog altijd goed af.
Dansen is moeilijker dan doodgaan.

 


Vincent Merjenberg (1983) werkt aan een roman. Eerder publiceerde hij verhalen in De Gids en Revisor. In het verleden werkte hij bij een uitgeverij. Met vrouw en kind woont hij in Amsterdam

 

Meer van Vincent Merjenberg:

Rol