De moeder van de dichter, of: Over de noodzaak van het duiden van poëzie

Ze zit er wat verloren bij, de moeder van de dichter. De afterparty is inmiddels in volle gang en de dichter zelf heeft zich met een biertje in de hand onder de mensen begeven en bevindt zich daar waar beleefdheden worden uitgewisseld en in het gunstigste geval de suggestie van een goed gesprek gewekt wordt. De moeder houdt het van een afstandje allemaal scherp in de gaten. Zoals ze ook de carrière van de dichter nauwlettend volgt. Zij is een groot kenner van het werk. Ze heeft alles gelezen en weet ook wat er tussen de regels staat.

Ze zou kunnen vertellen hoe autobiografisch dat werk eigenlijk is, en wat er zo uitputtend en tot in de kleinste details beschreven wordt in een gedicht dat het midden houdt tussen poëzie en proza. De moeder zou wel van de daken willen schreeuwen hoe goed de dichter bezig is. Het zit haar dwars dat de mensen het werk niet begrijpen en de dichter daardoor te weinig waardering krijgt.
De dichter stelt haar betrokkenheid op prijs, maar vindt het niet nodig dat het werk van een toelichting voorzien wordt. Er staat wat er staat en daar moet de lezer het mee doen.

Gedichten kunnen heel goed voor zich(zelf) spreken. Ze hoeven niets te betekenen en nergens naar te verwijzen. Ze kunnen louter klank zijn en toch tot de verbeelding spreken.

Ik dacht aanvankelijk dat ik zonder uitleg kon, maar constateerde nadat ik de dichter een keer had horen voordragen dat ik het een en ander gemist had. Dat ik weliswaar begrepen had waar de gedichten over gaan, maar dat ik over het hoofd had gezien dat de dichter een spel speelt. Dat ook deze dichter intertekstualiteit hoog in het vaandel heeft staan en rijkelijk citeert uit het werk van anderen of daar op een andere manier mee aan de haal gaat. Toen ik dat eenmaal wist en de gedichten daarna nog een keer las, vond ik de meeste beter en sommige zelfs veel beter dan de eerste keer en de bundel als geheel een stuk coherenter.

Toch doen te veel tekst en te veel uitleg een gedicht geen goed. Ik neem de moeder van de dichter niets kwalijk. Haar bedoelingen waren goed, maar het spijt me dat ik nu weet dat ik een deel van de gedichten ook autobiografisch kan lezen.

Ondertussen is de moeder weer gaan zitten en is de dichter in aantocht. We maken kennis, schudden handen, ik spreek mijn waardering uit voor de bundel en voordat we het weten zijn we in een geanimeerd gesprek verwikkeld. De dichter vertelt hoe vreemd het voelt om onderdeel te zijn van dit grote geheel. De dichter vindt dat de poppenkast lang genoeg geduurd heeft. Dat het tijd is om naar huis en weer aan het werk te gaan. Dat werk is niet noodzakelijk het schrijven van gedichten. Dat wist ik. Maar niet van de moeder van de dichter.

 



Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

Meer van Liliane Waanders: