30 juli 2013

Campagne in Frankrijk 1792 – Johann Wolfgang von Goethe

Een Europeaan op oorlogspad

Recensie door Joost van der Vleuten

Goethe op campagne in Frankrijk
Freiherr Johann Wolfgang von Goethe was de veertig al gepasseerd en alom erkend als literair genie (ook door zichzelf) toen hij met een Pruisisch-Oostenrijks leger optrok tegen Frankrijk. Zijn oorlogsdagboek is nu vertaald en van toelichting voorzien: Campagne in Frankrijk 1792. Koelbloedig, goedgemutst en welbespraakt beschrijft de grote geest het genadeloze pak slaag dat zijn leger kreeg. Een nieuw tijdperk brak aan, en Goethe dacht er het zijne van.

In 1792 was Johann Wolfgang von Goethe afgekickt van zijn status als literaire superster. Met Het leiden van de jonge Werther, over een wanhopige liefde die een hypergevoelige jongeman tot zelfmoord drijft, had hij in 1774 Europa op zijn kop gezet. In de steile pruikekoppen van die tijd wist het boek onvermoede sentimenten los te woelen. Er werd gedweept, gesmacht en gewanhoopt dat het een aard had. Jongelieden in heel West-Europa begonnen zich te kleden als Werther, schreven en stamelden gevoelige teksten bij maanlicht, koesterden onmogelijke liefdes en volgden Werther soms zelfs na in diens zelfgekozen dood, en de auteur kreeg idolate en hysterische mafkezen aan zijn deur. Decennia later was hij er nog confuus van. Hij werd aangevallen en vooral ook geparodieerd, bij voorbeeld door onze eigen Piet Paaltjens (alias Francois Haverschmidt) in diens Snikken en grimlachjes. De auteur werd later dominee en pleegde nog later zelfmoord als een ware Werther, maar dat geheel terzijde. Goethe werd wijzer. Zijn tweede verliefdheid, nu op hofdame Charlotte von Stein, was even onmogelijk als de eerste, maar nu maakte hij er geen literatuur van, maar ondernam een lange Italiaanse reis. Daar hervond hij zijn evenwicht in de aanschouwing van de klassieken, en toen hij terugkeerde naar Duitsland was hij klaar voor de grote wereld.

Goethe trad in dienst van vorst Carl August, aan het hof van Weimar, als raadgever in privé- en staatszaken. Hij schreef voort aan een omvangrijk literair oeuvre (Weimarer Klassik gedoopt, werd in de adelstand verheven en hobbiede fanatiek en eigenzinnig in de wetenschap. Hij ontwierp een kleurenleer waarover de discussie nog steeds niet is verstomd, ontdekte een nieuw mineraal (dat hij heel bescheiden Goethiet doopte), bewerkte of herdichtte Perzische poëzie (zie zijn West-Östlicher Divan) , schreef zjin beroemde Faust-tragedies en wisselde 16.000 brieven. Om maar wat te noemen.

Houwdegens tegen vrijwilligers
In 1792 dus nam Goethe op verzoek van zijn adelijke broodheer Carl August deel aan een veldtocht tegen Frankrijk. Zijn verslag publiceerde hij 30 jaar later. Hij rangschikte het onder zijn autobiografische geschriften, samen met Wahrheit und Dichtung (over zijn jeugdjaren en ontwakend schrijverschap) en de Italienische Reise.

Aanleiding noch verloop van de Campagne tegen Frankrijk waren erg verheffend. De Franse slapjanus koning Louis XVI was met zijn leeghoofdige vrouw Marie-Antoinette door het gepeupel zijn paleis uit gejaagd. Hij vluchtte de Duitse grens over, voorafgegaan en gevolgd door een meute hofadel: de émigrés. Die zochten en vonden steun voor het herstel van de oude orde bij Oostenrijk en Pruisen. Een leger van 40.000 professionele houwdegens vertrok richting Parijs om de Franse dienstplichtigen en vrijwilligers eens even onder de voet te lopen – en daarmee de democratisch-republikeinse spoken die door Europa begonnen te waren een halt toe te roepen. Dat ging mis. Het leger treuzelde, het seizoen vorderde, de regen begon te vallen en de dysenterie waarde rond. Door de blubber van een vroeg ingevallen herfst sjokten de troepen Frankrijk in, tot ze bij Valmy in de Champagne tot staan werden gebracht door een goed geplaatste Franse blokkade. De slag werd verloren en een moeizame en treurige terugtocht begon, waarbij de Franse legers de geallieerden achtervolgden tot diep in het Rijnland. Langs de weg steeds meer kadavers van paarden, gevild door de uitgehongerde bevolking, achtergelaten bepakking, kapotte karren. Opgepakte spionnen plegen zelfmoord, en krijgsgevangen worden bedreigd en mishandeld, tegen alle codes van krijgseer in. Na een pauze van een aantal maanden om de wonden te likken wordt een tweede tocht richting Frankrijk ondernomen, nu met de veel bescheidener doelstelling een aantal eigen steden, waaronder Frankfurt en Mainz, te heroveren. Dat lukt in juli 1793, en daarmee komt voor Goethe aan het krijgsgedruis een einde.

Liever onrecht dan wanorde
Campagne in Frankrijk verscheen 30 jaar na dato, in 1822. Onduidelijk is wat Goethe achteraf heeft gecensureerd of ‘opgeleukt’. Slechts af en toe vang je een glimp op van de smerigheid van de oorlog. Wél is duidelijk dat Goethe tussen de twee veldtochten in een lang intermezzo toevoegde, dat misschien wel het interessantste deel is van het boek. Maar eerst de dirty war. In welgevormde zinnen, die door vertaler Wilfred van Oranje virtuoos zijn overgezet in archaïserend Nederlands, leven we mee met het grote genie op oorlogspad. Het is zo vreemd dat het maar langzaam tot je doordringt. Opgewekt rijdt onze Freiherr het slagveld tegemoet in zijn koetsje met twee paarden, terzijde van de voortmodderende manschappen, met zijn huisbediende, zijn poedel, zijn boeken, en materiaal voor wetenschappelijk onderzoek (de kleurenleer is in volle ontwikkeling). Goethe vertelt hoe slim, handig en grootmoedig hij zich door de ongemakken van de strijd slaat. Hij ‘regelt’ een paar flessen wijn en deelt die met de lagere officieren. Hij geeft een deken in bewaring bij een soldaat en huurt die van hem als de nachten koud en nat zijn. En wat betreft zijn deelname aan de krijgshandelingen: hij maakt eens een verkenningstochtje hier en tekent een overzichtskaart daar, al dan niet op verzoek van de prins zelve. Hij weet door een strategisch geplaatste woede-bui een stel vluchtelingen met plunderwaar uit handen van wraakzuchtig volk te houden. Als iemand hem verwijt dat hij misschien wel een misdadiger heeft gered, zegt hij ‘dat het in zijn aard ligt liever onrecht te doen dan wanorde te dulden’… De daadwerkelijke schermutselingen aanschouwt hij van gepaste afstand, vol bewondering voor het spel van zonlicht op helmpluimen en bajonetten, en de pittoreske ligging van belegerde steden en dorpen. Veel woorden wijdt hij aan de verschillende onderkomens en hun bewoners, die zijn bediende voor hem regelt. Blijkbaar volkomen vanzelfsprekend begeeft een Freiherr zich niet onder het voetvolk, tenzij om zich te amuseren. Op 14 oktober 1792 betrekt Goethe een kamer met aangrenzend binnenplaatsje in Luxemburg-stad: ‘Mijn stille, tegen alle lawaai afgeschermde woning bood me als een kloostercel een ideale gelegenheid tot de kalmste bespiegelingen, terwijl ik me, zodra ik maar een voet buiten de deur zette, in het drukste krijgsgewoel bevond en naar hartelust door de wellicht wonderlijkst denkbare lokaliteit kon wandelen.’ Hij neemt de tijd om de map met aantekeningen en proef-verslagen over zijn kleurenleer in wording bij te werken.

Heerlijke schapenbout
Slechts af en toe dringt tot de tekst door dat Goethe optrekt en afdruipt met een leger dat in 3 maanden van 42.000 man wordt gedecimeerd tot 20.000, ten gevolge van honger, dysenterie en falende logistiek (nauwelijks door de vijandelijkheden zelf). Temidden van alle ellende en chaos maakt Goethe zich vrolijk over voetvolk dat opgetogen rondsjouwt met buitgemaakte juwelenkisten, en er pas na het openbreken achter komt dat ze gevuld zijn met kaartspellen. Hoe nijpend de honger is, dringt pas tot Goethes aantekeningen door, als hij beschrijft hoe hij zijn manschappen een moestuintje laat plunderen: ‘Bescheiden en zuinig namen we niet meer dan we nodig hadden.’ Liever wijdt Goethe uit over die momenten waarop hij zijn zaakjes uitnemend weet te regelen, waarbij het erop lijkt dat de ellende van anderen zijn eigen comfort vergroot: ‘Een goede maaltijd was voor ons klaargemaakt, vooral een heerlijke schapenbout was ons welkom. Het ontbrak niet aan goede wijn en brood en zo konden we ons, in de nabijheid van het grootste gewoel, heerlijk ontspannen, zoals men ook wel aan de voet van een vuurtoren, zittend op een stenen dam, de aanstormende zee, de woeste beweging van de golven gadeslaat en her en der een schip aan hun willekeur prijsgegeven ziet.’

Temidden van alle ‘gewoel’ biedt ook de wetenschap ruimte om de geest te vertreden. Zo begeeft onze held zich op een heuvelhelling die onder zwaar vuur ligt om het verschijnsel kanonnenkoorts aan den lijve te observeren. ‘Het oog verliest niets van zijn sterkte en helderheid, maar het is toch of de wereld een rossig bruine tint heeft, die zowel de toestand als de voorwerpen nog zorgbarender maakt.’ Later vermeldt hij trots dat het verhaal nog steeds wordt rondverteld binnen de legerleiding.

Vaardige pen
Helemaal een onversneden dagboek is Campagne in Frankrijk niet. Goethe voegt een later geschreven intermezzo in om het gat tussen de twee krijgsrondes te vullen. Hij vertelt uitgebreid over de vrienden bij wie hij op bezoek gaat en de herinneringen aan betere tijden die dat oproept. Hij schetst de grote veranderingen in het geestelijk klimaat, waarin zowel Verlichting als Sturm und Drang uiteinden waren van de veel bredere beweging van de individualisering. De mens werd zijn eigen ding. Je kunt je bovendien afvragen of Goethe niet ook elders in de tekst dingen heeft gecensureerd en toegevoegd. Een van de verdachte passage is wat dat betreft veelzeggend. In een herberg te Trier grijpt een oude huzarenofficier Goethes hand en beklaagt diens lot. ‘Het was, zei hij, al onverantwoord dat men hen, wier beroep en plicht het bleef dergelijke toestanden te verduren en hun leven daarbij op het spel te zetten, in deze nood had gebracht als wellicht nooit eerder was vernomen. Maar dat ook ik […] dat alles had moeten doorstaan, daarmee wilde hij geen vrede hebben. […] Intussen had zich een burger bij ons gevoegd, die daarop antwoordde dat men mij dank was verschuldigd, dat ik van dat alles ooggetuige had willen zijn: van mijn vaardige pen kon men nu stellig een heldere beschrijving verwachten. De oude houwdegen wilde ook daarvan niets weten en riep: “Geloof het maar niet, hij is veel te wijs! Wat hij zou mogen schrijven, kan hij niet schrijven, en wat hij zou willen schrijven, zal hij niet schrijven!”’ Aannemelijk is dat Goethe hier fictie gebruikt om duidelijk te maken dat hij niet de hele waarheid kan schrijven, en tegelijk de lezer in te prenten hoe nobel hij wel niet was om zich in deze smerige oorlog te begeven. Want daar is hij niet zo van.

Grote geesten versus carrière-diplomaat
Theo Kramer vertelt in zijn informatieve nawoord dat Goethe ‘in zijn eigen […]scheppingen die hij […] aan de revolutie wijdde, altijd weer de oude, vredig feodale en lichtelijk patriarchale orde liet zegevieren.’ Maar tegelijk – lijkt het, en je mag hopen dat het waar is – vond Goethe iets anders veel belangrijker. Hij wilde vrede, omdat alleen dan het vrije verkeer der geesten en het productieve verschil van mening mogelijk was waar de mensheid baat bij zou kunnen hebben. Het eerste voorbeeld geeft hij al op de beginpagina’s van zijn boek. Daar vertelt hij hoe hij op weg naar het slagveld twee vrolijke avonden doorbrengt met oude en vaak hooggeleerde vrienden: ‘De vrijheid van een welgemeende grap, steunend op wetenschap en inzicht, zorgde voor een uitgelaten stemming. Over politiek werd niet gesproken, men voelde dat men elkaar over en weer moest ontzien, want terwijl zij republikeinse opvattingen niet geheel verloochenden, had ik – duidelijk voor iedereen – haast om met een leger op te trekken dat juist met die opvattingen en hun uitwerking korte metten moest maken.’ Veel uitgebreider herneemt hij dat thema in de bladzijden die hij wijdt aan zijn bezoeken aan oude vrienden en dan met name de kring rond vorstin Gallitzin. In haar kasteel Pempelfort ontmoetten denkers en schrijvers uit vele Europese landen elkaar. De Verlichtingsaanhanger Diderot, empiristen (waar Goethe op geheel eigen wijze bij hoorde), idealisten (de platonistische Hemsterhuis verschijnt in beeld), en dat doorsneden door katholieke, agnostische of protestantse geloofsovertuigingen van Franse of Duitse origine, terwijl de ideeën van Voltaire en Rousseau boven de tafel zweven. Het debat werd gevoerd met inzet van alle denkbare argumenten, maar steeds in de beste stemming. Zo doe je dat. Het heeft er alle schijn van dat Goethe het verslag van zijn bezoek aan oude vrienden benut om de Campagne tegen Frankrijk te bekritiseren. Niet de oude hofadel en ‘royalty’, maar de adel des geestes en het menselijk genie vertegenwoordigen het hoogste belang. Een oorlog is smerig of niet, maar nooit meer gerechtvaardigd dan uitmuntende mensen die elkaar met diepe en nobele gedachten bestrijden en tegelijk verheffen. Goethes Europese geest wint het via de omweg van de literatuur en de memoires van de carrièrediplomaat. Bravo.

Campagne in Frankrijk 1792

Auteur: Johann Wolfgang von Goethe
Vertaald door: Wilfred van Oranje
Van een nawoord voorzien door: Theo Kramer
Verschenen bij: Uitgeverij Hoogland en Van Klaveren (2013)
Aantal pagina’s: 286
Prijs: € 29,50

 

Campagne in Frankrijk 1792
Johann Wolfgang von Goethe
ISBN: 9789089670915

Meer van Joost van der Vleuten:

1 september 2016

Herinneringen gedrenkt in vergaan geluk

Over 'Parijs is een feest' van Ernest Hemingway
7 juli 2016

Rennen voor je bestaan

Over 'Zonder land' van Lawrence Hill
27 mei 2016

Onder vuur genomen door zijn eigen mensen

Over 'Het laatste vaarwel' van Robert Haasnoot

Recent

17 augustus 2017

Gedichten die op afstand blijven maar ook weten te ontroeren

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník
7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden
4 augustus 2017

Wondranden

Over 'Een tuin in de winter' van Anna Enquist