Boekéé-kerels

De opzichter van de schoonmaakploeg droeg een crèmekleurige terlenkabroek die strak om zijn billen zat, in zijn kruis knelde en bij de enkels fladderde. In de weken dat ik als zomerkracht inviel bij één van de grootste publieke omroepen om wc’s te schrobben en tapijten te zuigen, droeg hij hem elke dag waardoor eigenaar en broek iets smoezeligs kregen. Vintage bestond nog niet en dertig was in mijn ogen toen ook echt oud. Die avond was zijn stemming somberder dan anders. We zaten in de hal, met lauwe koffie uit een thermosfles die eerlijk over onze plastic bekertjes was verdeeld. Met we, bedoel ik naast de opzichter ook de twee vaste krachten, vrouwen met levenservaring. Ik weet nog dat de oudste zoiets zei als, ‘trek het je niet aan’. Alleen maar om hem tot meer bekentenissen te verleiden. ‘Maar dat doe ik juist wel,’ antwoordde hij. ‘Elke dag zit ze die boekies te lezen. Die… hoe noem je ze?’ ‘Boekéé,’ vulde de oudste behulpzaam aan. ‘Ik word er strontvervelend van. Zelfs in bed! Ze leest, het licht gaat uit en ze draait zich op haar zij. Ver van mij vandaan. Ik zeg: “Monique dat soort Boekéé-kerels bestaan helemaal niet. Hier, ik ben een echte!”’ 

‘Het is trouwens Boe-kwet, niet Boekéé,’ zei de jongste plotseling na lang nadenken. ‘Nee hoor.’ De stem van de oudste kreeg een kille ondertoon. ‘Het is Boekéé. Het komt uit het Frans van… nou ja boekéé.’
‘Ze draait zich van mij af, zonder een kik. We hebben echt in geen maanden! Ik zeg, die boekies van jou maken ons huwelijk kapot.’ De jongste liet niet los: ‘Toch is het boe-kwet. Als van bloemen… een boe-ket bloemen.’ Ze keken nu alle drie naar mij voor het verlossende antwoord, de jongen met het diploma (dat voorjaar had ik mijn middelbare schooldiploma gehaald).
Ik kende de reeks. Deeltjes stonden bij ons in een eiken kastje, onder de televisie en naast de cassetterecorder. De auteurs hadden Engelse namen als Anne Mather en Anne Hampson. Mijn favoriet was Margaret Rome, alleen maar omdat ik heel graag een keer naar Rome wilde. Zelf had ik alleen Bouquetreeks nummer 8 gelezen, De donkere ster van Nerina Hilliard. Saai.

‘Het is Boekè. Le Boekèreeks,’ zei ik zwierig. ‘Zulke boekjes kunnen toch nooit slecht zijn voor je huwelijk?’
‘Je begrijpt er niets van! Je bent daar ook veel te jong voor.’ De opzichter keek op zijn horloge. Ik wendde mijn blik af.

Thuis groeide de stapel naast de cassetterecorder. Mijn moeder las op haar vaste plek op de bank elke maand de nieuwe deeltjes, haar voeten zijdelings tegen haar billen geschoven, asbak binnen handbereik. Ik inspecteerde alleen of Margaret Rome een nieuwe titel had. Nee, wéér die vervelende Anne Mather. Later, ik was klaar met het zuigen van het hoogpolige tapijt in de directeurskamer, hoorde ik de opzichter en de jongste giebelen en fluisteren in het kantoor daarnaast. Die deur was dicht. ‘Als je zó zit, zie je echt alles in die broek,’ hoorde ik haar zeggen. ‘Daar kan geen Boekè tegenop.’

 

 


Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

 

 

Meer van Eric de Rooij: