Joost Baars – Binnenplaats

Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

Recensie door Hettie Marzak

Het openingsgedicht van de debuutbundel Binnenplaats staat als een rode vlag apart, nog voordat de eigenlijke bundel begint. Een gedicht dat volgens de informatie op de persoonlijke website van de dichter vertelt over het moment waarop zijn vrouw een zware hartaanval kreeg. Het hart dat op de omslag afgebeeld staat, verwijst daar naar. De onmacht en de ontreddering van de dichter worden weergegeven in de ontoereikendheid van de taal op dat ogenblik: ‘daar 112′ de ik de taal die ik nog had’. Het besef hiervan bepaalt voor een groot gedeelte de sfeer en de inhoud van de rest van de gedichten.

De titel van de bundel roept het beeld op van een omsloten plek, als van een gevangenis of een klooster. Maar het is zijn eigen besloten, innerlijke wereld van waaruit de dichter spreekt en waarmee hij zijn gedachten ontsluit voor een toegesproken ‘Jij’. Het enige woord in de hele bundel met een hoofdletter, zo kan de lezer zelf uitmaken of hij zich richt tot de lezer, een geliefde, de dood, tot God of misschien wel tot zichzelf. Ook de dichter zelf schijnt hierover in het onzekere te verkeren: in bijna elk gedicht wordt een vraag gesteld die een nieuw licht werpt op de identiteit van die ‘Jij’ en de mystieke verhouding van de dichter tot deze onbekende. Die verschillende schakeringen leveren mooie beelden op:

‘[…]
al geef ik Je een plaats in dit

gedicht, al geef ik Je een naam,
Je blijft een vraag waarop ik

van mijn tenen tot mijn kruin
een antwoord schuldig blijf.’

In het tweede deel Meer dan aan elkaar wordt de binnenplaats verlaten en wordt de buitenwereld verkend. De gedichten hebben een ander als onderwerp, van Tom Waits en Karl Marx tot aan Werner Herzog. Heel bijzonder is het gedicht Dode hond over de broer van de dichter, waar in een ontroerende wisseling van perspectief een eiland, een hond en de broer onderling van plaats en betekenis ruilen.

Baars maakte ook een vertaling van zes gedichten van de priester jezuïet Gerard Manley Hopkins, de Sonnets of desolation, ook wel de ‘Terrible sonnets’ genoemd, die hij de titel gaf: ‘Waar ik niet heen wil gaan.’ Jammer dat de oorspronkelijke sonnetten ontbreken, omdat nu niet na te gaan is in welke bewoordingen Baars de moeilijke taal van Hopkins heeft omgezet. De gedichten zijn niet erg toegankelijk en vormen een vreemd element in deze bundel, tenzij Baars nogmaals de taal als een vervreemdend element heeft willen opvoeren; die niet bij machte is om gevoelens werkelijk uit te drukken.

De laatste afdeling, Het dal van Spoleto, roept meteen de gedachte aan de heilige Franciscus van Assisi op, die volgens de legende preekte tot een groep vogels die aandachtig naar hem luisterde. Toen hij nog een ridder was en wilde deelnemen aan een gevecht tegen Apulië, kreeg hij in Spoleto een droom waarin hem opgedragen werd naar Assisi terug te keren en de wapens neer te leggen.

In elk gedicht spreekt Baars een vogel toe: het eerste gedicht begint met de betekenisdragende regel: ‘o kraai, wat doe je in mijn binnenplaats? ‘ De dichter wijst de kraai erop dat zijn verschijnen onheil voorspelt:

weet je dan niet

waarvan je vehikel bent,
zo diep in mijn cultuurgenoom

verankerd, dat het mijn ratio omzeilt
en in mijn lichaam haakt

dat ik hier na het ziekenhuis-
bezoek te ruste heb gelegd.

Ik wil jou niet in mijn betekenis-
geneigde brein, dat moet geloven

dat ze thuiskomt, dat ze

net zo onsymbolisch blijft
als jij voor mij moet zijn.

Nog twaalf andere vogels worden toegesproken die zich allen toegang verschaffen tot de binnenplaats van de dichter: zwanen en uilen, roodborstjes en mussen en nog andere, maar geen van de gedichten aan hen gewijd is zo bezwerend als deze. Ze lijken lichter van toon en voor het eerst valt er ook humor te bespeuren. Het is een aantrekkelijk en speels geheel van goed gevonden gedachten die consequent zijn volgehouden als preek tot de vogels.
Het laatste gedicht, dat evenals het eerste buiten de bundel staat, heeft als steeds terugkerende versregel ‘met jou beginnen.’ als een refrein. Met zijn hoopvolle tendens een mooie afsluiting van deze bundel.

Joost Baars is met zijn debuutbundel zeer terecht genomineerd voor de VSB-poëzieprijs van 2018. De gedichten zijn overdacht en nauwkeurig opgeschreven, maar nergens doen ze gemaakt aan. Baars toont zich kwetsbaar, durft persoonlijk te zijn, diepe emoties te laten zien en kan deze uitdrukken in weloverwogen zinnen met originele beelden. Hier is iemand aan het woord die het vak van dichter verstaat.

 

 

 

Omslag Binnenplaats - Joost Baars
Binnenplaats
Joost Baars
Verschenen bij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot B.V.
ISBN: 9789028261877
150 pagina's
Prijs: € 16,99

1 reactie

  • De Sonville Kathleen schreef:

    Bij een eerste lezing vond ik dit een vrij moeilijke bundel. Na het herlezen van deze “doordachte” poëzie start ja vanuit het “totale nulpunt” (we gaan allemaal dood) naar een hoopvol slot. Daartussen krijgt met de vier reeksen gaande van een “abstracte Jij” in Binnenplaats, over een dialoog met denkers en artiesten in “Meer dan aan elkaar”, langs de vertalingen van surrealistische sonnetten (jammer dat de originele versies niet zijn opgenomen), tot de humoristische gedichten met steeds een andere vogelsoort.
    Grappig, romantisch en vooral ontroerend.
    “Je hebt barsten nodig om het Licht door te laten !!!





 

Meer van Hettie Marzak:

Recent

15 december 2017

Drakenbloed en hoestende koeien

Over 'Tijl' van Daniel Kehlmann
14 december 2017

Vergane Hollywoodglorie in de Maghreb

Over 'De oppermachtigen' van Hedi Kaddour
13 december 2017

Literatuur uit de provincie

Over 'Ergens op het eind' van Erik Nieuwenhuis
12 december 2017

Troosteloos zal het in Twente wezen

Over 'De heilige Rita' van Tommy Wieringa
8 december 2017

Over de grenzen tussen feit en fictie

Over 'Broeder, schrijf toch eens!' van Rinus Spruit