Bron- en contactonderzoek

Pas als het tweede rode streepje op het display verschijnt, ben ik overtuigd van de betrouwbaarheid van de Covid-thuistest. Toch. Eindelijk te grazen. Na twee jaar voorzichtig leven – afstand houden, mondkapjes, geen handen geven, wel handen wassen, vaccinaties en booster – positief getest. Dubbelcheck bij de GGD. Ja hoor, nog voor ik het goed en wel doorhad. ’s Avonds zie ik Hunted-vips op televisie. Je bent op de vlucht en je verwacht met slimmigheidjes de vijand voor te zijn. Stom, zie die vips, ze wandelen linea recta in de val. Wat ook zo gek is, het voelt als falen. Bij al die mensen die mij vertelden dat ze positief waren, dacht ik nooit ‘hé, stommelingen, opletten’. Nu wel. Ziekte ontmaskert telkens weer de gezondheidsmythe waarin je leeft. Geitenpaadjes, Houdini-act, uiteindelijk ben je net als die vips toch eerder de tuinman uit dat beroemde gedicht van P.N. van Eyck.

‘De tuinman en de dood’

Een Perzisch edelman
Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: “Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!” –

Van middag (lang reeds was hij heengespoed)
Heb ik in ’t cederpark de Dood ontmoet.

“Waarom,” zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
“Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?”

Glimlachend antwoordt hij: “Geen dreiging was ‘t,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen ‘k ’s morgens hier nog stil aan ’t werk zag staan,
Die ‘k ’s avonds halen moest te Ispahaan.”

Een mevrouw, eerder nog een meisje – het is haar eerste werkdag voor de GGD – belt voor bron-  en contactonderzoek. P.N. van Eyck, Pieter Nicolaas, in de negentiende eeuw geboren in Breukelen en overleden tijdens de wederopbouw. Herman Franke ontdekte in 1995 dat Van Eycks gedicht gebaseerd is op een tekst van Jean Cocteau en Cocteau had het van Rumi, een soefi-mysticus uit de negende eeuw, en die had het weer uit de Babylonische talmoed. En ik heb dit allemaal weer van Wikipedia.

Het meisje wil precies weten wie ik allemaal heb gezien. Ik spel de naam van mijn partner.
‘Wanneer had u voor het laatst contact met uw huisgenoot?’
‘Nog geen minuut geleden.’ Ze vraagt naar meer namen. Ik denk aan Hunted-vips. Ik denk aan verlinken, aan de oorlog. Kinderachtig. ‘Ik heb iedereen gewaarschuwd,’ mompel ik. Even vrees ik dat ze nog een keer luidkeels en dwingend ‘namen!’ zal roepen. Wat natuurlijk niet gebeurt, wat ook gek is om te denken. Ze blijft vriendelijk en meelevend. Of ik onderliggend lijden heb?

Jagen of vluchten. Of jagen om te vluchten. Ik denk aan een interview jaren geleden met schrijver Andrew Solomon toen zijn boek over depressiviteit verscheen. ’s Nachts zocht hij in parken mannen op voor onveilige seks.  De ene na de andere werkte hij af. Zijn opzet mislukte. Hij liep vast van alles op maar geen HIV. ‘Alleen een neusverkoudheid’, zeg ik tegen mijn partner.
‘Wat? Dan valt het wel mee.’
‘Niet ik,’ zeg ik, ‘Solomon.’

 

 


Schrijver en humanistisch geestelijk begeleider Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

Meer van Eric de Rooij: