nne Broeksma is als dichter vooral geïnspireerd door de natuur. Voor haar poëziedebuut Regen kosmos kamerplant uit 2014 ontving ze het C.C.S. Crone Stipendium. Haar tweede bundel Vesper (2021) werd genomineerd voor de Herman de Coninckprijs en de J.C. Bloem Poëzieprijs.
Haar nieuwe bundel is uitgegeven door uitgeverij Opwenteling als een uitgave binnen de serie De Kreeftafslag, een serie voor ‘atypisch werk, experimenteel, non-conformistisch.’ De uiterlijk vorm is al uniek: halverwege de bundel dient het cahier omgedraaid te worden en kun je de tweede helft lezen.
Het eerste deel, Urgent & Uniek, bevat de observaties van een fondsenwerver, die zich gedwongen ziet om in zijn werk de richtlijnen te volgen die worden voorgeschreven door de bureaucratie en de technologie. Maatschappij en machines dicteren de regels, de mens gehoorzaamt onvoorwaardelijk.
De andere kant van de uitgave, Milieustraat, vertelt over de macht van de consumptiemaatschappij, de vervuilende manier waarop wij omgaan met de aarde en de gevolgen van ons gedrag.
‘de pakketdienst verlaat mijn portaal en lacht geheimzinnig de pakketdienst is ingewijd in het mysterie van dozen altijd zijn er dozen onderweg naar ons en in beweging staat er file tot het einde van de straat worden bruggen, borden, lichten uit de roulette genomen dan nog komen er dozen
onzichtbaar en vanuit alle windrichtingen worden ze aangevoerd na een pijnloze geboorte in gebouwen die we ook dozen noemen
altijd geeft een doos geboorte aan een nieuwe doos ik wil niet vervelend doen maar het stapelt zich op’
Voor de vijfenzestigste keer werd in juni het Poetry International Festival gevierd in Rotterdam. Dichters van over de hele wereld hebben zich laten horen over het thema Words on the street in gedichten die over alledaagse dingen gaan en die overal om je heen te vinden zijn. In samenwerking met uitgeverij Koppernik is daarvan een bundel tot stand gekomen waarin de gedichten van achttien deelnemende dichters zijn opgenomen, met naast het origineel ook de Nederlandse en Engelse vertaling.
Nederland was vertegenwoordigd door Joost Baars, Kreek Daay Ouwens, Jörgen Gario en Nisrine Mbarki Ben Ayad. Bijzonder is dat er ook gedichten zijn opgenomen van dichters uit kleine taalgebieden: Quechua, een Indiaanse taal uit Zuid-Amerika; Dhuwal, de taal die door de oorspronkelijke bewoners van Noord-Australië gesproken wordt; Afrikaans en Bahasa Indonesia. Dichters van wie we misschien anders nooit iets zouden horen, maar met wie we nu kunnen kennismaken via deze bundel. Zoals de Zuid-Afrikaanse Lynthia Julius, die het volgende gedicht schreef dat vertaald werd door Alfred Schaffer:
‘Ménage à moi
meisjes die met zichzelf spelen zien de hemel maar gaan er niet heen
zij met hun Olivia Grey en chardonnay die hun binnenste verkennen met vingers en Rabbits hun eigen benen laten beven van lakens dammen maken
die hun kamerdeuren sluiten niet wachten op een pik in kussens kreunen
Lynthia is geboren Lynthia is uit het zelfdoodsbed opgestaan Lynthia komt’
Achter mij is een schaduw – Poetry International Festival 2026
Stijn van Dalen (1994) is dichter, muzikant en zorgverlener. Binnen zijn grafische werk begon hij twee jaar geleden te experimenteren met poëzie. Het resultaat daarvan is zijn debuutbundel
Koud buffet, waarvan de titel al aangeeft dat iedereen hier iets tot zich kan nemen: je hoeft de bundel maar open te slaan: ‘Sta op, sluit aan, schep op, zet neer, schuif aan, eet op’.
Van Dalen zoekt zijn inspiratie in allerlei onverwachte en alledaagse gebeurtenissen, die hij vervolgens een andere lading probeert mee te geven om zijn lezers te verrassen en op nieuwe ideeën te brengen. Want kunst creëren moet voor iedereen mogelijk zijn, vindt hij. Doelloosheid, en daar dan de schoonheid van proberen te zien, is een van zijn favoriete onderwerpen. Zijn gedichten zijn vaak visueel, waarbij de vorm en de witregels een rol spelen voor de betekenis ervan. Omdat hij alles van een andere kant bekijkt dan die zich aandient op het eerste gezicht, zijn de gedichten weliswaar grappig, maar hebben dikwijls ook een serieuzere ondertoon.
‘Constatering
De tijd waarop u begon dit gedicht te lezen, is verstreken. We kunnen samen vaststellen dat u nu ouder bent dan wanneer u begon met het lezen van dit gedicht. Rijker kunnen we niet bevestigen, sterker niet, banger niet, zelfs niet of u beter ruikt. Ouder wel. Evenals het feit dat u dit minstens één keer hebt gelezen.’
De eerste helft van augustus was droog en verzengend heet. Hitte doet rare dingen met je. In het kleine Brabantse dorp, waar we een begrafenis zouden bijwonen, verwachtte ik tumbleweed door de uitgestorven straten te zien rollen en gieren op de dorre takken van de bomen te zien zitten. De lucht was drukkend, zwaar en onheilspellend donker, als voorbode van een hevig onweer dat niet kwam.
Ik herinnerde me het verhaal August Heat van William Fryer Harvey uit 1910, waarin een man de werkplaats van een steenhouwer bezoekt en tot zijn verbazing ziet dat de eigenaar, die aan een grafzerk werkt, sprekend lijkt op de portrettekening van een veroordeelde man in de rechtbank, die hij die ochtend gemaakt heeft. Bovendien staat op de grafzerk zijn eigen naam, geboortedatum en als sterfdag de datum van die dag. Beide mannen voelen zich ongemakkelijk bij zo veel toeval en de verteller besluit voor de zekerheid bij de steenhouwer te blijven tot de dag voorbij is. Het verhaal eindigt met de steenhouwer, die zijn gereedschap slijpt, en de verteller die het verhaal afsluit met: ‘It is after eleven now. I shall be gone in less than an hour. But the heat is stifling. It is enough to send a man mad.’
Ik werd weliswaar niet gek van de hitte, maar ik kon het niet meer uithouden op dat kerkhof. Ik sloop weg om in het kleine restaurant, dat ik verderop in de straat gezien had, af te koelen.
Daar zaten vier jonge vrouwen rond een tafel achter een enorme coupe roomijs pret te hebben. Een van hen liet haar lepel op de grond vallen en toen de serveerster een andere voor haar wilde halen, maakte de vrouw een afwijzend handgebaar en zei gemoedelijk: ‘Bende gek,’ terwijl ze dezelfde lepel opnieuw door het ijs haalde.
Het was een uitdrukking die ik nog kende, die niets te maken had met vragen naar je geestelijke gesteldheid, maar die van alles kon betekenen: troost wanneer je iets ergs had beleefd, bemoediging als je iets niet durfde, geruststelling voor als je bang was of je zorgen maakte en nog veel meer. Ook: ‘Maak je niet druk, laat maar zitten’, zoals de vrouw met de ijslepel bedoelde. Als de veertiende-eeuwse mystica Julian of Norwich Brabants had gesproken, had ze ‘Bende gek’ gezegd in plaats van ‘All shall be well, and all shall be well, and all manner of things shall be well.’
Woordenschat
’t Is wonderlijk om als een omnivoor De woorden op te kunnen vissen uit Een zelden aangesproken reservoir van taal, een zwarte bron die zich ontsluit
Zodra je in haar mijnengang afdaalt. Daar sluimert alles wat je moeder zei, Daar zijn de woorden uit je jeugd verdwaald, Daar is de taal nog nieuw en vogelvrij.
Wat wordt omhooggehaald gaat zich verbinden Tot zinnen die zo helder zijn als glas. Ik zou er van geluk om moeten wenen –
Dat ik iets in mijn eigen hoofd kan vinden Wat ik niet wist dat daar te vinden was – Fluor en mica in de dode stenen.
Ik leefde er helemaal van op, de hitte en de begrafenis waren ineens zo erg niet meer, bende gek. Of zou het aan de airco gelegen hebben?
Uit: Gerrit Komrij, Alle gedichten tot gisteren, 2004.
Hettie Marzak schrijft over poëzie en is poëzierecensent.
Op 16 mei 2026 overleed literatuurhistoricus, Reve-biograaf en kenner van de 19de eeuwse letteren Nop Maas. Na zijn overlijden vond op 3 juli in Haarlem een bijzondere herdenkingsbijeenkomst plaats waar werd ingegaan op Maas’ kwaliteiten. Een scala aan sprekers, van Arnon Grunberg tot Jos Bienen, burgemeester van Haarlem. Een en ander werd gedreven en onderhoudend gepresenteerd door Diederik van Vleuten. Het programma liep vreselijk uit en ook al is Nop Maas dood, de ruim driehonderd aanwezigen hadden een leuke middag.
Aan het slot volgde een uitzonderlijk gebaar: alle aanwezigen kregen een exemplaar van het boek Ratatouille, het laatste dat Nop Maas zelf voor de druk gereed heeft gemaakt en de eerste postume publicatie van hem.
In dit boek bracht Maas ‘literaire en academische anekdotes, verhaaltjes, vragen en opmerkingen, roddels en curiositeiten bijeen. Het boek bevat allerlei wetenswaardigheden uit lectuur, overpeinzing en werkelijkheid: soms als aanvulling bij andermans boeken, soms als herinnering aan personen uit de neerlandistiek en de literaire wereld, soms als kleine, scherpe observatie. Maas noteerde juist ook wat de officiële literatuurgeschiedenis doorgaans niet haalt.’ Aldus de aanbeveling op www.nopmaas.nl.
Opmerkelijk is dat overduidelijk uit het boek blijkt dat Nop Maas wist dat hij de verschijning van dit boek niet meer zou meemaken. Ongegeneerd trapt hij dan ook op tenen en andere lichaamsdelen van allerlei bekenden in het land der letteren. Ze zullen het hem kwalijk kunnen nemen of zich er tandenknarsend bij neerleggen: Maas zelf is dood, hem maakt het dus niet meer uit en weerwoord is zinloos.
De bijdragen in Ratatouille variëren in lengte van een enkele regel tot een paar pagina’s. Ook komen alle Nop Maas-onderwerpen aan de orde, zoals een blik op het register duidelijk maakt. De bijdragen zijn alfabetisch geordend, van ‘Advertenties’ tot ‘Zwanenzang’. Deze laatste aanduiding luidt voluit: ‘Dit boek is mijn zwanenzang. Ik heb in mijn leven veel gelezen en ook heel wat geschreven. In dienst gegaan bij de literatuur. Je kunt het slechter treffen.’ Waarvan akte.
‘Op 15 augustus 1979 werd Carlo Andreoli (…) wakker, zoals hij nu eenmaal iedere ochtend van dit in zekere zin oneindige leven wakker wordt’. Hij is 37 jaar, woont in de Via Miracoli 127, op de vierde verdieping van flatgebouw E. Op het Piazza Trieste e Trento koopt hij de Roma van woensdag 15 augustus 1979. Op zijn werk, het kantoor van het Regionaal Departement, slaat hij de krant open en leest daar een verhaal met de titel ‘Dood op Maria Hemelvaart’, dat als volgt begint: ‘Op 15 augustus 1979, een woensdag, werd Carlo Andreoli (…) wakker, zoals hij nu eenmaal iedere ochtend van dit in zekere zin oneindige leven wakker wordt’. Een schok: op deze dag leest hij zijn verhaal over deze dag. Hij loopt zwetend de hal in en wordt neergeschoten. Precies zoals in de krant staat. Het verhaal eindigt ‘om precies te zijn, met het woord hal’. ‘Hal’ is ook het laatste woord in dit bizarre verhaal uit deze verhalenbundel Het zwarte schip.
Absurdistische verhalen
‘Dood op Maria Hemelvaart’ is een van de acht absurdistische verhalen waarvan het eerste het titelverhaal van de bundel is en waarin een geheimzinnig zwart schip (waarover je niets te weten komt) de Napolitaanse gemoederen bezighoudt.
Het leven van Pugliese (1944-2012) is op zich al een bijzonder verhaal. Hij publiceerde één roman, Malacqua uit 1977 (in 2023 in vertaling van Annemart Pilon in Nederland verschenen). Deze beschrijft hoe journalist Carlo Andreoli verslag doet van het effect dat vier dagen onophoudelijke regen heeft op de stad. Pugliese was Napolitaan en vóór hij de roman schreef zelf journalist bij il Roma. Hij stopte daarna met schrijven en hield een herdruk van Malacqua tegen. Met moeite wist een uitgever hem vier jaar voor zijn dood over te halen nog acht losse verhalen te publiceren. Dat zijn die in Het zwarte schip.
Alle verhalen spelen opnieuw in Napels. Andreoli, het alter ego van Pugliese, duikt niet alleen in ‘Dood op Maria Hemelvaart’ op, maar ook in het laatste verhaal met de titel ‘Knap gedaan meisje’. Daarin gaat hij op weg om een meisje op te pikken. Eigenlijk heeft hij geen tijd want hij moet binnen 24 uur een vertaling afleveren. Wat volgt is een minutieus verslag van de ontmoeting in de vorm van notities per kwartier of half uur op 14 augustus. Opnieuw is er een onwerkelijke gebeurtenis die ontregelend werkt.
Weer een maandag
Nog een mooi voorbeeld daarvan is ‘Agenda 1980’ waarin Paolo Monetti op oudjaarsavond 1979, een maandag, de agenda voor het nieuwe jaar opent die hij van zijn werkgever heeft gekregen en ziet dat de volgende datum, 1 januari 1980, ook weer een maandag is. Hij wordt steeds achterdochtiger.
Kenmerkend voor alle verhalen is dat de verteller de vervreemdende werkelijkheid juist heel nauwkeurig invult: hij noemt precieze tijdstippen en exacte adressen. Voor wie in Napels bekend is, zou vermoedelijk alle plekken kunnen traceren. Bovendien hebben alle personages zeer gangbare Italiaanse namen.
De verhalen wekken soms de indruk voor de vuist weg te zijn opgeschreven en niet te zijn gecorrigeerd. Er zitten herhalingen in, onverwachte zinswendingen en op het oog onnodige toevoegingen. Toch is er wel degelijk van opzet sprake. Annemart Pilon zegt in een nawoord bij haar vertaling van Malacqua dat de teksten hun ritme krijgen door al die rariteiten te lezen als denkpauzes en herformuleringen die zo typisch zijn voor Pugliese.
De verteller spreekt zijn personages soms toe door ze belachelijk te maken. In ‘Witte wijn’ (waarin het ook weer 14 augustus is, de avond voor Maria Hemelvaart) vraagt hij een meisje dat uit het raam hangt om naar beneden te komen: ‘wat dacht je nou, beste man? dat zij om vier uur ’s nachts uit het raam zou klimmen? wat dacht je? dat zij voor jou zoiets zou doen? Ha-ha, het is om je rot te lachen, als je er over nadenkt, of om te: ach laat ook maar, joh, laat maar’. Aan het slot richt de verteller zich dan ineens tot de lezer: ‘Wat zeggen jullie ervan?’.
Bureaucratie
Invoelbaar zijn twee verhalen waarin de personages vast draaien in de bureaucratie. In ‘De tijger naast hem’ lezen we hoe Osvaldo Annunziata zich via alsmaar nieuwe verlokkingen een weg baant naar absolute macht in het bedrijf waar hij werkt. Maar waar hem uiteindelijk een nieuwe rivaal wacht waardoor hij terug is op zijn uitgangspunt (in de verte doet de cirkelgang denken aan de parabel van de steenhouwer uit de Max Havelaar). En in ‘De Grote Crisis’ worden Maria Hemelvaart, Nieuwjaarsdag, Heilige Paaszondag en Kerstmis afgeschaft. Daartegen worden acties ondernomen, maar de instanties waarbij wordt geklaagd schuiven de hete brij van zich af. Niemand neemt verantwoordelijkheid.
De stijl van deze verhalen doet af en toe denken aan een politieman die vluchtige notities maakt omdat hij straks in zijn rapport nauwkeurig moet zijn over tijd en plaats, maar ondertussen zijn gedachten de vrije loop laat. Het zwarte schip is een heerlijke verhalen bundel voor wie bereid is elke controle los te laten.
Vrede op aarde, een paradijselijk begrip dat vooral rond Kerstmis extra aandacht krijgt. Toch is er nog nooit in de geschiedenis van de mensheid een periode geweest waarin er werkelijk overal vrede heerste: altijd wordt er wel ergens op de wereld strijd geleverd. De titel van de jongste bundel van Charles Ducal kan daarom als een vrome wens gezien worden, maar ook als de dwingende noodzaak om nu eens ernst te maken met het bewerkstelligen van de afwezigheid van oorlog. Maar Ducal dicht niet alleen over oorlog tussen landen of volkeren, al is daar ook zeker sprake van in deze bundel. De strijd waarover deze bundel in hoofdzaak gaat, is die op een kleiner terrein: tussen groepen mensen, tussen individuen, tussen de ik en de ander. Niet zozeer treden de spanningen van de buitenwereld naar voren, maar die van de innerlijke wereld en in de verhoudingen tot medemensen.
Willekeurige gewelddadigheden
De bundel is verdeeld in een proloog, zes afdelingen en een epiloog. In de proloog spreekt de dichter van ‘een gerucht’, ‘een dringende vraag naar opheldering/ van wat mij is ontgaan.’ het is de aanzet om in actie te komen en niet alleen proberen te begrijpen wat er aan de hand is, maar zich ook verzetten tegen de onmacht om verandering aan te brengen. De eerste afdeling, ‘Tijd voor geweld’ gaat expliciet over moordzuchtigheid. Willekeurige schietpartijen op scholen en in winkelcentra in Amerika, klassenhaat, zuiveringen en opgeblazen bruggen.
Ducal schrijft vanuit het perspectief van de geweldplegers, soms als verteller en dader, een andere keer vanuit een collectief van onderdrukkers. Hij geeft de feiten weer zonder er een moreel oordeel aan te hechten of een reactie te verwachten. Het geweld vindt plaats, er volgt geen goede afloop, geen repercussie. ‘Het is een kwestie van gewenning’, wordt aangegeven in het gedicht ‘Huiszoeking’.
In de tweede afdeling: ‘Poëzie is geen journalistiek’, wordt de vraag gesteld: ‘Hoe maak je poëzie van een lijk in het water?’ Deze vraag stelt de manipulerende rol van de media bij rampen ter discussie en het onbegrip dat gekoesterd wordt ten aanzien van de realiteit. Wij zijn niet bij machte om iets te veranderen, zegt de dichter, en daarom wenden we ons liever af zolang het ver van ons bed is. Alleen een kind is in staat om impulsief te reageren op het horen van de feiten: ‘Het meisje denkt: ik schreeuw/ ik schreeuw de wereld bij elkaar.’
Zichzelf bevragend
De dichter spaart ook zichzelf niet als het gaat over de zoektocht naar de juiste woorden: ‘Terwijl Van regen zwaar het groen dat weegt op donkere tuinen, de sluimerende bloei tegen het witte hek, de kleine vrouw op blote voeten die mijn moeder was, het hoofd geheven naar de nacht, als in gebed, terwijl ver weg onder het puin de pop onder het kleine lijf, als toch behoed, terwijl uit het geweer het schot
niet raakt alsof, zo is bedoeld God, zeg mij hoe ik schrijven moet.’
Een antwoord op die vraag komt er niet. Niemand zegt hoe hij schrijven moet. Wel onderzoekt Ducal in de derde afdeling ‘Alleen de vorm’ wat het schrijven van een gedicht betekent voor de lezer en voor hemzelf. De grote gebeurtenissen van de wereld vallen dan weg tegen het wikken en wegen van de juiste formuleringen, het kiezen van de woorden en het schrijven en schrappen.
‘Mijn werk bestaat erin te wachten tot het komt. Er is geen andere weg naar het licht dan zich te hullen in de duisternis. En vorm te zijn, meer niet. […] Dan prevel ik formules en dans urenlang tot alle geloof uitgeput is, niets overblijft dan het besef dat er geen antwoord is.’
Het leven tot fictie gemaakt
De vorm waarover Ducal spreekt, weet hij ook aan zijn gedichten te geven. Ze bestaan altijd uit meerdere strofen van een vast aantal versregels, die soms eindrijm kennen en soms ook niet. Daarmee schaart de dichter zich in een literaire traditie, waarvan hij in 1990 op het twaalfde Europees Poëziefestival te Leuven zei: ‘Ik eigen mij in zekere zin de literaire traditie toe. Op die manier maak ik mijn leven tot fictie, geef ik het een plaats in de tijd, maak ik de onherroepelijkheid dat ik dood moet gaan, een tikkeltje minder erg.’
De dood keert terug in de korte afdeling ‘Manieren van sterven’, waarin de gedichten betrekking hebben op de dichter zelf. Het feit dat we allen eens moeten sterven, geeft voor hem betekenis aan het leven, maakt ‘de uren kostbaar’. Ook de angst voor de dood maakt dat het leven meer gewicht krijgt en ten volle beleefd wordt. Niet voor niets heeft Ducal als motto voor de bundel een citaat van E. M. Foster gekozen: ‘Death destroys a man: the idea of Death saves him.’
In de afdeling ‘Hoe raak ik je kwijt’ herdenkt de dichter de doden die hem dierbaar zijn: een vriend, een geliefde, een zoon. Liever was hij hen kwijtgeraakt door ‘schuld of misverstand’, want de dood wist alles uit tot ‘een ondraaglijke leegte’, terwijl de dichter liever denkt dat de doden ergens nog leven. ‘Hoe raak ik je kwijt als je nergens bent,/ behalve in mij. Ik ben niet zo wijd.’
Kiezen voor geluk
Toch eindigt de bundel in de laatste afdeling op een positieve toon. We leven nog en we kunnen nog steeds gelukkig zijn als we daar voor kiezen. Wel stipt de dichter in het gedicht ‘Betrapt’ nog even het gevoel van hypocrisie aan dat hem af en toe besluipt: ‘het kleedt onecht, de liefde voor de medemens’: mag je het leed van anderen betreuren als je zelf gelukkig bent? Als het lyrisch ik ‘mij voor de spiegel/ een uit de krant geknipt patroon/ van somberte aanmeet’?
Een gewetensvraag die voor ons allen geldt: ‘Ik heb op die manier veel ongeluk gekend/ dat mij in anderen is overkomen.’ Zelf blijven we buiten schot.
De dichter kiest ervoor om ondanks alle geweld en ellende voor het geluk te kiezen: ‘Er zit bloed aan mijn hand, van de wereld, die stuk is. Ik loop naar buiten, het geluk achterna.’
Deze strak gecomponeerde bundel laat zien hoe buiten- en binnenwereld niet te scheiden zijn. Wat er buiten ons gebeurt, raakt ons. Ducal verenigt het maatschappelijke gebeuren met het persoonlijke leven en probeert duidelijkheid te scheppen in een verwarrende wereld en in zijn eigen geest. Hij doet dat op een manier die iedereen, die zijn gedichten leest, betrekt bij wat er in hem omgaat. Zo maakt hij de lezer door middel van de taal deelgenoot van zijn angst, twijfel en wanhoop, waar iedereen zich in kan herkennen. Maar de manier waarop hij doet, dat kan Ducal alleen.
Zeevlam en andere gedichten van Hanneke van Schooten leest als een wandeling. Een strandwandeling wel te verstaan. Gedichten met een zilte geur van de zee en de soms scherpe smaak van zand en schelpengruis. Ze openen vergezichten en luchten waaronder de mens, de wandelaar zich klein waant. Voor de dichter zelf – Hanneke van Schooten woont een groot deel van haar tijd op Schiermonnikoog – is die uitgestrektheid onder een weidse hemel als een natuurlijke habitat. Het eerste gedicht in deze bundel, en tevens titelgedicht, geeft als een soort staalkaart of synopsis aan welke thema’s en sfeer verwacht kan worden.
‘Zeevlam – voor H.C. ten Berge Het licht hangt zilverwit over het water. / De lucht daarboven blauw en hoog. / Hemel en zee zonder zichtbare lijnen droog / gevallen in het tij. Een keerpunt dat later // een kader voor herinneringen is: / zoute wind die plotseling de kleuren / dempt in dichte nevel, de rotte geur / van wier, zeekraal, dode vis. // Hoe wij in de mist bewegen / op de tast een eeuwigheid bijeen. / Blijf nog even. Er is geen tijd, alleen / dit ene korte ogenblik van leven.’
Een genoeglijk wij
Op enkele uitzonderingen na, zijn bijna alle gedichten geschreven in de wij-vorm. Al geeft dit ‘wij’ niet automatisch een eenduidig perspectief. Soms is het een wij als in een dialoog: ik en jij tegenover elkaar, of naast elkaar, maar wel in wisselwerking. Soms is het een verzameling personages in een verhaal, een bepaalde gebeurtenis waarover de dichter achteraf vertelt; soms is het de meest vanzelfsprekende uitdrukking van onze collectieve condition humaine. De verbondenheid tussen mensen die niet enkel bestaat in wat daadwerkelijk gedeeld, bereikt, beleefd wordt, maar minstens zozeer in wat nog niet gebeurd is en misschien wel helemaal nooit zál gebeuren, maar waar – instinctief bijna – wel voor wordt gevreesd: onze gedeelde wanhoop, angst, en onwetendheid over wat de toekomst ons brengt.
‘Niet voorgoed Dan stellen wij onszelf vragen, / vertellen elkaar verhalen, / ons leven en waarvandaan / de reis begon tot in dit heden / hoe het kon dat wij samen / bestaan in taal, in spreken, / in de wanhoop dat wij vergaan.’
Of er nu alleen of met anderen wordt gewandeld, gereisd, over de zee wordt gevaren, steeds is er die gemoedelijkheid, dat kalme, dat mijmerende. En steeds is de ervaring ingebed in een intense beleving van de natuur, van de omgeving. Dat is wel de toon en kleur van veel gedichten in deze bundel: een natuurlijke zachtheid die samenhangt met die natuurlijke omgeving. Zelfs als het stormt en de natuur helemaal niet zo kalm en lieflijk is. Een zachtheid die in een stedelijke omgeving niet kan bestaan, of het moet in een parkje achteraf zijn waar de natuur zich onttrokken heeft aan de invloed van de mens; aan zijn belangen, en meest nog, aan zijn moordend snelle tempo.
Vertraagde tijd
In die oneindig lege ruimte valt er volop te beleven en waar te nemen, maar enkel voor wie de juiste houding van verstilde aandacht wil aannemen en werkelijk bereid is de tijd te nemen. Inderdaad niet de snelle mensentijd van deze eeuw, maar de trage, kabbelende tijd van de natuur met haar ritme van seizoenen en eb en vloed. Dan worden de contrasten zichtbaar die er wel degelijk zijn in die verstilde en ogenschijnlijk stilstaande ruimte.
Ook klassieke begrippenparen waarmee sinds jaar en dag onze levens en de wereld benoemd worden en die voor iedereen herkenbaar is, komen voorbij: hemel en aarde, geluid en stilte, ver weg en dichtbij, jong en oud, oud en nieuw, en alles wat zich door de tijd tussen die uitersten voltrekt.
‘Regieaanwijzing Let op, groei in de tijd niet langzaam / aan beide zijden vast, word geen boom, / geen zoutkolom, ga door, / ga door en kijk niet om, / word niet de vrouw van Loth / wier naam er niet toe doet. // Waarheen schipper? / Vooruit! Voort! / Het uitzicht tegemoet.’
En ook de tegenstelling blijven versus weggaan, beweging versus stilstand. Waarbij al snel blijkt dat niet stilstand maar beweging het meest wezenlijke kenmerk is van de natuur en het leven zelf.
‘Dwaalwegen Wij zetten zeilen bij / om schipbreuk te vermijden. / Nee, wij keren niet / om daar te landen waar het begon. / Wij varen dwaalwegen / die krullen op de kaart, / wij weten niet over welke zeeën / wij nog moeten gaan. / Water genoeg, / niet als laatste onze tranen.’
Of die dwaalwegen nu worden bevaren of bewandeld, onvermijdelijk duiken er in zo’n oud, vertrouwd landschap herinneringen op. Meestal wordt een dergelijke liefde immers vroeg geplant. Vaak al meteen bij de geboorte, meegegeven in het DNA. In dit geval het landschap van het noorden, het wad, rietkragen, veel water, veel wind ook, ritmische geluiden van ijzers op het ijs, vogels die nauwelijks boven het vlakke grasland uit steken, of langs de hemel scheren die dan hoog, dan laag is.
Horen en zien
Zo puur en onopgesmukt de benadering van de thematiek, zo sober is ook de stijl die Van Schooten hanteert. Amper versiering, amper beeldspraak, enkel een eerlijke beschrijving van wat zich toont en door de dichter wordt gezien.
Sommige gedichten zijn zo kort, dat je je afvraagt of het nog wel gedichten zijn of aforismen. Maar wat zijn precies de criteria waaraan je een gedicht herkent? En wanneer moet het iets anders gaan heten? En wat dan? Ook in die bondige directheid kan een boodschap goed over komen. Misschien zelfs des te beter, omdat uiteindelijk alleen het meest wezenlijke overblijft. En aan de poëtische zeggingskracht doet dat niets af.
Het enige dat als overbodig en gekunsteld overkomt is het gebruik van rijm in enkele gedichten. Onnodig bij gedichten die van zichzelf een zachte ritmiek hebben. Rijm haalt hier en daar de vaart eruit, de intrinsieke kracht die niet bewust is voortgekomen uit woordkeus of compositie, maar op natuurlijke wijze is ontstaan vanuit de eenvoud van de thematiek. De auteur had gerust nog dichter bij die natuurlijke vorm kunnen blijven.
Of de dichter, zoals veel kunstenaars, behept is met synesthesie, het verschijnsel waarbij de hersenen zintuiglijke prikkels en sensaties aan elkaar koppelen, is niet bekend, maar veel van haar gedichten wekken die indruk. Beelden maken geluid, geluiden hebben een kleur.
‘Verzwegen muziek Zeilen, wit uitgesneden tegen / een grijze hemel. Een raadselachtig / rijzen en dalen van water / en later meeuwengekrijs. // Dit beeld. Je houdt je adem in / en luistert. Alle geluid gaat traag. Stilte. / Ver weg een stem. Muziek die wind / in rimpels op het water schrijft. // Wat ongeschreven blijft / dat hoor je niet.’
Door de eerder al genoemde houding van intense aandacht in combinatie met die extreem vertraagde tijd maakt de dichter het mogelijk dat ook de lezer alles opnieuw en in zuivere vorm kan waarnemen en ervaren. Als een schoongewassen versie van de oorspronkelijke schepping.
‘Naschrift met aanbeveling Voor wie reist, bedenk, / elk uitzicht spreekt je van voorbij, / elk doel zegt wat je zult gaan missen, / keer je rug naar wat al vertrouwd is, / mijd de diepe slaap van het gevestigde / idee en onthoud: keer niet terug / neem wachttijd en verlet voor lief. // Thuis wacht armoede, / de schamele boel van wachters / achtergebleven in stilstand, / laat de mare van moederlanden achter je / en neem op reis de weg als doel.’
Het was woensdagochtend 19 augustus 1618. De machtige Johan van Oldenbarnevelt, onze eerste ‘premier’, stapte op het Binnenhof uit zijn koets voor een vergadering. Iemand vertelt dat hij ontboden werd door Prins Maurits, de stadhouder en legeraanvoerder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Onze ‘Advocaat van Holland’ en raadspensionaris wordt daarbij echter gearresteerd. Opeens. Zo machtig was Oldenbarnevelt kennelijk niet, want pas na acht maanden gevangenschap komt hij na een showproces weer naar buiten. Om te worden onthoofd wegens land- en hoogverraad.
Nicolaas Matsier viert dit jaar zijn vijftigjarig jubileum als auteur met de voltooiing van een project over de laatste negen maanden van de landsadvocaat. Met de roman Zonder pardon, die verhaalt vanuit Maurits, in de derde persoon. Zeven jaar geleden deed Matsier hetzelfde vanuit Oldenbarnevelt, met De Advocaat van Holland. Vierhonderd jaar na de politieke moord.
Deze twee historische romans behoren tot een trend die, in navolging van historici, breekt met de vertrouwde aloude Oranjegeschiedschrijving. Zoals recent ook Jean-Marc van Tol met zijn Johan de Witt-trilogie, waarvan tot nu toe twee delen zijn verschenen.
Hagiografische geschiedschrijving
De uit de negentiende eeuw daterende hagiografische geschiedschrijving begint met de Vader des Vaderlands als leider (dus niet met de opstand van edelen enkele jaren daarvoor). Want de Oranjes werden opgepoetst. Gezwegen werd derhalve over het feit dat Willem de Zwijger en zijn broers nogal onbekwame veldheren waren. Wat overigens niet gold voor de kundige Maurits. Zwijgen over Maurits’ acht bastaardkinderen. Over zijn staatsgreep en die van Willem II, III en V. Nummer V via het Pruisische leger.
Althans, zo zien de meeste hedendaagse historici dat: de Oranje stadhouders wilden de enige autoriteit in de republiek worden en bestreden daarbij hun politieke vijanden rücksichtsloos.
Echte Oranjegeschiedschrijvers bestaan immers niet meer. Wel ‘ja, maar’-historici als René van Stipriaan: ‘de politieke tegenstanders van de Oranjes waren ook geen lievertjes’.
Weggewiste tegenstanders
Die tegenstanders golden in de Oranjegeschiedschrijving als vijanden of werden weggewist. Dat lukte niet altijd. Het is vandaag de dag moeilijk voor te stellen, maar ooit was onze grote zeeheld admiraal Michiel de Ruyter persona non grata omdat hij tot de omgeving van Oranje-vijand Johan de Witt behoorde. Nog meer dan een eeuw na zijn dood werd De Ruyters Amsterdamse woning door Oranjeklanten belegerd in de strijd met de patriotten.
Maar De Ruyter bleek, ondanks zijn ‘verleden’ net als Rembrandt, Vondel, Coen, Hooft, De Groot, Oldenbarnevelt en De Witt, in de negentiende eeuw onontbeerlijk voor de schepping van onze roemruchte Gouden Eeuw. De onthoofding van Oldenbarnevelt en moord op De Witt en diens broer golden daarbij als droevige incidenten waarin de Oranje standhouders natuurlijk part nog deel konden hebben. En is Hugo de Groots ontsnapping uit Loevestein in een boekenkist toch niet gewoon een sappig verhaal?
Maar onze eerste ‘president’, de patriot Rutger Jan Schimmelpenninck, werd weggewist, net als onze eerste koning, Lodewijk Napoleon. Die acteerden immers in de tijd dat de Oranjes in ballingschap verkeerden. Lodewijk Napoleon werd bij de bevolking zeer geliefd, vooral rond de Leidse kruitschipramp van 1807, zelfs orangistische dichters uitten zich geroerd. Al weigerde Willem I een paar decennia later een gedenknaald voor de ramp te voltooien en nog in 2022 wilden Oranjeklanten verhinderen dat er voor Lodewijk Napoleon in Voorthuizen een standbeeld kwam.
Geen opgepoetste protagonisten
In navolging van historici buigen Matsier en Van Tol zich juist over dat ‘part nog deel hebben’ van de Oranjes. Over de strijd van de stadhouders om de macht en de methoden die ze daarbij gebruikten.
Zij poetsen hun protagonisten niet op. Matsier laat bijvoorbeeld in De Advocaat van Holland ook de zwakke kanten van de landsadvocaat zien. Het in die tijd gebruikelijke nepotisme waarmee die familie en vrienden op hoge posities wist te krijgen. Zijn ‘ontvangen’ van geld en ‘strooien’ daarmee, waarmee Oldenbarnevelt rijk werd en zich een heus stadspaleis kon veroorloven. Al was Maurits veel rijker en bewoonde hij onder andere een groot torengebouw aan het Binnenhof. Gratis, net als zijn leger aan bedienden aldaar.
Ronduit gênant was Oldenbarnevelts moeite om te bewijzen dat hij van adel was en daartoe zelfs een ‘oud’ familiewapen liet vervaardigen.
Dat Zonder Pardon 120 pagina’s minder telt dan De Advocaat van Holland, komt niet alleen doordat Maurits een minder interessant personage is dan zijn briljante antagonist. Veel van wat de stadhouder meemaakt, zijn we al in uitgebreide vorm in de eerste roman tegengekomen. Er is bovendien weinig schriftelijk materiaal van Maurits overgeleverd, maar voor de laatste maanden van Oldenbarnevelt beschikken we zelfs over een verslag van zijn trouwe knecht Jan Francken, die tot zijn dood bij hem was. De jonge Francken was het voor wie zijn laatste woorden waren bestemd: ‘Maak het kort.’ Dit verslag is in 2005 hertaald door Thomas Roosenboom.
Een boeiend verteller
Matsier toont zich in het tweeluik een boeiend verteller. Hij weet allerlei petieterige historische details te vermijden die je kunnen afleiden en schotelt ons ook geen lappen zeventiende-eeuws voor. Hoewel we weten hoe het afloopt en een beetje op de hoogte zijn van de voorgeschiedenis, leest Matsiers dubbelboek als een thriller. Bij Zonder pardon heb je steeds de neiging om De Advocaat van Holland ernaast te houden.
Want wat zijn de cruciale gebeurtenissen die tot de ondergang van Oldenbarnevelt leidden en in hoeverre was Maurits daarbij betrokken? Maar vooral, waarom had de landsadvocaat het niet zien aankomen? De Advocaat van Holland is een aaneenschakeling van diens gedachten en herinneringen die door de verteller in een verhalend verband worden gebracht.
Matsier laat zien dat Oldenbarnevelt de jonge Maurits na de moord op diens vader min of meer opvoedde. Na enige tijd ontwikkelde dit tot een gouden tandem: de briljante diplomaat en de bekwame veldheer. De barsten in hun relatie begonnen in 1609, met het Twaalfjarig Bestand met Spanje. De landsadvocaat was een warme voorstander van de wapenstilstand, de veldheer wilde doorvechten.
Maurits verveelde zich sindsdien met konijnenjacht in de duinen en wolven op de Veluwe. En met de talloze vrouwen in zijn ‘nachtegalenkamer’. (Roosenboom meende nog dat het om vogeltjes ging).
Vergroten van macht als uitweg
Noodgedwongen kreeg hij belangstelling voor de politiek. Matsier laat zien dat hij dit doet met het vergroten van zijn macht. Een strateeg. Stap voor stap. Gepland. Doordacht. Het terrein verkennen. Testen. Zijn eerste kans kwam in 1610, toen vrijzinnig-liberale predikanten kwamen met een ‘remonstrantie’ tegen de starre calvinistische kerkleer.
Maurits noch Oldenbarnevelt waren diepgelovig, al waren beiden nota bene in Heidelberg de gelijknamige catechismus onderwezen. De stadhouder kerkte lange tijd samen met de landsadvocaat onder de remonstrantse dominee Johannes Wtenbogaert.
Maar Oldenbarnevelt was voor verzoening en de stadhouder koos daarom strategisch voor de calvinisten. Zij wilden via een nationale synode de remonstranten uitschakelen. Die ‘Dordtse’ Synode kwam er – tijdens Oldenbarnevelts gevangenschap – en na afloop werden enkele honderden remonstrantse predikanten uit de Republiek verbannen.
Hoewel Oldenbarnevelt onaangenaam getroffen werd door de vele schotschriften tegen hem– wie zat daarachter? – onderschatte hij het effect daarvan. Die zeventiende-eeuwse pamfletten doen niet onder voor het huidige nepnieuws. Zo zou volgens de schotschriften Oldenbarnevelts echtgenote Maria, vertelt Matsier, verwekt zijn door de broer van haar moeder. Later keren dit soort verzinsels terug in de beschuldigingen.
Inderdaad als in een thriller beschrijft Matsier de voorgeschiedenis. Te beginnen met het kraken door contraremonstranten van de Kloosterkerk op de Kneuterdijk, pal naast het stadspaleis van Oldenbarnevelt. Het gebouw is een arsenaal geworden nadat het als veel kerken en kloosters ontnomen was aan de katholieke meerderheid van de bevolking.
Op een zondag in 1617 werden de deuren met bijlen opengebroken. Er werd een preekstoel in gesleept, contraremonstrantse gelovigen namen stoeltjes mee. Er werd gepreekt, gedoopt en gezongen, ook buiten, waar het zwart zag van de mensen. Begrijpelijkerwijs sidderde de familie van Oldenbarnevelt de hele tijd van angst voor het geweld. Matsier maakt het voelbaar. De landsadvocaat zette onmiddellijk de vervolging van de daders in. Maar de Hoge Raad en andere instanties werkten uiteindelijk niet mee. Pas later vernam Oldenbarnevelt dat Maurits toestemming had geven voor het kraken van Kloosterkerk.
Showproces en executie
Matsier suggereert dat hier voor het eerst blijkt hoe de macht van Oldenbarnevelt tanende is. De volgende stap is een tournee van Maurits om stad voor stad de Hollandse vroedschappen aan zijn contraremonstrante kant te krijgen. Steevast vergezeld van een intimiderend groot contingent soldaten.
Het lukt Maurits om via dit tournee definitief de wet te verzetten. In 1618 is hij op het toppunt van zijn macht. Met 51 jaar heeft hij de leeftijd van zijn vader geëvenaard en is daarenboven nu eindelijk diens formele erfgenaam, nadat zijn oudste broer Filips Willem is gestorven. Maurits’ volgende schaakzet tegenover Oldenbarnevelt werd dus een mat.
Aanvankelijk meent Oldenbarnevelt dat hij spoedig vrijkomt. Juridische deugt zijn arrestatie inderdaad van geen kant. Maar hij wordt vernederend behandeld door Maurits’ soldaten en de stadhouder weigert categorisch zijn verzoeken voor een onderhoud en inzage in de eventuele beschuldigingen. Het wordt een showproces. Zijn executie vindt plaats in een hermetisch afgesloten Binnenhof. Hij komt uit een zijdeurtje direct bij het schavot.
In tegenstelling tot de familieman Oldenbarnevelt lijkt de Maurits uit Zonder pardon erg eenzaam. De enige vriend is zijn Friese collega Willem Lodewijk, maar zelfs deze ‘broeder’ vervreemdt hij van zich met het vervolgen van de landsadvocaat. Maurits’ grote liefde lijkt niet zijn maîtresse Margaretha van Mechelen, maar zijn lievelingspaard Albertus. Buitgemaakt op de verslagen Spaanse aanvoerder in de Slag bij Nieuwpoort.
Schilderij door: Pauwels van Hillegaert
Die mooie Gouden Eeuw
Met het tweeluik van Matsier is het verhaal nog niet helemaal vertelt. Maurits verbrak zijn belofte dat na Oldenbarnevelts executie diens familie zou worden gespaard. Maar diens zoons werden ontheven van al hun ambten en titels, plus bezittingen en hun vaders kapitaal. In 1623 beraamden ze, met onder anderen een voorvader van Henri Bontenbal, een aanslag op Maurits. Die mislukte door verraad en de complotteurs eindigden op het schavot.
De dood van Maurits zou weinig verschil hebben gemaakt. Na het eind van het bestand stelde hij militair weinig voor in de hervatting van de strijd tegen de Spanjaarden. De Friezen wilden Maurits niet als stadhouder na de dood van Willem Lodewijk. In Holland hoopte men dat hij zo snel mogelijk de Oranjestaf kon overgeven aan zijn flamboyante stiefbroer Frederik Hendrik. Toen dat gebeurde, keerden veel remonstranten terug naar ons land, inclusief Wtenbogaert. Matsier heeft Maurits’ vermoeidheid heel overtuigend voorspeld.
Al die onthoofdingen en ophangingen. Die mooie Gouden Eeuw was ook een bijzonder bloederige tijd. Oldenbarnevelt werd nog bijgezet in zijn familiegraf in de Hofkapel. Maar de lichamen van de meeste veroordeelden ondergingen – formeel als deel van hun straf – gruwelijke verminkingen. Anders dan Matsier doet, wil ik de lezer de details daarvan besparen.
Deze eerste vertaling in het Nederlands van de niet eerder gepubliceerde roman Perlefter van Joseph Roth is een bijzonder boek. Nadat de Gestapo het in 1933 in beslag had genomen en de DDR, of de Sovjetunie, het tot 1970 niet openbaar maakten, werd het als ongeredigeerd manuscript in de archieven van uitgeverij Kiepenheuer in Berlijn gevonden. Het is geschreven in de aanloop naar zijn grootste successen, vlak voor de machtsovername door Hitler en Roth’s vlucht naar West-Europa.
In 1978 werd hetsamen met een paar andere teksten van Roth in de DDR en West-Duitsland gepubliceerd. In de vertaling is aan het verhaal over de houthandelaar Alexander Perlefter nog een tekst van Roth over een brief van Naphtali Kroj, de hoofdpersoon van Perlefter, toegevoegd. Perlefter is een autobiografisch geïnspireerd verhaal en speelt zich af in de Oostenrijkse dubbelmonarchie.
In het eerste hoofdstuk stelt Roth zijn hoofdpersoon voor: ‘Ik heet Naphtali Kroj. De stad waar ik geboren ben was naar West-Europese begrippen geen stad. Vijftienhonderd mensen woonden er. Onder hen waren duizend Joodse handelaren.’
Autobiografische gegevens
Dat stadje doet denken aan Roth’s geboorteplaats Brody op zo’n honderd kilometer ten oosten van Lemberg, zoals Lviv (Oekraïne) indertijd heette. Kroj is de zoon van een koetsier die veel dronk en nadat hij in de sneeuw was gevallen, de volgende ochtend doodgevroren werd teruggevonden. Kroj had zijn moeder al eerder verloren. De collega’s van zijn vader vonden dat hij geen koetsier moest worden omdat hij al ‘enige scholing had genoten’. Kroj moest van hen een brief sturen naar zijn rijke bloedverwant Perlefter die een houthandel in Wenen leidde. Zijn meester Tobias, bij wie Kroj had leren lezen en schrijven, schreef voor hem de brief en na de winter kreeg hij een kort antwoord met de uitnodiging te komen. Eind april 1904 wordt Naphtali Kroj door een tabakssmokkelaar over de grens gebracht en komt hij aan in Wenen. ‘Toen ik mijn stad verliet was het voorjaar er nog niet. Bij ons begon de sneeuw pas net te smelten. Hier hoorde je de zomer al rijden(…).’
Onvolledig manuscript
Het manuscript bestond uit twee delen en tien hoofdstukken. Het eerste deel bevat het eerste hoofdstuk van vier pagina’s met veel correcties, dan ontbreken er vier pagina’s en de rest lijkt (volgens de bezorger van de tekst) in één adem te zijn opgeschreven. Het vermoeden is dat dit manuscript indertijd door Joseph Roth of zijn uitgever Kiepenheuer aan de Münchener Neue Nachrichten is gestuurd als voorstel voor een feuilleton. Delen van zijn andere boeken waren ook eerder in kranten gepubliceerd. Het manuscript is onvolledig en het verhaal maakt soms een vreemde sprong en heeft geen echt einde. In het archief bevonden zich nog meer teksten voor een boek met feuilletons. De eerste publicatie van de brief van en over Naphtali Kroj was een andere en veel kortere die in een biografie over Roth stond (David Bronson 1974). Waar die publicatie vandaan kwam, is onduidelijk.
In het tweede hoofdstuk maken we kennis met de rijke houthandelaar Alexander Perlefter. Kroj, die bij hem in huis is opgenomen, vergelijkt Perlefter met de Macedonische koning Alexander. Een vergelijking die in het nadeel van de houthandelaar uitvalt. ‘Alleen al als ik hem bekeek moest ik lachen.’ Er volgt een ironische karakterisering van het uiterlijk van Perlefter , van zijn persoon, zijn carrière als handelaar en van zijn levensbeschouwing. Hij was lid van een gematigde club en bang voor de revolutie. Hij kocht een groot hotel, ‘een van de beste transacties van zijn leven.’ Perlefter houdt van reizen en van de natuur en is gek op vrouwen, blond en van omvang. Hij is bijgelovig en bang voor ongelukken. Ondanks die angst vliegt hij voor ruim twee maanden naar een onbekend buitenland.
Ironische beschrijvingen familieverhoudingen
Over Perlefter en zijn gezin schrijft Roth: ‘Hij kon alleen over zijn verwanten heersen, want zij waren nog zwakker, nog angstiger, nog willozer dan hijzelf.’ In het gezin was er ‘nooit en nergens voldoende’ van en ze maakten zich overal zorgen over. Alleen Perlefter en zijn zoon Fredy namen de vrijheid om met rijke vrouwen om te gaan. Daarover en over de liefdesperikelen van Fredy en de dochters van Perlefter wordt smakelijk en met veel details vertelt.
Als Perlefter terug is maakt hij zich zorgen over de verlangens van zijn vrouw en zijn intussen verloofde kinderen. Een tante komt regelmatig op bezoek die ‘al veel meisjes aan een man had geholpen.’ Intussen wordt Naphtali Kroj zelf verliefd op Henriëtte die al jaren bij de Perlefters inwoont. Kortom een hilarisch verhaal, zeker geschikt als feuilleton in de krant. Zoon Fredy was intussen met Tilly, de dochter van lederwarenfabrikant Kofritz verloofd. Deze man had volgens Kroj net als Perlefter zijn vermogen zelf opgebouwd, maar ‘Perlefter had alleen talent… Kofritz was echt een karakter.’
Ook hier gebruikt Roth weer ironische beschrijvingen van uiterlijk en familieverhoudingen. Een geregeld voorkomend verschijnsel in de schrijfstijl van Roth is de verrassende tegenstelling. Hij beweert iets en binnen dezelfde alinea of zelfs zin ontkracht hij het weer: ‘Ik roer hier een onderwerp aan dat gecompliceerd is en dat ik het liefst buiten beschouwing zou hebben gelaten, als het niet zo buitengewoon belangrijk was en niet absoluut onmisbaar zou zijn voor het inzicht in Perlefters gewoonheid’.’
Flarden van het verhaal
In de laatste hoofdstukken van Perlefter gaat de draad van het verhaal verloren. Dochter Margarete is verloofd en getrouwd, maar er moet ‘iets gebeurd zijn’ waardoor haar man zich van haar laat scheiden en meneer Perlefter gaat voor herstel van deze rampspoed naar een sanatorium. Er verschijnen andere verwanten van Perlefter: Leo Bidak en zijn gezin komen berooid terug uit San Francisco, waarover Roth nog twee tragische hoofdstukken schrijft. Niets of niemand kon de almaar armer wordende Leo Bolak nog helpen. Hij gaat in het laatste hoofdstuk(je) met enige hoop op bezoek bij Perlefter, maar die viert net de verjaardag van zoon Fredy. Einde verhaal.
In het toegevoegde hoofdstuk over de brief van Naphtali Kroj vanuit Buenos Aires, schrijft Roth dat hij zijn geboortegrond bijna vergeten is. Het stadje is kapotgeschoten en bestaat niet meer. ‘Nu ben ik dus nergens geboren en nergens thuis’. Zijn landgenoten zijn verspreid over de wereld. Hij zou wel graag willen weten wat er met die anderen is gebeurd’. Hij vertelt nog een aantal anekdotes over bekenden in het buitenland, zoals de doodgraver Pantalejmon en de strop van een zelfmoordenaar, die hij in stukken wil verkopen. Een anekdote die ook voorkomt inAardbeien, een ander verhaal van Roth uit het Kiepenheuer-archief.
Met Perlefter heeft Joseph Roth – in onvolledige vorm, een weemoedig en licht spottend beeld van de verloren wereld van zijn jeugd gegeven.
Perlefter
Joseph Roth
Vertaling door: Peter de Wolff
Uitgever: M10Boeken & Het huis met de drie gedichten
Over de dood die we ver van ons willen houden. En als die zich toch voordoet, met woorden komt die tijdens het leven van de gestorvene niet bij ons waren opgekomen. Komt het door Joan Didion? Haar boek Het jaar van magisch denken, over de dood van haar man John Gregory Dunne. Waarin ze steeds terugkeert naar het moment dat hij midden in een conversatie zweeg, dat hij wegviel. Nee, hij maakte geen grap, hij was dood. Ze was hem kwijt. Werd er daarmee iets in gang gezet, schrijven over gestorven vaders, moeders, geliefden. Haar boek wordt nog steeds genoemd als er rouw in het spel is. Je zou het willen, gevoelens zo treffend in woorden gevat zoals Didion dat deed.
Zelf ben ik nogal bezig met die ene. Die broer die zonder vooraf een teken, zonder waarschuwing maar met een klap van motor op bakfiets uit het leven, uit mijn leven verdween. Dat je alles aangrijpt om het onder woorden te brengen.
‘Als ik oversteek zonder telefoon in mijn hand kijk ik eerst, links en rechts, en dan
ga ik. kijk ik op mijn scherm, stap ik eerst, werp pas
een blik om mij heen al op het zebrapad,
versnel dan mijn stap
ter voorkoming, zo nodig, van de gebeurlijk veroorzaakte klap.
Hoe achteloos dit ‘gebeurlijk’. En de klap die wel kwam bij de oversteek van Haarlemmer Houttuinen naar het Bickerseiland, ingezet door een verstrooide, afwezige broer-op-bakfiets. Rood licht gepasseerd op een zonnige zaterdagmiddag in juli, zes jaar geleden. De klap, het snerpen van metaal over asfalt.
Didion zei, ‘I had the sense when I was writing it, I wasn’t writing at all. It was like automatic writing.’ Dat woorden je gegeven worden, ik zei het al.
De dood van een geliefde is volgens Didion iets dat om meer vraagt ‘dan woorden alleen om de betekenis te vatten. Dit is een geval waarin ik alles nodig heb waarvan ik vind dat het wel doordringbaar is, al was het maar voor mezelf.’ Dat er veel tegelijkertijd gebeurt als iemand je ontvalt. Er van richting veranderd wordt.
Het lezen van Toen ik je kwijtraakte, ‘de dood, en ik weet dat ik als ik // strakjes sta te turen naar die vlam, / ik niet meer dan het votief zal zien’, voelt alsof de juiste woorden voor het oprapen lagen.
Natuurlijk weet je beter. Maar toch. Het leest zo zacht als opborrelend bronwater, licht kabbelend, soms onbegrijpelijk, toch zo helder. Een terughoudendheid van een dichter die bekoort, het lezen tot herhalende oefening maakt.
En dan opeens die onverwacht manifesterende werkelijkheid. ‘(…) jezus ma, / wat ben je weg. elke dag, elk uur,’. En terwijl ‘subcutaan’ taal aaneen klontert, er ‘subcutane tijd’ bestaat die eindig is, staat er opeens, ‘ik brabbel nu maar wat, / zoals ik maar wat met mijn handen zwiep / over mijn toetsenbord’.
Hoe dat me bij de les houdt.
Een oprechte bundel, die onder je huid kruipt. Opgedragen aan een overleden moeder. Die moeder is niet het onderwerp. Hoe ze dan toch zo aanwezig is, dat is de kunst van de dichter. Een bundel als een fluistering. Luister goed.
Joost Baars / Toen ik je kwijtraakte / Van Oorschot (mei, 2026)
Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over randverschijnselen, over literatuur die raakt.
In de nacht van 9 op 10 juli 2026 vond een streng bewaakt en geheim gehouden transport plaats van het Tapijt van Bayeux vanuit die Franse plaats Bayaux naar Londen. Het zal een jaar tentoongesteld worden in het British Museum. Het enorme doek beeldt de Slag bij Hastings (1066) uit waarin de Normandiër Willem de Veroveraar het Kanaal oversteekt om het leger van koning Harold in de pan te hakken en de eerste Normandische koning van het eiland wordt.
Het tapijt heeft iets van een stripverhaal. Ik moet denken aan een moderne strip waarin een onlangs ontdekt nieuw stuk van het tapijt staat afgebeeld. Fictief uiteraard. Het is het boek 99 Ways to Tell a Story – Exercises in Style (2006) van Matt Madden. Madden is een Amerikaanse striptekenaar die in 99 Ways op 99 verschillende manieren een heel simpele anekdote vertelt over iemand die aan zijn bureau zit te werken en besluit iets uit de koelkast te gaan halen. Onderweg ernaar toe vraagt een vrouwelijke collega hoe laat het is. Hij kijkt op zijn horloge, zegt 1:15 uur, opent daarna de koelkast en verzucht: ‘Wat ging ik ook al weer halen?’. Een van de mooiste varianten waarin Madden die anekdote verbeeldt is dat pas ontdekte stuk tapijt in dezelfde kleuren en patronen als het origineel en met Latijnse teksten. Soldaat Matthias is hier onderweg naar zijn ‘glacie cistam’ (ijskast) en krijgt van collega Iessica de vraag hoe laat het. Kijkend naar een zonnewijzer noemt hij de tijd (1:15 uur).
Madden doet in stripvorm wat Raymond Queneau voor het eerst deed in 1947. Queneau vertelt in Excersis de style in 99 variaties het simpele verhaal van een man die zich in de metro ergert aan een medereiziger die steeds tegen hem aanbotst. Twee uur later ziet hij die man voor station Saint-Lazare met iemand anders die hem adviseert een knoop aan zijn jas te zetten. Daarna vertelt Queneau het verhaaltje in de vorm van een anagram, met versprekingen, als brief, in dichtvorm, als telegram, enzovoort. Exercises de Style werd wereldwijd een hit. In het Nederlands werd het prachtig vertaald door Rudy Kousbroek. Daarnaast kreeg het in de loop der tijd weer nieuwe versies of pastiches. In 1999 vertelde Stéphane Tufféry het in de trant van Queneau en 98 andere schrijvers zoals Balzac, Proust, Camus, et cetera. Drie jaar eerder was Hervé Le Tellier er met Joconde jusqu’à cent : 99 (+1) points de vue sur Mona Lisa. Le Tellier, Queneau en Madden hebben een band met elkaar. Ze maken alle drie deel uit van de Franse experimentele literaire werkplaats OuLiPo, en Matt Madden van de striptak daarvan, OuBaPo.
De uitdaging blijft inspireren, zoals Jan Beuving en Ionica Smeets met hun De auto, de geit en de wiskunde, 99 (2026). Hilarische (soms ontroerende) stijloefeningen naar aanleiding van een ooit beroemde Amerikaanse TV-spelshow van Monty Hall, Let’s Make a Deal. Kandidaten konden een auto winnen die was verborgen achter één van drie deuren. Achter de andere twee deuren stond een geit. De kandidaat moest één van de drie deuren kiezen (kans van één op drie dat hij goed gokte). Vervolgens opende Monty Hall een deur (waarachter een geit stond) en kreeg de kandidaat de gelegenheid om alsnog te switchen. Is de kans nu twee derde? Kon er beter gewisseld worden? Dat werd een heftig dispuut onder wiskundigen over de hele wereld. Beuving en Smeets vertellen het op 99 verschillende manieren.
De verschijning van dit meest recente boek bracht mij terug bij een vraag die ik me al stelde sinds ik het boek van Queneau las: waarom 99? Waarom niet een ander aantal? Ik heb lang gedacht dat het een eerbetoon was aan de grote OuLiPo-er Georges Perec die zijn magnum opus Het leven een gebruiksaanwijzing schreef volgens het procedé van de paardensprong uit het schaakspel door een appartementengebouw van honderd wooneenheden heen. Op die manier kun je echter niet op de honderdste kamer komen. Vandaar dat het boek maar 99 hoofdstukken telt.
Naar aanleiding van De auto, de geit en de wiskunde dook ik opnieuw in de 99-vraag. Ik ontdekte dat ik er met mijn aanname flink naast zat: Het leven een gebruiksaanwijzing verscheen pas in 1978 en Stijloefeningen al in 1947. Het tweede kan dus geen eerbetoon zijn aan het eerste. Maar waarom dan die 99? Ik vond een commentator op Stijloefeningen die zich erover uitlaat. Carol Sanders oppert in een boek uit 1994 dat Queneau het aantal koos om de lezer te prikkelen zelf een honderdste versie te maken. Het getal 99 heeft psychologisch gezien iets onvolmaakts.
De commercie maakt daar handig gebruik van door artikelen net onder een heel bedrag te prijzen. Bij € 99,99 zijn we sneller geneigd te kopen dan bij € 100. Die ene cent is dan net een grens die we niet over hoeven. Maar er is nog iets: 99 is ook een Kaprekargetal (genoemd naar de Indiase wiskundige Kaprekar): het kwadraat van 99 is 9801. Dat kun je splitsen in 98+0+1. En dat is weer 99. Het kan meegespeeld hebben bij Queneau, die zelf geen wiskundige was, maar binnen OuLiPo omringd was door mathematici die de schrijvers vergaand beïnvloedden. Maar waarom zangeres Nena ook ooit voor 99 koos toen ze over Luftballons zong blijft onduidelijk. Of wilde ze ermee uitdrukken hoe dicht we in de jaren ’80 tegen een oorlog aan zaten?
De recensenten van Literair Nederland tippen het ultieme boek dat volgens hen niet mag ontbreken in de vakantiekoffer. Boeken die werden herlezen, inspireerden, troostrijk waren, of gewoonweg zo goed dat je ze nooit meer vergeet. Lees het hieronder!
Een heerlijk boek om te lezen is Narcis van Judith Fanto. Het vertelt het verhaal van de Nederlandse Herman die in 1916 na de dood van zijn moeder door zijn Oostenrijkse tante Edmonda naar Wenen gehaald wordt. Hij wordt er Manno genoemd, krijgt om de taal te leren en voor ander onderwijs een huisleraar. Deze Reines ziet Manno’s buitengewone tekentalent. Omdat de jongen eenzaam is adviseert Reines om hem in de vakantie naar een Kinderkamp in Baden te sturen. Daar ontmoet hij de kinderen met wie hij decennialang een hechte vriendengroep zal vormen: Bela, een knappe, adellijke Hongaarse jongen, Lotte uit de middenklasse, de joodse Franzi uit een socialistisch milieu, de joodse Max uit een intellectuele familie en Bertl uit een reactionair gezin. Manno is het buitenbeentje dat met iedereen goed overweg kan.
In een politiek verdeeld Wenen fungeert hij als Haarlemmerolie binnen de groep en blijft neutraal wanneer ze hem gedachten en geheimen toevertrouwen die voor de andere vrienden verborgen blijven. En Manno schendt geen enkel vertrouwen. Ondertussen is hij kunstrestaurateur geworden, viert het nazisme hoogtij, holt de economie achteruit breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Nog steeds gaan de vrienden ieder jaar naar Baden, al is op het laatst niet iedereen er meer bij. Verraad en eigenbelang hebben de groep doen bezwijken.
Fanto noemt de Weense gebouwen, wijken en straten steeds bij naam, waardoor beeld en sfeer de zintuigen prikkelen en je je als lezer in Wenen waant.
Hoe mooi alles iseen ontroerend en meeslepend geschreven boek over de liefde tussen dichter/bioloog Leo Vroman en Tineke Sanders. Mirjam van Hengel, jarenlang Vromans redacteur, onderzocht voor haar boek de eerste jaren van hun relatie die kort voor de Tweede Wereldoorlog begon. Van Hengel schrijft met veel inleving en subtiele humor. Ze bezocht Leo Vroman (1915-2014) en zijn echtgenote in Fort Worth, Verenigde Staten waar ze sinds 1947 woonden.
De beschrijving van hun samenleven is liefdevol en met zoveel interessante details dat de lezer de indruk krijgt er zelf bij aanwezig te zijn. Er wordt verslag gedaan van Tineke’s familie die in 1938 vanuit Indië naar Nederland verhuisde. Vroman groeide op in Gouda en studeerde in Utrecht. Ze ontmoetten elkaar tijdens een etentje van studentenvereniging Unitas in Utrecht. Leo wist onmiddellijk dat zij voor elkaar zijn bestemd: ‘Ik dacht letterlijk: Godallemachtig! Ik zit naast mijn vrouw!’
Van Hengel leidt ons door beider levens tijdens de eerste zeven jaren van hun relatie. Tijdens de oorlog vlucht Leo naar Londen en vandaar naar Indië en komt in Indische kampen en in Japan terecht. Na de oorlog reist Leo alleen naar New York. Al die jaren hebben heeft hij sporadisch briefcontact met Tineke. Het is voor beiden een onzekere periode. Tot Tineke in 1947 naar Leo in New York reist. Ondanks alles wat in oorlogstijd niet zo mooi was, is het een plezier om te lezen.
Op de in het Nederlands vertaalde werken van Adolfo Bioy Casares is maar moeilijk de hand te leggen. Maar de boeken van deze Argentijnse grootmeester, vooral bekend vanwege Morels uitvinding en Ontsnapping van Duivelseiland, zijn stuk voor stuk parels. Kenmerkend voor zijn boeken is hun structuur: de lezer krijgt een grote hoeveelheid schijnbaar losstaande en nogal mysterieuze feiten en gebeurtenissen voorgeschoteld, die op de laatste pagina’s op tamelijk bizarre, maar geweldig originele wijze aan elkaar worden geknoopt.
In Slapen in de zon maken we kennis met klokkenmaker Lucio Bordenave. Zijn vrouw Diana heeft een zogezegd “moeilijk karakter”: “[z]e is altijd aan het piekeren en wantrouwt iedereen. Elk goed bericht maakt haar bedroefd want dat leidt tot de veronderstelling dat er een slecht komt ter compensatie.” Ook Bordenave’s klokken-business staat haar niet aan: die klokken zitten “‘[…] vol wieltjes en draaierijen […] Op een dag smijt ik de hele bende nog eens uit het raam, wat een zaligheid […].’” Als zij op een dag, min of meer buiten zijn wil om, wordt opgenomen in een kliniek, weet Bordenave niet waar hij het zoeken moet. Hij raakt volkomen in paniek en wordt door de behandelaars van zijn vrouw in het duister gehouden. Als Diana ten langen leste thuis wordt teruggebracht, is zij een stuk lieflijker dan voorheen. Dat stemt Bordenave uiterst argwanend: er is duidelijk iets niet in de haak. Blijkbaar was hij toch gesteld op het gezever van zijn vrouw. Het verhaal is een fascinerend mysterie en met een groot gevoel voor droge humor opgeschreven.
Als ik deze zomer één boek zou aanbevelen, dan is het Zomerboek van Tove Jansson. Ik las het een paar jaar geleden en sindsdien heb ik het al verschillende keren cadeau gedaan. Het is een van die boeken die ik graag doorgeef.
Sophia brengt de zomer door op een klein Fins eiland met haar vader en haar grootmoeder. Ze bouwen een miniatuur-Venetië, trekken eropuit, raken geïrriteerd, lachen weer en kijken hoe het weer elk uur kan omslaan. Er is nauwelijks een plot, maar je wilt steeds verder lezen.
Het hart van het boek zijn de gesprekken tussen Sophia en haar oma. De oma neemt haar kleindochter serieus, zonder haar te sparen, en Sophia stelt vragen waar volwassenen vaak omheen draaien. Hun gesprekken zijn grappig, eigenwijs en soms onverwacht ontroerend. Jansson legt nergens uit wat je ervan moet vinden; ze laat de scènes voor zichzelf spreken.
Juist daardoor gaan de grote thema’s nooit zwaar aanvoelen. Ouder worden, rouw, eenzaamheid en liefde zitten niet in grote uitspraken, maar in een blik, een stilte of een terloopse opmerking. Dat maakt het boek des te overtuigender.
Voor mij is Zomerboek een boek dat past bij lange zomerdagen: je leest een hoofdstuk, legt het even weg, kijkt naar buiten en pakt het daarna weer op. Het is klein van omvang, maar rijk aan observaties. Een roman die je in een weekend kunt uitlezen en die uitnodigt om later opnieuw open te slaan.
De zomervakantie vind ik bij uitstek een moment om een (dikke) klassieker mee te nemen naar een zonnig strand. Zo las ik Het rood en het zwart van Stendhal aan een Portugees strand en Bel-Ami van Guy de Maupassant in Maastricht; twee ongeëvenaard goede boeken en precies het juiste genre voor de lange, lome zomeravonden. Bovendien zijn dit boeken die uitstekend te combineren zijn met een duik in de zee, of bij gebrek aan zee, een riviertje of zwembad.
Twee jaar geleden begon in aan een strand in Sardinië aan DeToverberg van Thomas Mann, toch wel de vader van alle klassiekers. Helaas is het een van de weinige boeken waar ik in gestrand ben; ik las het nooit uit. Misschien waren de 40+ graden op Sardinië en het besneeuwde Davos van Mann geen goede combinatie. Maar ik denk eerder dat het in de lengte van het boek zat; ik kreeg de ruim 900 pagina’s niet uit voordat we weer naar huis moesten en eenmaal thuis was spontaan de wilskracht om me door het laatste stuk heen te werken verdwenen.
Dit jaar doe ik een nieuwe poging, omdat het duidelijk niet aan de kwaliteit van De Toverberg heeft gelegen. Ik ben er klaar voor om voor de tweede keer verleid te worden door Klavdia, de verhalen van Ludovico aan te horen en mee te genieten met alles dat Hans Castorp gaat meemaken. En hopelijk wel helemaal tot het eind deze keer!
De verborgen geschiedenis van Donna Tartt is een indrukwekkend boek. Een tragedie in de stijl van de klassieke Grieken en van een niveau dat Tartt in haar latere romans De kleine vriend en Het puttertje niet meer wist te bereiken, ook omdat de menselijke aard zo intens doorgrond wordt. De hoofdpersoon Richard, een jongen uit een eenvoudig gezin, is zo onder de indruk van een snobistisch, elitair en cynisch clubje van studenten, dat hij niet doorziet dat zij uiteindelijk feilbaar en verdorven zijn en zonder enig respect voor mensen die niet tot hun klasse behoren. De ontwrichtende psychologische spelletjes die zij met elkaar spelen, maken hem blijvend tot buitenstaander. Als hij achter het grote geheim van de groep komt, is zijn heldenverering al tot zulke hoogten gestegen, dat hij zich niet meer afvraagt of dit moreel aanvaarbaar is. Tartt zorgt ervoor dat de lezer net als Richard voorbij gaat aan de ethische kant van de zaak, door de spanning op te voeren en slechts sporadisch informatie te geven.
Toch wordt de groep uiteindelijk door hun hoogmoed ten val gebracht, zoals dat hoort in een Griekse tragedie.
In de koude wintermaanden moet Richard zich staande houden zonder vrienden, zonder verwarming en met een gat in het dak: in een ‘snerpende kou die pijn deed aan mijn botten, een kou zo meedogenloos dat ik die in mijn dromen voelde: ijsschotsen, vermiste expedities, […] terwijl ik eenzaam in de zwarte poolzee dreef.’
Heerlijk om te lezen als er weer een hittegolf komt. Hettie Marzak
Het laatste dagboek van J.J. Voskuil, deel 7, met als titel Het zwijgen is mijn vakantieboek 2026. Het kwam uit op 1 juli jl., de honderdste geboortedag van Voskuil. Dat de vakantie maar lang mag duren, want het is een lijvig deel geworden met maar liefst 1.160 bladzijden. Dit deel van de dagboeken beslaat de periode van 1987 – 2006, met nadruk op de jaren 1987-1989. Daarna valt er een gat. De stukken uit 2001 en 2006 zijn relatief kort. Op 1 juli 1987 viert Han zijn 61ste verjaardag en het is de eerste dag van zijn pensioen. Hij heeft 30 jaar gewerkt op het P.J. Meertensinstituut, het Amsterdamse Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde. Daarover heeft hij de zevendelige romancyclus Het Bureau geschreven. Nu hij met pensioen is, moet hij zoeken naar een zinvolle invulling van zijn dagen. Veel tijd gaat zitten in het schrijven in zijn dagboek en het kissebissen met zijn vrouw Lousje. Dat beschrijft hij uitvoerig in zijn dagboek. ‘Je gaat toch niet tikken?’ zegt ze verschrikt. ‘Dat kan niet voor de buren. Dan doe ik het raam dicht!’ Een schrikbeeld met deze warmte. ‘Dan ga ik wel voor zitten,’ zeg ik. ‘Met die hitte? Drink nou maar eerst koffie.’ Daar zit ik. Een gefrustreerde gepensioneerde.’ De dialogen met zijn echtgenote gaan o.a. over hoe je een kop thee moet inschenken. ‘‘‘Maar kun je dan zelfs geen kopje thee inschenken?”, zegt ze verontwaardigd. “Moet ik dan alles zelf doen?”’ De bezorgers verwijzen meerdere keren naar herkenbare fragmenten uit Het Bureau. Voor de liefhebbers van de romans en de dagboeken van Voskuil is dit deel zeker een aanrader!
‘Uw thermometer is kapot’ zei de huisarts eens tegen mij; in de winter duurt het tijden voor ik weer wat warm word en in de zomer koel ik slecht af. Wat is dan met de klimaatverandering voor mij het ultieme zomerboek? Winterverhalen van de Noorse Ingvild H. Rishøi (1978) in een vertaling van Liesbeth Huijer.
Drie novellen om te lezen ter afwisseling van vier Noorse plaatsjes die ik deze zomer aan zal doen. Niet dat ze zich daar afspelen en dat ik gek ben op sneeuw en ijs, maar toch. Als het heet is koel je af en als het koud is verwarmen ze je.
Je kunt de verhalen omschrijven als sprookjes van nu. Het kwade keert telkens ten goede. De kou is niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk aanwezig. Warmte is er wanneer telkens één mens in elk verhaal er is voor de personages aan de rand van de samenleving: een arme moeder met een vijfjarig dochtertje, een ex-gevangene met een zoontje en drie kinderen die weglopen van huis.
Het omslag lijkt – vreemd voor de winter – lichtende nachtwolken te verbeelden die net als de maan het ijzige landschap en een paar eenzame figuren verlichten. Deze afbeelding van Henry Farrer (1869) slaat wellicht op een passage uit het tweede verhaal waarin ‘het was alsof God de hele hemel opende en het allermooiste over me uitstortte’. Want ‘Wie één leven redt, redt de hele wereld’ (Talmoed, Sanhedrin 4,5).
Ik zou voor de zomer willen tippen het fantastische Tainaron (2015) van de Finse Leena Krohn. Dit fijnzinnige werkje uitgegeven door Wilde aardbeien en geïllustreerd door Inari Krohn levert je gegarandeerd een andere kijk op insecten op. Hoe het kleine in het grote terugkomt en omgekeerd wordt duidelijk als Krohn je rondleidt door de insectenstad Tainaron. Niets is wat het lijkt hier, bloemen leggen hinderlagen en alles duizelt en wemelt van duizenden geuren en pluizen en het stuifmeel. Het is een overvloedige plek waar de hoofdpersoon wordt rondgeleid door Tor als Dante door Vergilius en waar grenzen snel vervagen. Ze gaat op in het observeren van de verschillende leefgewoontes en eigenaardigheden van de bewoners en hun sociale verhoudingen.
Het is een soort Erik en het klein insectenboek maar dan veel serieuzer, in dertig brieven worden alle thema’s van het stadsleven bestreken, van het baren en huisvesting tot de cyclische omgang die de Tainaronners met hun doden hebben. Er is kannibalisme, er zijn brandoffers en er is onrechtvaardigheid en moord. De hoofdpersoon is ook vaak alleen, overdenkt dromerig haar vorige leven en hoe alles met elkaar samenhangt. Het is doortrokken van een melancholie die uit de wortels lijkt te komen. Daarnaast is het sjabloon van Tainaron een manier om over van alles en nog wat te filosoferen, ze is verbijsterd en verbaast zich over het wemelen van deze biotoop. ‘Maar nu de eerste voorbode van het verwelken naar de hemel opsteeg en we terugkeerden naar de stad, wist ik alleen nog maar met zekerheid dat ik even verdwaald was als vroeger.’
Ik verheug me nu al op het herlezen van Herinneringen aan de toekomst van Siri Hustvedt. Een voorwaarde voor een goed boek is dat je er steeds naar terugverlangt terwijl je iets anders doet. Je iets leest wat je nog niet wist, dingen die je bijblijven. En als je gaat zwemmen in zee, gaat de sfeer van het boek met je mee.
Een drieëntwintigjarige vrouw, (denk Siri Hustvedt) met een bul in filosofie en Engels verhuist in 1978 van Minnesota naar een donker kamertje in Brooklyn, New York. Ze is er om schrijver te worden, ‘om op zoek te gaan naar de held van mijn eerste roman.’ Ze verdoet haar dagen met cappuccino’s drinken, haar buurvrouw afluisteren, graait in boekhandels haar literatuur bij elkaar, richtingloos, bezield.Ze ontdekt schrijvers als John Ashbery, Kenneth Koch, Barbara Guest (die ik ook wil kennen), draagt in bars gedichten van anderen voor, laat zien hoe je verhalen maakt. Heerlijk zijn de beschrijvingen van het Brooklyn in de jaren zeventig. Greenwich Village, waar ze zocht naar sporen van de dadaïsten. Ontdekte het leven van Elsa von Freytag-Loringhoven (1874 – 1927). Vooral die sfeer uit de jaren zeventig maakt het boek aantrekkelijk, en Hustvedts verteltrant, die onstuitbaar is.
Het boek gaat vooruit en terug in de tijd. En dan zijn er nog die verhaalfragmenten, een politieke roman de ontmoeting met haar toekomstige geliefde (Paul Auster). In haar dagboek schreef Hustvedt aan hoofdstukken voor een roman, in het heden schrijft ze een politiek boek. Ik raakte de draad wel eens kwijt, maar werd telkens opnieuw gegrepen door haar verhaal. Daarom is het zo heerlijk het nog eens te lezen. Dit bruisende en meesterlijk gecomponeerde boek.
Ingrid van der Graaf
Herinneringen aan de toekomst
Siri Hustvedt
Vertaling door: Caroline Meijer en Jeske van der Velden
In januari van dit jaar waren we een week in Andalusië. We wilden er enkele natuurwandelingen maken. Dat mislukte nogal omdat die wandelingen deels door rivierbeddingen voeren; de waterstand bleek er hoger dan verwacht. Bovendien brachten we meer tijd in ons appartement door vanwege twee regendagen. Ik bleek het ideale boek te hebben meegenomen voor zo’n vakantie: Haas in huis van Chloe Dalton. De Britse auteur had een druk internationaal leven (ze was politiek adviseur buitenlands beleid), maar was door corona gekluisterd aan haar huis op het Engelse platteland. In het boek vertelt ze hoe ze op een dag een pulsterling (een jong haasje) vond dat geen moeder meer leek te hebben. Ze nam het in huis om het te verzorgen. Of beter: om zich zo weinig mogelijk met haar te bemoeien – ze liet de natuur haar gang gaan. Wat er toen gebeurde zette haar aan het denken over haar omgang met de natuur en het milieu, maar vooral over de jachtigheid van haar eigen leven. Daarmee is het ook een intiem boek. Zonder corona was het er misschien nooit gekomen. En nu was het ook voor mij precies wat ik nodig had om de teleurstelling over wat me van de geplande wandelingen afhield te relativeren. Natuurlijk past dit boek in elk jaargetijde en in elke vakantie. Ook als er niet over tegenvallers te mokken valt. Na lezing kijk je anders naar je leven.
In R.I.P. Gissing vermengt Geerten Meijsing biografie en autobiografie tot een sterk samenhangend geheel. Meijsing maakt duidelijk hoezeer hij zich gedurende tientallen jaren op welhaast fatale wijze heeft geïdentificeerd met de Britse schrijver George Gissing (1857-1903). In 1989 vertaalde hij Gissings roman The private papers of Henry Ryecroft, en voorzag deze van een nawoord van ruim dertig bladzijden.
Het perspectief wisselt gedurig van enerzijds het relaas over het noodlottige bestaan en de moeizame schrijverscarrière van Gissing, naar anderzijds de wederwaardigheden en loopbaan als auteur van Geerten Meijsing. De overeenkomsten zijn even onheilspellend als frappant: zelfs hun namen lijken op elkaar.
Het boek is deels feitelijk en informatief, met talrijke citaten uit originele documenten en verwijzingen naar secundaire publicaties over Gissing. Dan weer vergezelt de lezer Meijsing tijdens zijn lyrische en meeslepend verwoorde terugblik op zijn eigen afgelegde weg. Het decor wisselt navenant. Het ene moment verwijlen lezer en schrijver in verrukkelijke Italiaanse sferen, dan weer schetst Meijsing de lotgevallen van Gissing in armoedige huurkamers in het kille, mistige Londen van de 19de eeuw. Het boek eindigt met de aangrijpend geschetste doodsstrijd van Gissing en zijn overlijden in 1903.
Veelbelovend is het bericht dat R.I.P. Gissing geschreven ‘moest’ worden om ruimte te maken voor andere projecten die om voltooiing vragen. Met name opwindend is de aankondiging van het boek over ‘Kanger’, de koosnaam van Keith Snell (eigenlijk Kees Snel, 1951-2010), met wie Geerten Meijsing onder de firmanaam Joyce & Co. tussen 1974 en 1986 de fameuze Erwin-trilogie tot stand bracht.
Ik zoek naar een kort verhaal van Frida Vogels. Het lijkt belangrijk al haar boeken en publicaties om me heen te verzamelen, er stukken uit te lezen, voorlezen aan wie maar luistert. Herlezing van haar werk geeft opnieuw dat uitzonderlijke gevoel getuige te mogen zijn van een zelfontleding die zijn weerga niet kent. Hoe goed ze daarin was en hoe ze voor alles een waarachtig schrijver was. Daar bewonderde ik Frida Vogels om, en om haar volharding niet in de publiciteit te treden. Ook niet toen haar in 1994 de Libris Literatuurprijs voor De harde kern 2 werd toegekend. De aantrekkelijkheid daarvan.
Frida Vogels overleed op 6 juli op 96-jarige leeftijd in Bologna waar ze sinds 1955 met haar man Ennio De Matteis (1930-2017) woonde. In 1954, als ze twee jaar in Parijs woont, begint ze een dagboek bij te houden. Ze noteert: ‘DAGBOEK BEGONNEN OP 28 SEPTEMBER 1954, IN PARIJS, WAAR IK ALLEEN BEN EN TOT NIETS NUT.’ Parallel aan haar dagboek schrijven, werkt ze aan haar driedelige boek De harde kern. Toen dat voltooid was, verviel de behoefte verder nog een dagboek bij te houden.
Het meer dan zevenduizend pagina’s tellende dagboek was aanvankelijk niet bedoeld voor publicatie. Na herlezing besloot ze de dagboeken toch te bewerken. In mei 2005 verscheen het eerste deel (Dagboek 1954 – 1957) en nadien elk jaar een deel. Na het elfde deel, Dagboek 1977 – 1978 (2014) liet ze weten dat dit het laatste deel was dat bij haar leven zou verschijnen.
Frida Vogels leven kenmerkte zich door dat niet nuttig voelen. Overtuigd als ze was dat ze niets aan bestaande situaties kon toevoegen. Haar omgang met anderen uitpluizen wat haar vaak met schaamte en een schuldgevoel achterliet. En dat er nooit iets te herstellen was. Drie maanden na haar huwelijk wilde ze dit het liefst weer ontbinden omdat ze niet kon waarmaken wat er van een huwelijkspartner verwacht wordt. Toch blijft ze.
In oktober 1992 debuteerde ze met De harde kern, bij Van Oorschot. In de twee daaropvolgende jaren volgden De Harde kern 2 en De harde kern 3. Ze heeft er veertig jaar over gedaan om dit te vervolmaken.
Daar tussendoor publiceerde ze twee prachtig gecomponeerde portretten, Tante Lucietta (2011) en volgde in 2020 De vader van Artenio. Het korte verhaal over Vincenzo (2023) verscheen bij de margedrukker Korenmaat. De eerste twee portretten schreef ze an de hand van de aantekeningen die ze decennia terug over de betreffende personen maakte.
Het verhaal van Vincenzo staat tussen de dichtbundels in de kelder. Dunner dan ik dacht. Zeven bladzijden tekst. Het verhaal ontstond in de zomer van 1965 toen Vogels met haar man in Venola, een klein gehucht in de buurt van Bologna, de zomermaanden doorbracht. Ze verbleven in een omgebouwde paardenstal, ‘ingericht met uit Ennio’s geboortehuis in Zuid-Italië afkomstige meubelen.’ Het gaat over de buurman, Vincenzo, ‘een man uit één stuk, sterk en intelligent’. Vogels schrijft: ‘De avond waarop Vincenzo ons over zijn leven vertelde was toen al weer jaren geleden, maar ik herinner me die avond nog heel goed.’
Frida Vogels zelf stond model voor Henriette Fagel in J.J. Voskuils roman Bij nader inzien, een kopschuwe jonge vrouw die geen zin kan afmaken. Ook in Het Bureau en de dagboeken van Voskuil komt ze veelvuldig voor.
In Als het over liefde gaat van Jannah Loontjens is Frida Vogels een aanleiding m te gaan wandelen in Umbrië. In 2012 schreef Loontjens haar een brief met het voorzichtige verzoek om, ‘mocht u nog goed ter been zijn, misschien samen een wandeling te maken.’ Frida Vogels schreef haar per omgaande terug, dat ze niets voelde voor een bezoek,maar stuurde haar wel kopieën van haar aantekeningen van een wandeling die ze maakte in 1968.
In 2004 logeerde Detlev van Heest bij Frida Vogels in Bologna.Hij schrijft erover in Parkeren in Hilversum. ‘Frida toonde me haar kamer, de kamer van een kluizenaar, met het verzameld werk van de ‘ontzettend kleinzerige’ Kousbroek, de boeken van Han, de hare.’ Dichterbij dan deze beschrijvingen van haar persoonlijke leven in andermans literatuur liet ze niet toe.
Dat ik zelf wel een brief van Vogels in een van haar boeken had willen aantreffen. Een brief die ik dan voor me op tafel zou openvouwen, kijkend naar haar handschrift – dat volgens Loontjens een ‘klein handschrift’ met zinnen die ’schuin omhoogkropen’ – op zoek naar een uitspraak die haar kenmerkt. Maar ik heb haar nooit geschreven.
‘Ik geloof dat de vorm die mijn leven gekregen heeft goed is zoals die is en dat er plaats in is voor alles wat voortkomt uit mijzelf.’, schrijft ze in In den vreemde.
Wat me overkomt nu al haar boeken om me heen liggen. Ik heb vrienden die er nooit aan begonnen zijn, ik kan er niet mee ophouden als ik erin begin. Schrijven was voor Vogels zelfonderzoek, ‘ik heb me te verantwoorden.’ Soms niet te doen om te lezen. Dat jezelf het geduld niet hebt, de volharding jezelf onder de loep nemen. Het leven ging Frida Vogels pas goed af wanneer ze erover kon schrijven. En dat wij het lezen. Begin met In den vreemde, Kronieken, een prachtig sluitstuk van haar oeuvre.
Foto: Thomas van Grafhorst, 31 mei 2026 in Frida Vogels werkkamer in Bologna.