8 december 2016

De lezer aan de ketting

door Rob van Dam

Momenteel lees ik Winter in Gloster House van Vonne van der Meer. Het lag op me te wachten in de bieb bij de teruggebrachte boeken, een fijne manier om boeken te ontdekken die ik anders zou zijn misgelopen. Het plezier van toevallige ontmoetingen!

Ja, je kunt lezen alsof je bezig bent aan Eliza’s vlucht uit De hut van Oom Tom: springend van schots naar schots, zonder te weten waar je je volgende stap zult zetten. Door Van der Meers boek – dat in bijna sprookjesachtige vorm stelling neemt tegen het euthanasiasme, bijzonder boeiend – zou ik bijvoorbeeld weer eens iets van haar echtgenoot Willem Jan Otten kunnen gaan lezen, want ze gebruikt beeldspraak die ik herken uit diens Gerichte Gedichten: de pluizenbol van de paardenbloem, ketsende steentjes over het water. De titel stuurt me naar Shakespeare’s King Lear. Achterin noemt Van der Meer verschillende boeken van zichzelf, zoals je vroeger in een Suske en Wiske wel eens een voetnoot tegenkwam waarin werd verwezen naar een eerder avontuur.

Zo hoeft een mens nooit lang na te denken over zijn volgende boek. Grappig, deze keten van toevalstreffers geeft me paradoxaal genoeg een gevoel van vrijheid, doordat hij me bevrijdt van mode en conformisme in de keuze van mijn lectuur.

Zo heb ik het afgelopen half jaar mijn tanden stuk gebeten op Mijn heldere afgrond van Christian Wiman. Ik had erover gelezen bij Otten, die het vertaald heeft, en bij Stevo Akkerman. Het gaat over God en poëzie, lijden en dood. In taal, stijl – zoekend, hardop denkend – en sowieso qua onderwerp is het op en top een boek van Otten.

Zijn vertaalwerk is niet alleen opvallend doordat je Ottens eigen stem lijkt te horen maar ook doordat hij neologismen verzint. ‘Pointless’ vertaalt hij met ‘puntloos’ en ergens staat ‘uitpieteren’ waar in het origineel naar ik aanneem ‘peter out’ staat. Op internet las ik trouwens dat hij de tekst enigszins gekuist heeft. Geen schuttingtaal zoals in het origineel.

Doordat het boek zo op en top ‘een echte Otten’ is, twijfelde ik aanvankelijk aan de herkomst. Had hij misschien een nieuw boek gepubliceerd onder het mom van een vertaling? Die naam, Christian Wiman, had die niet veel weg van een pseudoniem? De ‘Christelijke Waarom-mens’? Maar nee, het internet leerde me dat Wiman bestaat. Boekbesprekingen, interviews, filmpjes op YouTube.

Ik klikte een filmpje aan waarop hij een lezing houdt en toen gebeurde het: ik ontdekte een schrijver. Maar niet Wiman.

Die begint zijn voordracht met een gedicht, en dat doet hij bijzonder goed: met grote ernst, indringend, langzaam en duidelijk articulerend. Hij richt zich tot zijn toehoorders als iemand die iets van groot belang wil overbrengen. Ik was meteen verkocht.

Wiman voltooide zijn voordracht en ik bleek te hebben geluisterd naar het gedicht ‘The City Limits’ van A.R. Ammons. Nooit van gehoord.

When you consider the radiance, that it does not withhold
itself but pours its abundance without selection into every
nook and cranny not overhung or hidden; when you consider
that birds’ bones make no awful noise against the light but
lie low in the light as in a high testimony; when you consider
the radiance, that it will look into the guiltiest
swervings of the weaving heart and bear itself upon them, (…)

Zo begint het. De hele voordracht vindt u hier.

Een indrukwekkend gedicht van een onbekende dichter: de gedachte dat er misschien een heel boek, wat zeg ik: een compleet oeuvre op me ligt te wachten, maakt me niet alleen nieuwsgierig maar ook hebzuchtig. Dat pakt soms faliekant verkeerd uit. Ooit heb ik het Verzameld Werk van P. N. van Eyck gekocht, onder de indruk als ik was van zijn gedicht ‘Gij zijt mij overal nabij’. Het gedicht ken ik nog altijd uit mijn hoofd; de zeven dundrukdeeltjes fungeren sinds jaren als boekensteun.

En nu bezit ik dan Selected Poems van Ammons. Ik moet me de gedichten eigen gaan maken, een heel werk en altijd een ambivalente onderneming, want voor een verborgen schat moet je moeite doen. Je moet je niet door duisterheden uit het veld laten slaan of door alle woorden die je moet opzoeken. Je moet wennen aan stem en idioom. Proeven en keuren. Dat vraagt tijd en herhaalde aandacht. Ik moet, net als de straling uit het gedicht, m’n licht laten schijnen over alles wat zich aandient.

Wie weet vind ik goud. Dankzij YouTube. Dankzij Wiman. Dankzij Akkerman. Dankzij Otten. Want een schrijver mag volgens Adriaan van Dis uit vele lezers bestaan, een lezer bestaat uit vele schrijvers. Zoals er een keten bestaat van boeken die op je pad komen, zo is er ook een keten van estafettelopers die je die boeken bezorgen.

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer