De aantrekkelijkheid van een waarachtig schrijver

In memoriam Frida Vogels (1930-2026)

Ik zoek naar een kort verhaal van Frida Vogels. Het lijkt belangrijk al haar boeken en publicaties om me heen te verzamelen, er stukken uit te lezen, voorlezen aan wie maar luistert. Herlezing van haar werk geeft opnieuw dat uitzonderlijke gevoel getuige te mogen zijn van een zelfontleding die zijn weerga niet kent. Hoe goed ze daarin was en hoe ze voor alles een waarachtig schrijver was. Daar bewonderde ik Frida Vogels om, en om haar volharding niet in de publiciteit te treden. Ook niet toen haar in 1994 de Libris Literatuurprijs  voor De harde kern 2 werd toegekend. De aantrekkelijkheid daarvan. 

Frida Vogels overleed op 6 juli op 96-jarige leeftijd in Bologna waar ze sinds 1955 met haar man Ennio De Matteis (1930-2017) woonde. In 1954, als ze twee jaar in Parijs woont, begint ze een dagboek bij te houden. Ze noteert: ‘DAGBOEK BEGONNEN OP 28 SEPTEMBER 1954, IN PARIJS, WAAR IK ALLEEN BEN EN TOT NIETS NUT.’ Parallel aan haar dagboek schrijven, werkt ze aan haar driedelige boek De harde kern. Toen dat voltooid was, verviel de behoefte verder nog een dagboek bij te houden. 

Het meer dan zevenduizend pagina’s tellende dagboek was aanvankelijk niet bedoeld voor publicatie. Na herlezing besloot ze de dagboeken toch te bewerken. In mei 2005 verscheen het eerste deel (Dagboek 1954 – 1957) en nadien elk jaar een deel. Na het elfde deel, Dagboek 1977 – 1978 (2014) liet ze weten dat dit het laatste deel was dat bij haar leven zou verschijnen.

Frida Vogels leven kenmerkte zich door dat niet nuttig voelen. Overtuigd als ze was dat ze niets aan bestaande situaties kon toevoegen. Haar omgang met anderen uitpluizen wat haar vaak met schaamte en een schuldgevoel achterliet. En dat er nooit iets te herstellen was. Drie maanden na haar huwelijk wilde ze dit het liefst weer ontbinden omdat ze niet kon waarmaken wat er van een huwelijkspartner verwacht wordt. Toch blijft ze.

In oktober 1992 debuteerde ze met De harde kern, bij Van Oorschot. In de twee daaropvolgende jaren volgden De Harde kern 2 en De harde kern 3. Ze heeft er veertig jaar over gedaan om dit te vervolmaken. 

Daar tussendoor publiceerde ze twee prachtig gecomponeerde portretten, Tante Lucietta (2011) en volgde in 2020 De vader van Artenio. Het korte verhaal over Vincenzo (2023) verscheen bij de margedrukker Korenmaat. De eerste twee portretten schreef ze an de hand van de aantekeningen die ze decennia terug over de betreffende personen maakte. 

Het verhaal van Vincenzo staat tussen de dichtbundels in de kelder. Dunner dan ik dacht. Zeven bladzijden tekst. Het verhaal ontstond in de zomer van 1965 toen Vogels met haar man in Venola, een klein gehucht in de buurt van Bologna, de zomermaanden doorbracht. Ze verbleven in een omgebouwde paardenstal, ‘ingericht met uit Ennio’s geboortehuis in Zuid-Italië afkomstige meubelen.’ Het gaat over de buurman, Vincenzo, ‘een man uit één stuk, sterk en intelligent’. Vogels schrijft: ‘De avond waarop Vincenzo ons over zijn leven vertelde was toen al weer jaren geleden, maar ik herinner me die avond nog heel goed.’

Frida Vogels zelf stond model voor Henriette Fagel in J.J. Voskuils roman Bij nader inzien, een kopschuwe jonge vrouw die geen zin kan afmaken. Ook in Het Bureau en de dagboeken van Voskuil komt ze veelvuldig voor.

In Als het over liefde gaat van Jannah Loontjens is Frida Vogels een aanleiding m te gaan wandelen in Umbrië. In 2012 schreef Loontjens haar een brief met het voorzichtige verzoek om, ‘mocht u nog goed ter been zijn, misschien samen een wandeling te maken.’  Frida Vogels schreef haar per omgaande terug, dat ze niets voelde voor een bezoek,maar stuurde haar wel kopieën van haar aantekeningen van een wandeling die ze maakte in 1968. 

In 2004 logeerde Detlev van Heest bij Frida Vogels in Bologna.Hij schrijft erover in Parkeren in Hilversum. ‘Frida toonde me haar kamer, de kamer van een kluizenaar, met het verzameld werk van de ‘ontzettend kleinzerige’ Kousbroek, de boeken van Han, de hare.’
Dichterbij dan deze beschrijvingen van haar persoonlijke leven in andermans literatuur liet ze niet toe.

Dat ik zelf  wel een brief van Vogels in een van haar boeken had willen aantreffen. Een brief die ik dan voor me op tafel zou openvouwen, kijkend naar haar handschrift – dat volgens Loontjens een ‘klein handschrift’ met zinnen die ’schuin omhoogkropen’ – op zoek naar een uitspraak die haar kenmerkt. Maar ik heb haar nooit geschreven.

‘Ik geloof dat de vorm die mijn leven gekregen heeft goed is zoals die is en dat er plaats in is voor alles wat voortkomt uit mijzelf.’, schrijft ze in In den vreemde.

Wat me overkomt nu al haar boeken om me heen liggen. Ik heb vrienden die er nooit aan begonnen zijn, ik kan er niet mee ophouden als ik erin begin. Schrijven was voor Vogels zelfonderzoek, ‘ik heb me te verantwoorden.’ Soms niet te doen om te lezen. Dat jezelf het geduld niet hebt, de volharding jezelf onder de loep nemen. Het leven ging Frida Vogels pas goed af wanneer ze erover kon schrijven. En dat wij het lezen. Begin met In den vreemde, Kronieken, een prachtig sluitstuk van haar oeuvre.

Foto: Thomas van Grafhorst, 31 mei 2026 in Frida Vogels werkkamer in Bologna.