30 mei 2013

De stad van de kleine mensen – Sjolem Aleichem

Beeld van een verdwijnende wereld

Recensie door Machiel Jansen

In hun ijver onze nationale, of Westerse identiteit te benadrukken, beschrijven sommigen onze cultuur als een Joods-Christelijke traditie. Dat is een merkwaardige gedachte want de traditie tussen Christendom en Jodendom is er eerder één van uitsluiting, verkettering en haat dan van eendrachtige samenwerking.

Natuurlijk, het Christendom heeft een Joodse oorsprong, Christus was een Jood en de Bijbel bevat een aantal Joodse boeken maar de Joodse, Bijbelse verhalen worden ook verteld in de Koran en er is niemand die het heeft over ‘de Joods-Islamitische cultuur’. Bovendien heeft de Christelijke kerk zich in de loop van de eeuwen nu niet bepaald vriendelijk opgesteld tegenover de Joden. Integendeel.

Het woord dat de eeuwenlange relatie tussen de Westerse cultuur en die van de Joden misschien het beste samenvat is ‘onverdraagzaamheid’. In goede tijden nam de onverdraagzaamheid de vorm van gedogen en tolereren aan, in slechte tijden die van haat en in de zwartste tijden die van massale vernietiging, pogroms, uitzettingen en deportaties.

Het is waar dat in de zeventiende eeuw in Amsterdam de Joden welkom waren, maar zonder beperkingen is hun vrijheid, tot in de twintigste eeuw, nooit geweest. Ook is het waar dat veel Joden een uiterst belangrijke rol gespeeld hebben in onze cultuurgeschiedenis. Maar de term Joods-Christelijke cultuur suggereert dat de twee religies zij-aan-zij, vreedzaam naast elkaar hebben gestaan.

De gemiddelde Europeaan weet weinig tot niets van Joodse gebruiken of culturele geschiedenis. Dat blijkt wanneer je een boek als De stad van de kleine mensen van Sjolem Aleichem leest. Het is maar een klein boekje, door een kleine uitgeverij uitgegeven, met kleine verhalen over kleine mensen in een kleine stad.

Sjolem Aleichem is buiten Joodse kringen nauwelijks bekend. Bewonderaar Isaak Babel vertaalde een aantal verhalen in het Russisch en Broadway gebruikte de verhalen over Tevye de melkboer om er een succesvolle musical mee te maken: Fiddler on the Roof. Maar Sjolem Aleichem is vooral een grote onbekende voor de niet-Joodse lezer. De lezers van De stad van de kleine mensen, die de moeite nemen zich een beetje te verdiepen in de schrijver en de tijd waarin de verhalen tot stand kwamen (eind negentiende eeuw) kunnen ontdekken dat in het kleine een wereld schuil gaat.

***

In de negentiende eeuw woonden de meeste Oost-Europese Joden in een gebied dat zich uitstrekte van de Oekraïne tot Polen, en verder, tot aan Litouwen. Het werd Het Vestigingsgebied genoemd en was onderdeel van het Russische Rijk. In de achttiende eeuw was het min of meer uit nood geboren na mislukte pogingen van Rusland om alle Joden het land uit te werken. Alleen in dit gebied, met duidelijke grenzen, mochten Joden zich binnen het Russische Rijk vestigen. Maar ook binnen de grenzen van dit gebied waren sommige steden, waaronder Kiev, voor lange of korte tijd verboden voor Joden. De meesten woonden in speciale Joodse steden, Sjtetls, die vaak niet zo ver van de Russische af lagen.

Sjolem Aleichem (1859-1916) groeide op in de Sjtetl Voronko, net buiten Kiev. Eerst in betrekkelijke welstand, maar al gauw, als jonge jongen in armoede, al bleek het altijd nog erger te kunnen. De verhalen uit De stad van de kleine mensen, spelen zich af in de fictieve Sjtetl Kasrilevka en vreemd genoeg geven ze een veel te vriendelijk beeld van het dagelijks leven in een Sjtetl.

Het leven voor Joden in het negentiende-eeuwse Rusland was alles behalve eenvoudig. Tsaar Alexander II zorgde ervoor dat Joden geen land mochten bezitten en niet vrij mochten reizen. De Joden waren binnen het Russisch Rijk een geïsoleerde minderheid die in de Sjtetls noodgedwongen hun eigen samenleving organiseerden.

Halverwege de negentiende eeuw drong de moderne tijd langzaam Rusland binnen. Ideeën uit de verlichting werden eindelijk besproken in de salons en ook onder Joden nam het bewustzijn dat verandering noodzakelijk was toe. Sommigen bekeerden zich tot het Christendom en kozen voor een seculiere opleiding om zo de Sjtetl en de armoede te ontlopen. Ideologieën als communisme, socialisme, zionisme kwamen op en oefenden op veel Joden een grote aantrekkingskracht uit.

De Sjtetl veranderde door krachten van binnen uit, maar ook van buitenaf. Vanaf de jaren tachtig nam het antisemitisme gewelddadige vormen aan. Sjtetls werden min of meer spontaan aangevallen door allerlei Russische groeperingen en er vielen doden, veel doden, al bleek later dat het allemaal nog veel erger kon.

Joden waren uiterst kwetsbaar in de Sjtetls en het geweld was een extra reden om te zorgen dat je er weg kwam. Aan het eind van de eeuw neemt de massa-emigratie dan ook een hoge vlucht. Velen vluchtten of vertrokken naar Amerika, anderen kozen voor het beloofde land Palestina.

***

Tegen deze achtergrond shreef Sjolem Aleichem (1859-1916) zijn romans en verhalen. Op een moment dat het typisch Joodse leven in de Sjtetls ging veranderen beschreef hij de gewone, alledaagse figuren met het besef dat hij een verdwijnende wereld vastlegde.

Als één van de eerste besloot Sjolem Aleichem in het Jiddisch te gaan schrijven. Niet in het Russisch, niet in het Hebreeuws, de ‘literaire’ taal van de Joden, maar in de volkstaal Jiddisch, die op dat moment geen geschreven traditie kende. Jiddisch, een mengeling van Duits, Aramees, Hebreeuws en Slavische talen, was voor bijna alle Oost-Europese Joden de taal die men dagelijks sprak. Hebreeuws daarentegen was de heilige taal, de taal van de Torah, de taal waar tegenop gekeken werd.

En Russisch? Rusland mocht in veel opzichten achterlopen bij de rest van Europa, de Russische literatuur behoorde tot de beste van de wereld. Maar hun eigen religieuze wetten verboden de Joden er kennis van te nemen. Bovendien waren de Russische universiteiten voor maar heel weinig Joden toegankelijk. In het Russisch schrijven betekende eenvoudigweg een breuk met de Sjtetl. Het schrijven van Joodse verhalen in het Jiddisch betekende een kleine revolutie, een teken van lef, onafhankelijkheid en trots.

Sjolem Aleichem groeide snel uit tot een Joodse volksschrijver. Zijn humoristische verhalen waren enorm populair bij Joden over de hele wereld, met name in Oost-Europa. Niet alleen was de wereld die hij beschreef herkenbaar en invoelbaar, er ging ook iets geruststellends en zelfbewusts van uit. In een wereld die veranderen moest, was het goed om te lezen dat het dagelijkse, kleine leven ook van waarde was.

Het meest verbazingwekkende is dat, gezien de historische context, de verhalen met een enorme joviale toon verteld worden. In plaats van zware onderwerpen die de armoede en de ellende van de Sjtetl benadrukken zijn de verhalen humoristisch, vrolijk en op een kinderlijke manier aandoenlijk. Juist deze joviale, onproblematische toon zorgde ervoor dat Sjolem in korte tijd enorm populair werd bij Joodse lezers. Iedereen kende de schrijver met het pseudoniem ‘Hoe-gaat-ie’,  want dat betekent het pseudoniem ‘Sjolem Aleichem’ min of meer. Letterlijk moet het worden vertaald als ‘vrede zij met u’ maar Sjolem Aleichem is feitelijk niets anders dan de Joodse groet.

Wie de verhalen vandaag de dag leest moet bedenken dat het leven in de Sjtetl allesbehalve makkelijk of plezierig was. Uit De stad van de kleine mensen kan men dat ook wel opmaken, al lijken de beschrijvingen van ellende terloops en luchtig. Kinderen worden in de verhalen regelmatig geslagen, door hun ouders, door hun leraar en niet zo zacht ook. In het verhaal Het zakmes wordt verteld hoe een schooljongen die van stelen wordt beschuldigd naakt voor de klas moet staan, terwijl zijn medeleerlingen een straf voor hem bedenken.

Hoofdpersoon van het verhaal Stumpertje is een lichamelijk en geestelijk gehandicapt meisje dat de dagen doorbrengt naast een fornuis, op de grond, en dat door haar moeder nogal liefdeloos wordt behandeld.

Maar het is Sjolem niet te doen om aanklachten en misstanden aan het licht te brengen. Er spreekt wel mededogen uit de verhalen; de verteller heeft medelijden met Stumpertje, maar tot aanklachten of veroordelingen komt het nergens. Dat leidt soms tot de grens van sentimentaliteit. Alle verhalen blijven een gemoedelijke, vriendelijke toon houden en de boodschap lijkt te zijn dat je om lijden beter kunt lachen, dan treuren.

Wie zich verdiept in de omstandigheden van de Russische Joden aan het eind van de negentiende eeuw moet wel de behoefte voelen om de humoristische toon van Sjolem Aleichems verhalen te verklaren. Wie van niets weet over Sjtetls, pogroms en het Vestigingsgebied, leest de verhalen misschien als aardige, Joodse curiosa, maar een klein beetje kennis over de achtergrond geeft dit kleine boekje diepte.

Wie deze verdieping zoekt, kan de in 2011 verschenen documentaire Sholem Aleichem, Lauging in the Darkness van Joseph Dorman niet overslaan. De film geeft een prachtig beeld van de schrijver en zijn tijd. Dorman laat zien hoe humor een manier is om lijden draaglijk en leven plezierig te houden.

Ten slotte, de verhalen De stad van de kleine mensen worden bijna allemaal door kinderen verteld. Het zouden, volgens Hilde Pach in NRC Handelsblad, kinderverhalen zijn. Vertaalster Henriette Silverberger noemt dat echter niet in haar inleiding en de toon van de verhalen doet ook anders vermoeden. In de zojuist genoemde documentaire wordt verteld hoe Sjolem Aleichems Jiddische verhalen door de Joden in Palestina met enig dedain werden bekeken. Voor hen was Jiddisch een oude, primitieve volkstaal. Zij spraken Hebreeuws.  De verhalen van Sjolem Aleichem werden door hen als amusante lectuur voor kinderen beschouwd. Misschien komt het idee dat het hier om kinderverhalen gaat hier uit voort.

 

De stad van de kleine mensen

Auteru: Sjolem Aleichem
Vertaald door: Henriette Silverberger
Verschenen bij: Uitgeverij Hoogland & van Klaveren
Aantal pagina’s: 172
Prijs: € 17,50

 

De stad van de kleine mensen
Sjolem Aleichem
ISBN: 9789089670953

Meer van Machiel Jansen:

26 februari 2014

Zoutloze wansmaak

Over 'En dan komen de foto's' van A.H.J. Dautzenberg
29 januari 2014

Parallellen met een hoofdpersoon 

Over 'Te veel geluk' van Alice Munro

Recent

23 november 2017

Weidse landschappen, bekraste zielen

Over 'Idaho' van Emily Ruskovich
21 november 2017

Reizen in een binnenwereld

Over 'en toen aten we zeehond' van Nicoline Timmer
20 november 2017

Het leven ontwijken

Over 'Kraaien tellen' van Lucas de Waard
17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef

Verwant

30 mei 2013

Portretten van gewone joodse lieden, uit het leven gegrepen Deze Jiddische verhalen komen voornamelijk uit de bundels ‘Treinverhalen’, waarin reizigers in de derde klasse hun levenservaringen uitwisselen en uit ‘Monologen’, waarin ? zoals duidelijk mag zijn ? één persoon het woord voert. De verhalen spelen zich af aan het begin van de vorige eeuw in het toenmalige Rusland, waar pogroms tegen de joden geen uitzondering waren. De schrijver wil het leven treffen en zoals hij zelf ironisch opmerkt: geen zoete romantiek schrijven zoals onze helden in Jiddische prachtromans doen. ‘Mijn muze is arm maar wel vrolijk,’ luidt zijn motto. In de verhalen figureren veel handelaren. In het openingsverhaal wacht een verstrooide en berooide makelaar op zijn trein en zet zich op een bank naast een hoogwaardigheidsbekleder met een bijpassend hoofddeksel. De makelaar valt in slaap en schrikt wakker als de trein op punt van vertrekken staat. Hij is zijn hoed kwijt en zet per abuis het bijzondere hoofddeksel op, waarna hij tot zijn verbazing door de conducteur en zijn medereizigers met veel egards wordt bejegend. Sommige verhalen ontroeren, zoals dat over joden die in het verre Rusland begaan zijn met de Franse Dreyfus; een ander verhaal is actueel, zoals dat over een dokter die niet naar een patiënt luistert en meteen een medicijn wil voorschrijven. De taal is verrijkt met joodse termen en uitdrukkingen zoals: ‘En van joods medelijden krijg je stroeve tanden, nebbisj.’ De sfeer wordt versterkt door de vertrouwelijke toon: ‘En in het winkeltje van mijn vrouw (mijn vrouw heeft namelijk een winkeltje)…’ of door zijdelingse opmerkingen zoals in: ‘Hij heeft zijn handen in zijn zakken en hij kijkt een beetje scheel. God in de hemel, denk ik, bezit dat een miljoen? Maar ja, probeer maar eens met God te redetwisten.’ Maar ook door regelmatige toevoegingen als ‘hij zei gezegend’ of ‘moge het boze oog niet over hem komen’. In veel verhalen komen steeds dezelfde stoplappen voor. ‘Ik ben echt zo klaar,’ zegt de eerdere genoemde patiënt steeds tegen de dokter en in een ander verhaal zegt een vrouw steeds: ‘U weet wat ze van vrouwen zeggen: ze kletsen je de oren van je kop.’ Of een man, die elke gedachtegang afsluit met: ‘Maar hoe kom ik daar nou op?’ Eerst is het allemaal heel vermakelijk, zoals het verhaal over een schrijver die gek wordt van het gezeur van een jongeman die het niet kan uitstaan dat zijn vrouw altijd heel vrolijk wordt van het bezoek van een jonge dokter. De jongeman blijft de schrijver maar aan zijn kop zeuren of hij nou wel of niet moet scheiden en als de schrijver ten slotte in woede ontsteekt en hem toeschreeuwt dat hij inderdaad maar moet gaan scheiden merkt hij dat hij nog meer van slag is dan de jongeman en dat de rollen min of meer zijn omgedraaid. Hier is het gebrek aan plot niet erg, maar gaandeweg gaat dat toch tegenstaan. Het wordt allemaal een beetje hetzelfde, met steeds weer kolderieke uitweidingen; te veel verhalen kennen geen einde zoals het relaas over een joodse man die in de trein onder het anti-semitische Bessarabische Nieuwsblad ligt te slapen en bij ontwaken twee dubbelgangers ontwaart, waarop ze samen een liedje inzetten. De lezer van tegenwoordig is te verwend om genoegen te nemen met zo’n kneuterige sfeer, maar de volkse portretten, die oude volksziel, vind je in dit boek als een antiekstuk nog terug. Mooi is het titelverhaal, dat meteen ook het langste is, over een vader die heel blij is met zijn zoon die op het gymnasium studeert en later dokter zal gaan worden, maar dat een heel andere wending neemt. Onvergetelijk is ook het verhaal over een vrouw die voedsel verkoopt in de trein en zich boos maakt over haar concurrent die ten slotte haar echtgenoot blijkt te zijn. Als ik er zo op terug kijk zie ik hoe sterk het beeldend vermogen is van de schrijver, die het pseudoniem Vrede zij u heeft aangenomen.

Over 'Recensie 'Een lot uit de loterij' ' van Sjolem Aleichem