De manier om je te verbinden met de geschiedenis

Interview door Ingrid van der Graaf

 


Schrijfster en documentairemaakster Tessa Leuwsha (Amsterdam, 1967) debuteerde in 2005 met de roman De Parbo Blues, gebaseerd op haar vader die in de jaren zestig, ruim voor de onafhankelijkheid van Suriname, naar Nederland emigreerde, er met een Nederlandse vrouw trouwde, die later haar moeder werd. Sinds 1997 woont ze in Suriname en werkt als cultureel attaché voor de Nederlandse ambassade in Paramaribo. Naast romans, theater en non-fictiewerken, schrijft zij artikelen, columns en recenseerde voor De Ware Tijd Literair.


Nadat ze haar eerste artikelen en verhalen had geschreven kreeg ze op haar vijfentwintigste de mogelijkheid een reisgids over Suriname te schrijven.
Het Reishandboek Suriname verscheen in 1997 bij uitgeverij Elmar en beleefde sindsdien vele herziene herdrukken. Na haar debuutroman schreef Leuwsha nog twee romans en twee non-fictieboeken. Dit voorjaar verscheen De wilde vaart, over een tijd van plannen maken, financiële tegenslagen, over de doorwerking van het koloniale verleden in het dagelijks leven van Surinamers en de weg terug naar jezelf.


Van haar eerste roman,
De Parbo Blues, verscheen onlangs een vierde druk. Ook Fansi’s stilte over haar Surinaamse grootmoeder, beleefde vier drukken. Momenteel werkt Leuwsha als regisseur en scenarioschrijver aan een documentaire gebaseerd op dit boek. Met haar man, reisgids en kunstenaar Sirano Zalman werd ze net voor de pandemie de wereld stil legde, eigenaar van plantage Frederiksdorp in het Commewijne district in Suriname. Het beheer van deze plantage gaf indirect aanleiding tot het schrijven van De wilde vaart.


Voor de presentatie van haar laatste boek
was Tessa Leuwsha in Nederland en spraken wij elkaar bij de Ysbreeker aan de Weesperzijde. Onder meer over een onafhankelijk Suriname dat zijn kracht nog niet heeft gevonden, over bijgeloof, de boeken die ze schreef, de veerkracht van de mens en dekolonisatie.


Schrijven vanuit Suriname

Het was net na de binnenlandse oorlog dat Leuwsha in 1996 voor het eerst naar Suriname ging. Omdat het niet veilig was alleen te reizen, sloot ze zich aan bij een reisgroepje. Daarvoor had ze in Nederland een reportage gezien over Suriname waarin een Surinaamse bootsman, die als gids in deze reportage voorkwam, haar sympathie had. Dezelfde gids, Sirano Zalman was ook reisleider van het gezelschap waar zij zich bij had aangesloten. Tijdens die reis was er een klik tussen hen beiden. Terug in Nederland gingen er brieven over en weer en een half jaar later reisde ze voorgoed naar Suriname. ‘Die reisgids heb ik in Nederland afgemaakt, maar verder is ieder boek van mij vanuit Suriname ontstaan.’

Eenmaal in Suriname werd ze geconfronteerd met een stuk geschiedenis waar ze niets van afwist. ‘De meeste van mijn tantes en ooms woonden allemaal in Nederland, maar hadden het nooit over Suriname. Het onderwerp slavernij was non-existent. Pas toen ik er woonde, begon ik mij dingen te herinneren van mijn Surinaamse grootmoeder uit de tijd dat ze bij ons in Amsterdam logeerde. En ik vroeg me af: “Wie was zij eigenlijk?” Ik wist niks van het land van mijn voorouders.’


Het verhaal van de grootmoeder

In de jaren zeventig, als Leuwsha een tiener is, komt de moeder van haar vader over uit Suriname om in Nederland aan haar ogen geholpen te worden. Het is een echte Surinaamse tropenvrouw, met een angisa, een doek, om haar hoofd, streng sprekend.
‘Ik had op die leeftijd wel wat vrienden die in het Surinaamse circuit zaten, maar ik was nooit in Suriname geweest. En daar kwam opeens een oma binnenlopen die de hele tropen met zich meebracht. Dat was toen vooral ongemakkelijk en raar, alles veranderde in huis. Mijn vader reageerde op een manier op zijn moeder die ik niet van hem kende. Toen ik later  in Suriname woonde, kwam die herinnering daaraan weer terug. Ik had haar weggezet als een merkwaardige oma die later bij een van haar andere kinderen in Nederland ging wonen tot ze in een bejaardentehuis terecht kwam.’

Voor Leuwsha betekende haar oma haar enige directe band met Suriname. Ze werd nieuwsgierig naar haar leven en begon alles te lezen over de geschiedenis van Suriname. ‘Er ging een wereld voor me open. Als kind had ik me wel eens afgevraagd waarom Surinamers er allemaal zo verschillend uitzagen, alleen al de verschillende tinten aan huidskleur. Suriname is geschapen door meerdere etnische bevolkingsgroepen.’


Schrijven vanuit Suriname

In het begin schreef Leuwsha columns voor de weekkrant van Suriname (ook in de grote steden in Nederland te verkrijgen), onder de titel ‘Groetjes uit Suriname’, en artikelen voor tijdschrift  De Ware Tijd. Dan overlijdt haar vader vrij onverwachts.
‘Ik besefte dat met hem ook het verhaal van Surinamers die als economische vluchtelingen in de jaren zestig naar Nederland kwamen, wat ook een deel van mijn voorgeschiedenis is, zou verdwijnen. Toen ben ik De Parbo Blues gaan schrijven. Ik had al een klein kind en ik herinner me dat ik hem toen in de box heb gezet en begon te typen op een oude computer, zo’n grote kast. Ik was eigenlijk aldoor moe, door het werk dat ik deed en de zorg voor die kleine. Toen moest ik aan mijn oma denken, zij had negen kinderen en ik dacht, ‘Kom op zeg!’ En de eerste zin die ik typte was, ‘Oma is altijd moe.’ Die is er later wel uitgegaan, maar zo begon ik.Toen ik op driekwart was, dacht ik, “Wat wil ik hier eigenlijk mee?” Toen ontmoette ik de Surinaamse schrijfster Ellen Ombre, die stuurde een deel van mijn verhaal naar haar literair agent, Alice Toledo. Daarna werd ik uitgenodigd om over het manuscript te komen praten. Tilly Hermans, van uitgeverij Augustus wilde het uitgeven. In tweeëneenhalf jaar had ik een boek gepubliceerd. Fantastisch was dat.’

In haar boeken speelt de geschiedenis van Suriname, de huidige stand van zaken in het land en familiebanden, een grote rol. Om de koloniale geschiedenis van Suriname in beeld te brengen maakt zij gebruik van haar eigen persoonlijke geschiedenis.
‘De combinatie fictie – non fictie vind ik een spannende combinatie, maar ook vrij logisch want in Suriname is er veel orale geschiedenis die wordt doorverteld. Of het verhaal geheel waar is of niet, is dan niet interessant meer. Het feit dat het van generatie op generatie is doorverteld, dat maakt dat het waar is. Ik vind geschiedenis pas interessant wanneer die persoonlijk is, dan komt het binnen. Het gebeurt nu wel meer dat geschiedenis vanuit personen verteld wordt, kijk maar naar musea. Het is de manier om je werkelijk te verbinden met de geschiedenis.’ 


Op zoek naar de veerkracht van Suriname

Vanaf het begin dat Leuwsha en haar man plantage Frederiksdorp willen uitbaten, worden ze gehinderd door pech. Een vriend (een van hun belangrijkste mede-aandeelhouders) overleed, de dochter van een werknemer werd ernstig ziek, het regenseizoen begon veel eerder en daar kwam ook nog de lockdown vanwege corona bij. Alsof de duvel ermee speelde.
‘Ik ben behoorlijk bijgelovig en was erg onder de indruk toen mijn oma, toen ze bij ons in Nederland was, ons huis zegende. Tegen Sirano had ik al gezegd dat we nooit een moment hebben genomen om stil te staan bij wat er hier allemaal gebeurd is. Het is binnen de Surinaamse cultuur gewoon dat je een pand of plek eerst inwijdt. Maar wij zijn eigenlijk gelijk begonnen met plannen maken en inrichten. Als ik er al aan dacht, dacht ik ook: “Ja maar, hoe doe je dat dan?” Moet het met een pater, een priester, dominee, Imam, Hindoestaan? 

Ja, en toen werd ik op een nacht wakker en had over mijn oma gedroomd. Opeens dacht ik, wij moeten nu, op dit moment gaan inwijden. We hebben met een kalebas water uit de rivier geschept en zijn langs al die oude gebouwen uit de 18e eeuw gegaan en de gebouwen ingezegend en prevelden er in het Sranantongo teksten bij. Het voelde als een enorme bevrijding, dat stilstaan bij alles. Ondanks wat daar allemaal gebeurd is, is het ook een heel aangename plek. Dat was juist het verwarrende.’

In De wilde vaart schrijft Leuwsha dat ze van het woord ‘slaaf’ onpasselijk wordt, maar ook het woord ‘tot slaafgemaakten’ niet correct vindt. ‘Slaafgemaakten is technisch een on-woord. Ik heb wel begrip voor wat ermee beoogd wordt te zeggen, dat je niet als zodanig geboren bent. Maar ook dat het niet je enige aspect van je identiteit is. Misschien kon je ook mooi zingen, of goed jagen, dansen. Dat ene woordje ‘slaaf’ beperkt je gelijk in je persoonlijkheid tot iemand die alleen maar opdrachten van anderen uitvoert, onder dwang. Maar ik vind wel dat ‘slaaf’ heel goed weergeeft wat er gebeurd is, je bent de slaaf van iemand. Tot slaafgemaakten klinkt daarvoor weer te afstandelijk. Als we tijdens een tocht op een plantage komen en we zien daar een suikerpers, dan denk je niet, “Oh, tot ‘slaafgemaakten’ hebben deze pers bediend.” Hier in de brandende zon was het gewoon slavenarbeid.’


Op zoek naar de veerkracht

Toen er geen inkomsten meer binnenkwamen en de rekeningen zich opstapelden, was het erop of eronder. ‘We konden bij de pakken neer gaan zitten of iets gaan ondernemen. Dat deden we door per boot de rivieren af te gaan en langs plantages te gaan. Ook voor onszelf, we wilden weer in verbinding komen met de natuur, mensen opzoeken om te weten hoe ze overeind zijn gebleven, waaruit hun veerkracht bestaat. ‘Op zoek naar de veerkracht van Suriname’ is ook de ondertitel van het boek geworden. Die veerkracht zit voor Leuwsha  in de creativiteit van de Surinamers, hun humor en hun grote zelfrelativeringsvermogen.
‘Waar het koloniale debat in Nederland hevige vormen aanneemt, is die in Suriname relatief klein. De mensen gaan door, en doorgaan vereist zoveel creativiteit dat er geen tijd is voor debat. Er moet vis gevangen worden, letterlijk en figuurlijk. Een intellectueel debat is ook een luxe, je moet er de tijd voor hebben. Onderwerpen als onderwijs, gezondheid heeft hier meer prioriteit dan het verleden te analyseren.’  

In De wilde vaart schrijft ze, ‘Nederland mocht gedurende zijn overheersing een explosie van geweld hebben veroorzaakt, na de onafhankelijkheid van Suriname was een implosie gevolgd: een vernietiging van binnenuit. En net zoals het volk ooit met rood-wit-blauwe vlaggetjes leden van het Huis van oranje had onthaald, was het daarna van zijn gijzelnemer Desi Bouterse gaan houden. Surinamers leken massaal aan het Stockholmsyndroom te lijden: ze voelden sympathie voor hun geweldenaar (…).


Jong en onervaren land

Nadat Suriname in 1975 onafhankelijk werd verklaard, financierde Nederland dat met een afkoopsom, de zogenoemde verdragsmiddelen. De steun vanuit Nederland was dus zeer beperkt.
‘Het is een land met een turbulente geschiedenis, deels ook zelf veroorzaakt, in die zin dat het niet gelukt is kort na die tijd op eigen benen een hechte democratie te vormen. De ene helft van de bevolking wilde niet onafhankelijk worden, de andere helft wel. Het is er toen gewoon doorgedrukt in het parlement, met rampzalige gevolgen. Zo’n jong land kan zich niet bedruipen, er is geen infrastructuur en daarbij het feit dat het een volledig leeg geplukt land was. Zo’n dekolonisatie zou veel geleidelijker moeten gaan. Daar zou je tientallen jaren voor uit moeten trekken om af te bouwen en over te dragen. Het is een verplichting om na ruim driehonderd jaar kolonisatie een land te helpen opzetten.’

Aandacht voor de trauma’s en de gevolgen van de dekolonisatie, is pas heel recent. “De Volkskrant heeft een serie van mensen die over die gevolgen praten, daar heb ik ook aan bijgedragen.’

Vijfentwintig jaar woont Leuwsha nu in Suriname, ze is er groot gegroeid, haar kinderen zijn er geboren. Of je je er dan thuis voelt. ‘Ik was in Nederland niet een van de groep, en dat ben ik in Suriname ook niet. Ik ben een schrijver, ik observeer.’

 

Foto: Sirano Zalman


 

 

 

 

 

De wilde vaart / Tessa Leuwsha / 224 blz. / Uitgeverij Atlas Contact

 

 

Recent

9 augustus 2022

Reis zonder bestemming

Literair Nederland - 10 jaar geleden

22 augustus 2012

Nasmeulend vuur 

De opening van de roman Het grote vuur, voor het eerst in het Nederlands vertaald, lijkt een zinnelijke klassieker:

‘De laatste keer dat ik met Silvia naar zee ging, kleedde ze zich tussen de jeneverbesstruiken om.

Dit delen: