De ontdekking Kees Verheul (1940-2024)

Veel schrijvers gaan ongelezen aan je voorbij, decennialang soms. Kees Verheul, schrijver, slavist, vertaler en essayist, was zo’n schrijver. Ik las voor het eerst iets van hem in 2022, in literair tijdschrift Tirade. Een stuk van iemand die na lange afwezigheid terugkwam. Verheul schreef over het hernieuwd oppakken van de vierdelige romancyclus De Tutcheffs, waarin hij de familiegeschiedenis van een Russische familie verbindt met die van zijn eigen familie. Deel I, Villa Bermond verscheen in 1992 en in 2006 verscheen deel II, Stormsonate. Tom van Deel noemde De Tutcheffs een ‘werk in uitvoering’ en ‘een unicum in onze literatuur’. En ook: De intensiteit, waarmee hij ‘verzinsels’ (…) vermengd met de nauwkeurige herschepping van de eigen jeugd, maakt grote indruk.’

Nadat Stormsonate voltooid was, kreeg Verheul kanker. Toen hij daarvan genezen was, werd zijn man, Kees Smit (in zijn boeken Cees genoemd) die hij vanaf de middelbare school kende en met wie hij in 1998 trouwde, ziek. Hij werd mantelzorger, zo schreef hij in Tirade. Nadat zijn man in 2018 overleed, begon hij met schrijven aan deel III van de romancyclus. Maar het ging niet meer zoals voorheen. Verheul schreef, ‘In feite, zo voelde het immers, waren alle publicaties die in de eerste veertig jaar van onze twee-eenheid, tot 2007 onder mijn naam waren gedrukt, een uiting geweest van ons duo. Geen enkel boek, geen krantenartikel ging ter publicatie de deur uit voordat Kees de tekst had gelezen en bekritiseerd.’ Dat hij zo zonder meer een groot deel van de credits van zijn boeken in handen van zijn man legde, nam hem voor me in.

Het begin van deel III van de romancyclus staat in Tirade 487. Anna en Henreitte begint zo: ‘Om een paar aanknopingspunten te bieden voor de nooit opgehelderde moordzaak die, naar ik me voorstel, in de zomer van 1842 opschudding bracht in het diplomatieke wereldje van heel west-Europa moet ik meer dan een half jaar teruggaan. Weimar. Een herfstdag.’ En je gaat met hem mee. Wat opviel is een speelse naïviteit en onderhoudende toon. Nadat je Kees Verheul ‘ontdekt’ had, werd je door kenners (je hebt altijd kenners nodig) gretig geadviseerd Een jongen met vier benen te gaan lezen. Je vond het online en werd verrast door de openheid en zekere opgewektheid in zijn schrijven. Jongen met vier benen is een ontwapenend relaas van een speelse (een opmerkelijke toets in zijn werk) jongen die opgroeit in het Twente van de jaren veertig/vijftig. De beschrijving van zijn gevoelens, de (nogmaals) speelsheid waarmee hij in het leven stond.

Op het Waterlooplein vond je vorig jaar een mooie uitgave van Het mooiste van alle dingen, Romeinse essays, van Kees Verheul. Deze Romeinse essays zijn een verweving van herinneringen aan personen en gebeurtenissen uit zijn leven. Hoewel zijn meeste boeken in Rome geschreven waren, kwam Italië er nooit in voor. Ook in deze essays ontdekte je sporen naar ongekende schrijvers. In zijn boeken verbond Verheul literatuur met zijn eigen leven op een wijze waar je enthousiast van werd. Je wilde alles van deze schrijver lezen.

De schrijver terugvinden in zijn werk, het is als een puzzel die nooit af is. Tot de schrijver overlijdt en er niets meer is toe te voegen. Wat je hoopt, is dat de boeken van Kees Verheul nog lang door velen ontdekt zullen worden. Zelf bestelde je deze week deel II van De Tutchefs.

 

 

 


Inge Meijer is een pseudoniem.

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Inge Meijer: