Biologische tomatenplantjes

Maandagochtend stond ik in een agrarische winkel met mijn vest binnenstebuiten. Ik stond in de rij met twaalf biologisch gekweekte tomatenplantjes in een karretje. Niemand zei iets over mijn vest. Goed, het is misschien ook wel intiem een ander te wijzen op een foutje in je kleding. Beetje gênant als je er op aangesproken wordt. Dat begrijp ik wel. Achter mij stonden een vrouw en een man. Even daarvoor stonden ze naast me bij de tomatenplantjes. De vrouw hoorde ik bij de tomatenplantjes (alsof ze ‘getverderrie’ zei) roepen: ‘Dat zijn biologische’. Ik kocht ze alle twaalf. Ik was biologisch gewend, ik kon ertegen. Zij stond er met haar neus bovenop, op mijn vest. Ze had iets kunnen zeggen. Maar het was geen vrouw die de wereld om haar heen wilde corrigeren. Dacht waarschijnlijk dat zij, die biologische plantjes kopen, rommelig gekleed gaan.

Thuis merkte ik het pas. Aan het geborduurde rondje op mijn linkermouw dat nu op mijn rechter zat. Ik trok het vest uit, zette de tomatenplantjes op het gras, ging naast de poes op de tuinbank zitten. Het was zo’n ochtend voor een fijn verhaal. In het weekend las ik verhalen van Jaap Scholten, Van Oldenzaal tot Ouagadougou. Gedreven als een cowboy  jaagt Scholten je zijn verhalen door. Sterke verhalen, geweldig goed. Je moet ze maar eens lezen. Vandaag was ik in De verhalenbundel van Josien Laurier (wie kent haar nog?) begonnen. Al haar verhalen gaan een kant op die je niet verwacht, zijn deregulerend.

In ‘De schoonmaakster’ komt een Argentijns meisje bij een oude man Hendrik schoonmaken. Hij drukt haar op het hart niets te verplaatsen. ‘Do not move anything. What you call chaos, to me is order.’ Na de eerste schoonmaakbeurt inspecteert Hendrik het huis. ‘De tandpastavlekken waren weg, maar de dop was niet op de tube gedraaid, de wasmachine draaide, maar zijn vuile sokken lagen in een hoek van zijn slaapkamer en toen hij zijn werkkamer betrad, betrad hij zijn werkkamer.’ Niets was er veranderd, en dat stemde hem tevreden. Zelfs het klokhuis op de hoek van zijn bureau stond er nog. Maar wacht. Had hij een appel gegeten? Zijn hart begon te bonken. Nee, toch? Hij pakte een spiegeltje om zijn tanden te onderzoeken op een miniem stukje appelschil. Nee, hij had geen appel gegeten. De tweede keer nadat de schoonmaakster is geweest, is er een boek in zijn boekenkast verplaatst. Een volgende keer staat er een bloeiende geranium in zijn vensterbank. ‘Deregulatie’, denkt de oude man. ‘Teneinde krankzinnigheid te bewerkstelligen.’ 

Er is een verhaal van een man die het nieuwste boek van zijn lievelingsauteur koopt. In een café scheurt hij het boek uit de verpakking, gooit de prop weg, en leest: ‘Een man van middelbare leeftijd verfrommelde gehaast het papier waarmee de nieuwste bundel van zijn lievelingsauteur was ingepakt, gooide de prop weg, en sloeg, zelfs voordat hij zijn jas losknoopte, het boek open.’ De man kijkt naar zijn jas, de prop papier. En wil verder lezen. Hij leest vervolgens hoe hij naar zijn jas keek, naar de prop papier en zijn ogen sloot. Alles wat de man doet, leest hij daarna in het boek. Hij wordt er gek van. Goed verhaal! Al Lauriers verhalen zijn goed. Ik kijk op, de tuin in. Zie de biologische tomatenplantjes vanuit het gras naar me kijken. Ze willen de grond in. Dus hup, aan het werk. Daarna verder lezen.

 

 


Inge Meijer is een pseudoniem. Altijd op zoek naar een goed verhaal.

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Inge Meijer: