Bij de tempelpoort

Het waren de weken dat de brieven van het Letterenfonds verstuurd zouden worden en al mijn jonge schrijvende collega’s nagelbijtend bij de brievenbus zaten te wachten, behalve S., die niet wist dat het fonds via de post communiceerde.
‘Een brief,’ sms’te ze, ‘dat meen je niet. Zit ik voor niks de hele tijd mijn telefoon in de gaten te houden en mijn mail te checken.’
In de brieven zou te lezen zijn of het Letterenfonds ons geld wilde geven om een tweede of derde boek te schrijven, of dat we veroordeeld waren of bleven tot broodjes bakken, huizen schoonmaken, biertjes tappen of scripties nakijken. Mijn eigen baan bij de universiteit zou per 1 augustus ophouden en mijn plan, plan A, was om daarna van de subsidie van het Letterenfonds te gaan leven. Plan B bestond nog niet.

Begin juli zou het besluit worden genomen. Omdat mijn eigen brievenbus tijdelijk niet binnen handbereik was, had ik de huispostbode de instructie gegeven een brief met het logo van het Letterenfonds direct te openen en een foto van de inhoud aan me te appen. Op 3 juli trad ik op met twee dichters die ook een aanvraag hadden ingediend. Hun postbode was al geweest, de brieven waren nog niet gekomen. Op 8 juli had ik afgesproken met S. om ons geluk of ons verdriet over de uitslag te verdrinken op een terras. De brieven waren nog niet gekomen. Op 11 juli sms’te ik haar: ‘Nu vind ik het niet leuk meer.’ Ze schreef terug: ‘Als die brief nu nog komt stuur ik hem ongeopend terug. Ze houden dat geld maar.’

Op 13 juli was ik bij mijn ouders om ze te helpen inpakken voor hun verhuizing van het provinciedorp terug naar de grote stad. In een doos met vergeelde papieren vond ik een briefje met een citaat van Kahlil Gibran: ‘Arbeid is zichtbaar gemaakte liefde. En als gij niet met liefde arbeiden kunt en enkel met tegenzin, dan is het beter uw arbeid op te geven en te gaan zitten bij de tempelpoort om aalmoezen in ontvangst te nemen van hen, die vol blijdschap arbeiden.’
Als mezelf serieus nemende schrijver zou ik natuurlijk moeten vinden dat schrijven ook arbeid is, dat het tijd en vakmanschap vergt en dat je er ‘keihard’ voor moet werken om iets goeds te schrijven. Maar eerlijk gezegd vind ik verhalen en gedichten schrijven toch niet erg op arbeid lijken, al kan het wel verschrikkelijk moeilijk en vervelend zijn. Broodjes bakken, scripties nakijken, officiële brieven opstellen en ze op tijd versturen, dat is pas arbeid. En voor de zoveelste keer mijn telefoon controlerend zag ik mezelf bij een virtuele tempelpoort zitten, wachtend op een aalmoes van de vol blijdschap arbeidende beleidsmedewerkers van het Letterenfonds.

Het verlossende bericht kwam een paar uur later, niet van de huispostbode, maar van mijn uitgever, ook al zo’n vol blijdschap arbeidende uitdeler van aalmoezen aan schrijvers die geen broodjes meer willen bakken. De uitslag van de subsidieaanvraag had hem eerder bereikt dan mij. Het was goed nieuws. Ik kon aan het werk.

 

 


Gastcolumnist Gerda Blees schrijft tot september tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

Meer van Gerda Blees :