De geest van de schrijver

Het regent af en aan, windvlagen verontrusten de dagen. De takken van de vijgenboom opzij van het raam laat zijn takken zwaar neer, blindeert een deel van het venster. Bladeren van de tomatenplanten in de tuin kleuren geel. Het zijn gevoelige planten, ze houden niet van de aanraking van water, elk jaar zijn we benieuwd of ze van groen naar rood kleuren. Ondertussen denk ik aan hoe schrijvers vergeten kunnen raken. Dat je opschrikt bij het vernemen van hun dood, ze opeens  je gedachten weer bevolken met hun leven, hun verhalen. Zoals Mischa de Vreede, ze overleed 12 mei op drieëntachtigjarige leeftijd. Ik dacht aan haar columns in de Libelle van mijn moeder, die nergens terug te vinden zijn. Columns van een vrij leven is wat ik me ervan herinner, ze deed wat ze wilde. Haar laatste dichtbundel Zeestenen verscheen in 2001, Heilige dagen, een roman over een vriendschap, in 2007. Daarna verscheen er nog wel eens een artikel van haar in Vrij Nederland, begin vorig jaar nog een zeer helder, prachtig stuk over Lucebert en de biografie van Hazeu in De Groene

Met haar moeder, een ouder en een jonger broertje, zat ze van haar zesde tot haar negende in Jappenkampen. Verkeerde er op het randje van de dood. Het kamp leerde haar de dingen te ondergaan, te zwijgen, te buigen, niet van je te laten horen. Voor een kind dat al vroeg wist dat ze schrijver wilde worden een zware opgaaf. Over die dagen van verbijsterende omstandigheden publiceerde ze verschillende autobiografische boeken. Waar ik mee leef is een compilatie van die autobiografische verhalen. Haar werk leest als een zoektocht naar de werking van de geest, naar wat zich achter het zichtbare verborgen houdt. ‘Luister / dat wat ik vertel is het schuim / hoe schoon ook en wit en bewegend: / het moet weg // daaronder wordt alles helder / daar schuilt het geheim / en kan ik mijn diepten zien / dat wil ik’.

Als kind snakte ze naar welsprekendheid, naar helderheid. In het kamp negeert haar moeder het verbod van samenscholing herhaaldelijk en wordt gevangen gezet. De kinderen bij verschillende ‘tantes’ ondergebracht. Na een jaar worden ze weer herenigd in het kamp, een moment van grote blijdschap. Ze moet het zeggen, het is zeer ongewoon, kan het bijna niet over haar lippen krijgen, maar dan toch, ‘Lieve moeder, ik vind u zo lief.’ De moeder, streng, ‘Ik zou eerst maar eens zelf een lief meisje worden, als ik jou was!’ ‘En zodoende’, eindigt ze veelzeggend deze passage. 

Toen ze in het kamp ziek werd, kwam ze op een zaal vol kinderen met difterie, ‘… die eerste avond heb ik hun met een steeds heser wordende stem verhalen verteld tot mijn keel zo dik was dat er geen geluid meer uitkwam.’ Ze schrijft, ‘Je overleeft het als je een goede manier van ‘vluchten’ hebt. Doordat je in gedachten afstand neemt van de situatie. Ik keek naar mijn broodmagere openliggende benen en dacht alleen maar: “Dit ben ik niet, dit overkomt me niet. (…)” Ik hield altijd de hoop op de mogelijkheid van een ander leven. (…) Daarnaast las ik het boek ‘Ik en mijn speelman’ en wist dat er ook een kleurrijke wereld bestond met zachte gevoelens, met mensen die beleefd en aardig tegen elkaar zijn.’
Later zei ze, ‘Een verhaal vertellen is ongeveer het liefste wat je een ander kunt aandoen.’ Het vertellen van verhalen als teken van liefde, kom er maar eens om.
Haar boeken zijn enkel nog tweedehands verkrijgbaar, een herdruk van veel van haar boeken is zeer gewenst.

 

 

Waar ik mee leef / Mischa de Vreede / Atlas (1995)
 Het gedicht ‘Luister’ komt uit de bundel: Met huid en hand, (1959)


Inge Meijer is een pseudoniem, reist met mondkapje en een goed verhaal.

 

 

Meer van Inge Meijer: