10 maart 2014

Vis in bad – Tijs Goldschmidt

De evolutie van een oeuvre… … of het publicatieritme van Tijs Goldschmidt

Recensie door Menno Hartman

Is Tijs Goldschmidt lui? Je zou je dat af kunnen vragen. Niet omdat hij slechts eens in de 7 jaar een essaybundel schrijft en niet veel vaker, zoals ik wel zou willen. In zo’n bundel staan dan steeds zo’n 21 essays, niet veel meer. In Oversprongen (2000) waren dat 20 essays, in Kloten van de engel (2007) 22, en in het zojuist verschenen Vis in bad dus 21.

We kunnen daaruit het volgende opmaken: Tijs Goldschmidt hecht aan zijn publicatieritme. En hij hecht ook aan structuur, wat niet vreemd is voor een evolutiebioloog. Een bundel van hem begint met de ‘Inhoudsopgave’, dan volgen de geïllustreerde essays, een publicatieverantwoording waaruit de lezer op kan maken waar de stukken eerder zijn gepubliceerd (meestal NRC, De Gids, of voor een lezing)  een literatuurlijst en een register. Alleen in De kloten van de engel is geen literatuurlijst te vinden. Deze recensent kijkt naar dergelijke details omdat hij in navolging van Goldschmidt denkt dat je naar vrijwel alles dus ook naar een oeuvre door een evolutionaire bril kunt kijken. Hoe ontwikkelt het zich, hoe past het zich aan, hoe verandert het en wat betekent dat? Of nog nauwkeuriger: de evolutie of de ontwikkeling van het dankwoord, en wat je daaruit op kunt maken.*

Goldschmidt is een evolutiebioloog die in de letteren verzeild geraakt is, nadat hij volgend op zijn proefschrift over cichliden − een voor evolutiebiologen boeiend visje dat veel voorkwam in het Afrikaanse Victoriameer − een meesterlijk en beangstigend boek schreef: Darwins Hofvijver. Biologen kijken naar dieren en denken na over dieren. Als wij nu het oeuvre van de denkende primaat Goldschmidt even als zijn biotoop beschouwen dan kunnen we trachten conclusies te trekken uit deze kleine afwijking. Waarom geen literatuurlijst in zijn 2e essaybundel? Een hypothese zou kunnen zijn dat in deze essaybundel iets meer stukken over moderne kunst staan dan in de andere. En het woord ‘ik’ komt er meer in voor. (Lijkt het, ik heb niet geteld, hier is nader onderzoek nodig). Waarom is zijn register in de laatste bundel twee keer zo groot als de eerdere registers? Is dit een ontwikkeling door seksuele selectie, hebben schrijvers met een groter register meer kans ‘geselecteerd’ te worden door vrouwelijke essayisten? Hierover later meer.

Waarschijnlijk is Goldschmidt op dit moment, door zijn drie bundels heen, Nederlands veelzijdigste essayist. Hij schrijft makkelijk over evolutie, over dieren, over moderne kunst, over geschiedenis, over antropologie, over milieu, over seks, over film, dans, rituelen, de Asmat, over muziek, over spel, over poëzie, over andere schrijvers over zichzelf, etc. Goldschmidt beweert bijvoorbeeld van zichzelf dat hij lui is. Maar van kijken naar dieren heeft hij geleerd dat dat niet precies ‘ledigheid’ hoeft te zijn: ‘Als ik me heb voorgenomen een beschouwing of een verhaal te schrijven, breekt er een sprokkelfase aan. Ik kijk gerichter om me heen, ga op zoek naar informatie, duik in de literatuur, en praat erover met onderzoekers of kunstenaars, afhankelijk van het onderwerp. Ik stel het schrijven uit, loerend op ongeziene verbanden, op essayistische vragen op woorden die met het onderwerp te maken hebben en die soms ineens een nieuwe betekenis krijgen. Is de luipaard een lui paard of een leeuwpaard, leopardus?’ Hij vergaart lummelend dus informatie die nuttig voor hem kan zijn, zoals de valk dat doet op zijn paal, om het landschap te beoordelen.

De nieuwe verzameling essays van Goldschmidt is beter dan zijn vorige, en minder dan de eerste. Hij is beter dan Kloten van de engel  omdat beeldende kunst weliswaar evident zijn grote hobby is, maar niet per se zijn fort. In Vis in bad grijpt hij belangrijke onderwerpen aan waarmee hij extreem goed uit de voeten kan. Ik vind de Huizingalezing ‘Doen alsof je doet alsof’ een van de beste essays die ik in jaren las. Het gaat over zoveel zaken en het verband ertussen wordt heel sterk en overtuigend aangetoond. Na het lezen heb je alle marges volgekrabbeld en wil je verschillende boeken lezen en films zien die Goldschmidt besprak. In zijn essay ‘Het gen van de ziel’ dat in 2011 al in De Gids stond, doet hij iets ongeëvenaards, hij bespreekt twee andere grote essayisten: Bas Heijne en Willem Jan Otten en doet dit zo diep en zo begrijpend en tegelijkertijd zo ontluisterend scherp dat het voorbeeldig is. Naast vele andere kwaliteiten heeft Goldschmidt het vermogen te bewonderen, hij is zeldzaam vrijgevig in het eer toewuiven naar andere kunstenaars/schrijvers/wetenschappers.

Nu interesseer ik me voor bijna alles waarover Goldschmidt goed schrijven kan. Maar dat is toch waarschijnlijk niet míjn kwaliteit. Vermoedelijk kan Goldschmidt over bijna alles interessant schrijven. Iets minder over beeldende kunst dus, naar mijn idee, omdat hij daar meer op eigen smaak denkt te kunnen afgaan, en de tekst minder belezen met inzichten van anderen stoffeert. In de bundel Kloten van de Engel dus meer ‘ik’ en geen literatuurlijst.

Vis in bad is weer een gevarieerde essaybundel van hoge kwaliteit die aanzet tot denken en lezen. En vergelijken: het register van Vis in bad is alleen maar wat minder streng opgesteld dan dat van de eerste twee bundels. Zodat je moet constateren dat Goldschmidt in dit boek wel over ‘zee’ en ‘actrice’ heeft geschreven, en in de vorige twee niet. Of toch?

Het is een klein beetje jammer dat we nu tot 2021 moeten wachten op de volgende verzameling van 21 essays, maar wie NRC, tijdschriften als De Gids of soms Tirade en de Groene Amsterdammer volgt, krijgt al eerder van dergelijke inspirerende essays  voorgeschoteld. Dit jaar nog 3!

 

*De evolutie van het dankwoord bij Goldschmidt: in de eerste bundel (1) nog zeer kort en geserreerd, alleen een instelling, in de tweede (2) de langste lijst, met namen die in de derde (3) terugkeren, en namen die niet in de derde terugkeren. Onder wie Louis Tas, die wel een eigen, en indrukwekkend In memoriam krijgt in de laatste essaybundel. In (3) worden de ‘medewerkers van uitgeverij Athenaeum Polak & Van Gennep’ genoemd, in (3) kan hij ze bij name noemen, omdat er helaas nog maar twee over zijn: Rob Zweedijk en Frits van der Meij. De contacten bij NRC zijn daarentegen gegroeid, in (2) bedankt hij er drie bij naam, in (3) 1, en vele anderen. Het moet mogelijk zijn aan de hand van de namen alleen een heel goede indicatie van de inhoud van de bundels te geven. En daarmee dus van de evolutie van Goldschmidts denken. Afijn dit is dus wat Goldschmidt lezen met je doet.

 

Vis in bad
Tijs Goldschmidt
essays
Verschenen bij: Singel Uitgeverijen
ISBN: 9789025302627
176 pagina's
Prijs: € 22,50

Meer van Menno Hartman:

22 april 2016

De macht om te binden of te ontbinden

Over 'District en Circle' van Seamus Heaney
16 april 2016

Een goed observeerder

Over 'Wat huid is' van Peter du Gardijn

Recent

17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef
14 november 2017

Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

Over 'Binnenplaats' van Joost Baars
13 november 2017

Een aaneenschakeling van mislukkingen?

Over 'We haten elkaar meer dan de Joden' van Els van Diggele
9 november 2017

Verlangen in vele variaties

Over 'Het raadsel van de liefde' van Andre Aciman

Verwant