Soms, deze week ook weer, droom ik van mijn moeder en denk dan: wat ziet ze er voor haar doen nog goed uit, ze lijkt verre van stervende. Ze zit rechtop in een stoel, haar hoofd en profil. Onder haar ogen donkere kringen, op haar wangen zwarte vegen, tekenen van ontbinding en toch peil ik, optimistisch, nog een lang leven. Soms kan ik de aanleiding tot zo’n droom raden. De toevallige blik op een oude foto op een telefoon. Zoals van een etentje in een Goois restaurant. Mijn moeder aan tafel met damasten servetten, ze kijkt langs de lens naar iets achter mij. Met terugwerkende kracht schrik ik van haar gezicht. De vele lijnen, niet van ouderdom maar van pijn. Haar glansloze haren, het grijs in haar ogen. Hoe kon ik al die tijd de dood zo ontkennen, terwijl hij zich schaamteloos manifesteerde in haar blik en gestalte, terwijl ik door mijn werk in het verpleeghuis toch een zintuig heb ontwikkeld voor zijn intrede. Een andere aanleiding was De bange mens van Daan Heerma van Voss dat ik de afgelopen week las. Een hybride boek. Heerma van Voss lijdt sinds zijn jeugd aan paniekaanvallen en depressieve buien.

Zijn angsten lijken een sta in de weg voor zijn relatie en daarom geeft zijn vriendin hem de opdracht zijn angst te onderzoeken. Wat volgt is een moderne variant op een Middeleeuwse queeste. Hij trekt de wereld in om in Frankrijk, Indonesië en de Verenigde Staten, maar ook dichter bij huis, op zoek te gaan naar de vele gedaantes van angst.  Openhartige en persoonlijke reflecties worden afgewisseld met geschiedenis en journalistiek. In zijn maatschappij-analyse – van solidariteit naar solitair – beschrijft hij hoe angst een voedingsbodem vond in een geïndividualiseerde samenleving. Waar je je afgescheiden van anderen voelt, onderlinge verbondenheid veelal ontbreekt, wint de angst. Zijn kritische notities over de invloed van de farmaceutische industrie op de geestelijke gezondheidszorg zijn een interessante bijvangst. De bange mens leidt je vanzelf naar je eigen angsten en neuroses.

De mijne cirkelen om de gezondheid en kwetsbaarheid van anderen. Dat moet samenhangen met de levenslange slopende ziekte van mijn moeder. Ik was een half leven voorbereid op wat ik dan ‘het ergste’ noemde. En om ‘het ergste’ niet onder ogen te komen, zag ik het liefst niets. Liefde maakt blind, angst helpt een handje. Ik blader terug in De bange mens naar een passage over Kierkegaard: “Wat elk mens moet doen om zichzelf te bevrijden van zijn ketenen, om helemaal zichzelf te worden: springen. (De sprong hoeft volgens Kierkegaard (…) niet per se heroïsch of actief te zijn. Soms komt het springen neer op een loslaten van de bestaande zekerheden in je leven.)”
Dan verschijnt via LinkedIn het omslag van het nieuwe boek van Gerard van Emmerik op mijn beeldscherm: Ik ben niet bang. Ik grinnik bevrijdend om zoveel toevallige samenloop. Pas later proef ik de dubbelzinnigheid van de titel. Je staat op de rand van de duikplank, zet je tanden in je onderlip. Springen, roept iemand vanaf de kant. Loslaten!

Is het water koud of warm? Of is het zwembad leeg?

Ik ben niet bang, denk je, en voetje voor voetje nader je de rand.

 

 


Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. Hij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.

 

Meer van Eric de Rooij: