• Mahmoud en Mahmoud moeten de machtigen lezen

    Rieneke van Tongeren kreeg als docente Nederlands/NT2 in 2018 twee cursisten in haar klas die gevlucht waren uit Syrië: Mahmoud Omar en Mahmoud Ali (niet hun echte namen). Ze raakte al gauw onder de indruk van deze mannen, omdat ze ondanks alles wat ze hadden meegemaakt in hun leven, zo vriendelijk en leergierig waren gebleven, met grote belangstelling voor al het nieuwe om hen heen. Van Tongeren besloot te vertellen over hun verleden in Syrië, hun vlucht naar Europa en hun nieuwe bestaan in Nederland.

    Van Tongeren kon toen nog niet vermoeden hoe de oorlog in Gaza zou gaan woeden en hoeveel slachtoffers er zouden vallen onder het Palestijnse volk. Het deed haar even aarzelen om haar boek uit te brengen, schrijft ze op LinkedIn, omdat ze geen politiek statement wilde maken, maar uiteindelijk besloot ze door te zetten, ‘want dit verhaal moet verteld worden.’

    Ze schrijft het verhaal van twee vrienden, collega’s en buren, Mahmoud Omar en Mahmoud Ali, twee Palestijnen die nog nooit in Palestina geweest waren. Hun ouders moesten vluchten toen in 1948 de Arabisch-Israëlische oorlog uitbrak, die ‘Al Nakba’ genoemd werd: ‘de ramp’. Na vele omzwervingen kwamen alle vier de ouders in 1957 terecht in Kamp Yarmouk. Dit heet ook wel de ‘hoofdstad van de diaspora’, want geen vluchtelingenkamp zou ooit groter worden. Hier werden Mahmoud en Mahmoud geboren, maar ieder aan een andere kant van het immense kamp, waardoor ze elkaar pas ontmoetten in hun twintiger jaren. Ze waren vastbesloten om hard te werken en hard te studeren en ze ‘kozen de weg van de geweldloosheid. Ze zouden geen martelaar worden, maar een strijd voeren met woorden, met kennis, met kunst en muziek.’

    Nuchter en lyrisch

    Hun verhaal begint met een gedicht van een andere Mahmoud, de bekende dichter Mahmoud Darwish. Deze Palestijn dichtte over het verlies van zijn land, de pijn van de verdrijving en de Palestijnse diaspora. Het gedicht nodigt uit om aan anderen te denken, aan mensen die het slechter hebben dan jij. Het werd vertaald door Mahmoud Omar. Na dit indrukwekkende gedicht is de paklijst, waarop staat wat de vluchtelingen moeten meenemen, wel heel prozaïsch: tot de benodigdheden behoren ‘1 set schoon ondergoed en lege flessen om urine op te vangen’.

    In flashbacks wordt de reden dat deze mensen willen vluchten, onthuld tijdens hun gevaarlijke reis: de mannen denken terug aan hun jeugd, de armoe, de hongersnood, de angst, de bommen en de scherpschutters. De geheime dienst en de verraders. Op straat worden jonge mannen ontvoerd om te dienen in het leger van Assad. Zij komen terug in een lijkenzak. Overleven ze het toch, dan sidderen ze nog na van marteling en geweld. In korte zinnen vertelt Van Tongeren hoe het was: ‘De aangewezen schuldigen waren altijd terroristische groeperingen, ook al was het klip-en-klaar dat het regime erachter zat. En zij die in de ziekenhuizen overleden, stierven in de officiële stukken altijd aan een natuurlijke dood: een hartaanval, een beroerte. Maar nimmer noteerde men staatsmarteling als officiële doodsoorzaak.’

    In de geest van…

    Van Tongeren hanteert nog een andere verteltechniek om heden en verleden met elkaar te verbinden en om zowel de vluchtelingen als de achterblijvers tegelijk aan het woord te laten komen. Ze schiep een geest, de ‘schim van Palestina’, die al sinds 1948 door Syrië dwaalt om haar Palestijnse broeders en zusters te volgen. Deze verteller, die boven de verhalen zweeft, stelt Van Tongeren in staat om de gebeurtenissen van lang geleden en van ver weg af te wisselen met het heden. Deze ‘schim van Palestina’ lijkt enigszins op de verteller in Hertog van Egypte van Margriet de Moor en vervult dezelfde rol. Daardoor vernemen we ook rechtstreeks hoe het gaat met de gezinnen van Omar en Ali, die in angst en zorgen achterblijven in het kamp, waar de dagelijkse ellende gewoon doorgaat.

    Van Tongeren beschrijft op treffende wijze hoe de mensen zich voelen, hoe ondanks de ontberingen de hoop op een beter leven blijft bestaan. Haar korte zinnen staan sentimentaliteit of overdrijving niet toe, maar ze weet heel goed inzichtelijk te maken wat er in deze mensen omgaat, of het nu de mensen zijn die in Kamp Yarmouk achterblijven of de vluchtelingen in de bus: ‘Angst overvalt hem. Is er een controle? Waarom duurt het zo lang? Hij probeert het gevoel van paniek te onderdrukken. Twee stemmen schreeuwen in zijn hoofd om het hardst. ‘Er is niks aan de hand. De chauffeur gaat gewoon tanken.’ ‘We worden gecontroleerd, Let maar op, zo meteen gaat de laadruimte open en worden we ontdekt.’

    Na een spannende en gevaarlijke reis komen Mahmoud Omar en Mahmoud Ali aan in Nederland, in Ter Apel, waarmee het tweede deel van het boek begint. In het azc is de verveling groot, het is er nooit stil en ze hebben amper privacy. Maar klagen doen ze niet, want ze zijn blij en dankbaar dat ze ‘in vrijheid, in veiligheid zijn en met vertrouwen hun toekomst tegemoet lopen.’ De volgende stap is het aanvragen van een verblijfsvergunning en de gezinshereniging. Beide processen duren erg lang, veel langer dan verwacht was, waardoor de zorgen om hun achtergebleven gezin stijgen, evenals de angst voor represailles van het leger van Assad op hun families. Een aantal keren moeten ze verhuizen, van Ter Apel naar Gilze, van Gilze naar Onnen. Ze worden gehoord voor hun asielaanvraag en ervaren hoe lastig het is om te bewijzen dat je terecht bent gevlucht. Ze leren de Nederlandse taal, ‘een manier om uit de wachtkamer te ontsnappen.’

    Ten slotte krijgen ze hun verblijfsvergunning. Nog later, na bijna een jaar, mag het gezin overkomen en krijgen ze een huis toegewezen. De mooiste scène wellicht: Mahmoud Ali krijgt een kleindochter. Zij is het eerste familielid in zeventig jaar dat een eigen, legale nationaliteit krijgt: de Nederlandse.

    Actualiteitswaarde

    In een nawoord refereert Van Tongeren aan de strijd tussen Israël en de Palestijnen, al kon zij toen nog niet weten dat de vete vanaf 7 oktober 2023 opnieuw zou losbarsten. Ook spreekt zij de hoop uit dat andere vluchtelingen ‘net als Mahmoud Ali en Mahmoud Omar als ware geluksvinders in het leven zullen staan. Nederig, dankbaar, vol levenslust en altijd oog hebbend voor de mooi, goede, fijne en leuke dingen in het leven. Want de Mahmouds zien en vinden het geluk dat overal om ons heen is. Geluk, dat veel mensen niet meer zien in de waan van alledag.’

    Dat gun je iedereen, maar haar verwachting om ‘nederig en dankbaar’ te zijn komt wel erg moralistisch over. Het is een van de weinige minpunten van dit boek, dat alles in het tweede deel, als de mannen in Nederland zijn, zo rooskleurig beschrijft. Iedereen is even aardig, vriendelijk en bereid om te helpen. In Groningen leren ze een man kennen, Tije, die zelfs voor hun beider gezinnen de vliegtickets betaalt. Alle Nederlanders zijn eerlijk en bereiden hun een warm welkom. Het kan natuurlijk echt zo gegaan zijn, dan hebben de Mahmouds een geluk gekend waarvan je zou willen dat elke vluchteling het mag overkomen. Maar het valt te vrezen dat de andere kant van het verhaal niet vermeld wordt: de overvolle azc’s, het buiten slapen in de kou, de agressie, de uitzichtloosheid, de discriminatie, alles wat de media wel vermelden.

    Twee keer beschrijft Van Tongeren die andere kant: als in een trein een Arabische man in paniek raakt omdat hij niet weet of hij de goede richting opgaat; en nadat Ali ondervraagd is door de IND. Dan komen alle emoties boven: ‘Hij is het nu die de stilte op de kamer verbreekt, die angstkreten uitstoot, die in gierende uithalen huilt alsof hij een klein kind is.’

    Vorige jaar, op 7 juli viel het kabinet over de vluchtelingenpolitiek, de beperking van de asielinstroom en de gezinshereniging. Laten we alle kabinetsleden dit boek cadeau doen en ervoor zorgen dat ze het ook daadwerkelijk lezen. Misschien helpt het om vluchtelingen een veilige plek in Nederland te geven.

     

     

  • Henkes herleidt en vermaakt

    Bij de samenstelling van de bundel van Russische kindergedichten vanaf de 17de eeuw, Bij mij op de maan, stuitte vertaler Robbert-Jan Henkes op een gedichtje waarvan hij niet zeker wist wie de schrijver was. Wel vermoedde hij dat het van Daniil Charms kon zijn, omdat hij het al eerder was tegengekomen in diens kindergedichten. Na lang speuren naar de herkomst ontdekte hij dat het gedichtje afkomstig was uit een Russische bundel uit 1937 met veertig heel korte verhalen voor kinderen, in dichtvorm, geschreven bij plaatjes. De auteurs waren Nikolaj Radlov, Daniil Charms, Nina Gernet en Natalja Dilaktorskaja, maar nergens stond vermeld wie wat geschreven had.

    Henkes besloot hierop twee projecten te starten: een ‘Charms Research Project’, om te kijken welke gedichtjes van Charms afkomstig waren, en een ‘Cursus Charmsiaans Vertalen’, om te kijken of hij alle gedichten kon overzetten op een manier die Charms waardig was. Om te bepalen welke gedichten van Charms waren, gebruikte hij de negatieve uitsluiting: ‘Soms zijn ze (de gedichten) flauw, soms al te beschrijvend, soms moralistisch, educatief of geschreven vanuit een stakkerig volwassen standpunt, soms zijn ze met opgelegde, onbijzondere rijmen of een saai ritme, stoplappen en ander vulsel, of spreken ze nodeloos de lezer aan en wemelen ze van de uitroeptekens – allemaal kenmerken die Charms vrijwel zeker uitsluiten als auteur.’

    Charmante poëzie

    Daniil Charms (1905-1942) was een Russische schrijver van absurdistische verhalen met een gebrek aan logica, vol met vreemde wendingen. Onder het regime van Stalin werd Charms als een bedreiging gezien en daarom werd hij verbannen naar Koersk. Hij schreef na zijn terugkeer alleen nog kinderliteratuur, maar kon daarmee niet voorkomen dat hij in 1941 gevangen werd genomen en krankzinnig werd verklaard. Hij stierf in 1942, vermoedelijk door uithongering, in een psychiatrische inrichting. Niemand weet waar hij begraven ligt, maar zijn faam ging de wereld over nadat een vriend in Charms’ woning manuscripten ontdekte en deze publiceerde.

    De titels van Henkes’ projecten klinken behalve hoogdravend weliswaar grappig, zijn grondige werkwijze verraadt juist eerbied. Het resultaat is een prachtig vormgegeven boek, waarin zowel het Russische origineel van de veertig gedichten wordt gegeven, de fonetische weergave daarvan, als het bijbehorende plaatje. Ook staat vermeld welke versmaat en rijmschema’s gehanteerd zijn. Voordat Henkes zich aan de vertaling wijdt, geeft hij weer wat er letterlijk staat. Daarna vergelijkt hij de vertalingen die bestaan in het Engels, Frans, Duits en de Nederlandse versies uit 1938 en 1958. Voor de duidelijkheid zijn deze alle in het rood afgedrukt.

    Kinderlijk hoeft nog niet tuttig te zijn

    Slechts weinig vertalingen dragen Henkes’ goedkeuring weg. Ze zijn te braaf, te moralistisch, ze hebben een rammelend metrum of ze slaan de plank mis wat betekenis betreft. Ook vindt hij ze te onthullend, want voorgelezen kinderen moeten juist zelf concluderen wat er gebeurt aan de hand van de plaatjes. Dat mag niet in de tekst al verklapt worden. Zoals bij een plaatje waar een hond een stapel houtblokken beklimt om een gebraden kip uit de vensterbank te stelen en daardoor naar beneden tuimelt. Een ongepubliceerde vertaling van de Vlaamse auteur Liesbeth Elseviers is toch heel geslaagd:

    Ik pik die kip, als ik niet val.
    Als ik niet val, pik ik hem snel.
    Ik pik die kip, ik pak hem al,
    Als ik niet val. Ik wist het wel.

    2

    Henkes maakt er zelf van:
    Ik krijg dat kippertje – op het nippertje.
    Nu moet ik het niet verknallen…
    Ik wist het wel, dat ik zou vallen!

    Hij schrijft erbij: ‘Is niet heel goed Nederlands, maar het is een hond hè, moet je maar denken…Wie heeft ooit een hond goed Nederlands horen spreken?’ Een zwak verweer van Henkes, die alle vertalingen van andere auteurs genadeloos neersabelt. Alleen de versies van de eerder genoemde Elseviers en de Engelse Helen Black kan hij nog wel waarderen. De laatste maakte van hetzelfde gedichtje:

    “Now I’m going to steal that pan
    With the chicken, if I can.
    Just my luck! Well, I can say
    I don’t want it anyway.”

    Werk wijzer met een werkwijzer

    Henkes vertelt in het voorwoord dat hij bij het vertalen uitgaat van de 13 geboden van de kinderdichter Kornej Tsjoekovski (1882-1969). Hierin stelt hij dat kindergedichten vooral klankvolle eindrijmen moeten gebruiken, actie moeten benadrukken en kinderen niet moeten onderschatten: ‘Volwassenen kun je voor de gek houden, kinderen nooit.’ Er hoeven geen motieven, geen beweegredenen en geen gepsychologiseer in de gedichten voor te komen, volgens Henkes. Maar wel moet een vertaler proberen het leuker te maken door meerdere lagen aan te brengen. Dat daarbij af en toe van het origineel moet worden afgeweken, vindt Henkes geen bezwaar, het hoeft geen ‘platte navertelling’ te worden.

    Henkes geeft een mooi inkijkje in hoe hij tewerk gaat bij het vertalen. Soms schrijft hij letterlijk zijn hele gedachtegang van het begin tot het einde op, een andere keer doet hij alsof hij met zichzelf praat. Als lezer volg je het proces dat met alle struikelblokken, probeersels, overwegingen en alternatieven uiteindelijk leidt tot een bevredigend resultaat. Zijn vondsten zijn origineel en verrassend en hoewel zijn gedichtjes soms lijden aan dezelfde kwalen die hij de vertalingen van anderen verwijt, is de bundel een genot om te lezen en door te bladeren. het is heel bijzonder om naast de gedichten ook de vertalingen ervan te lezen.

    Soms iets te lollig

    Maar hoe knap de vertalingen ook zijn, het taalgebruik dat Henkes bezigt om zijn gedachten weer te geven is net als zijn humor nogal flauw. Popiejopie, om in de stijl te blijven. Die kan het beste omschreven worden met typeringen uit vroegere ‘meisjesboeken’: tof en jofel. Alsof je Joop ter Heul hoort spreken. Zo schrijft hij zinnen als: ‘Blèr!’ en ‘Krijg nou tieten!’, terwijl hij eerder gesteld heeft dat uitroeptekens ‘onmachttekens’en ‘uitpoeptekens’ zijn. Als hij over een Engelsman spreekt, komen daar een ‘Amerikaansvrouw, een Duitsvrouw en een Fransvrouw’ bij. En hij heeft het over collega’s uit ‘bidden- en boughtenland’. En: ‘Mogen die kindertjens dat niet zelf uitvinden met hun eigen bolle ogen?’ Er zijn nog meer voorbeelden van uitdrukkingen die enorm storen bij het lezen, alsof je op een prachtig aangelegde sierbestrating elke keer je teen stoot aan een uitstekende stoeptegel. Alsof de schrijver zijn eigen werk niet serieus neemt. En dat is jammer, want deze bundel is een prachtige verzameling van gedichten die met groot vakmanschap vertaald zijn. Dat had Henkes ook kunnen laten zien zonder zich te gedragen als Swiebertje.

  • Van bange jongen tot volwassen beschouwer

    Op het conto van Adriaan van Dis staan romans, (reis)verhalen, essays, poëzie, toneelstukken, documentaire televisieseries, literaire non-fictie en zelfs een libretto. Voor zijn gehele oeuvre kreeg hij in 2015 de Constantijn Huygensprijs. Huidskleur is een terugkerend motief bij Van Dis, vooral in zijn boeken en reisreportages over Afrika en in zijn ‘Indische’ boeken. Zijn belangstelling voor Zuid(elijk)-Afrika kwam voort uit bewondering voor de Zuid-Afrikaanse schrijver Breyten Breytenbach. De beschouwende blik op afkomst en sociale ongelijkheid is bij Van Dis nooit ver weg.

    Veel van zijn romans hebben te maken met Indonesië en de Nederlands-Indische achtergrond van zijn ouders. Ze waren beiden Nederlanders; zijn moeder was eerder getrouwd met een Molukse KNIL-militair waardoor de drie halfzussen van Van Dis half-Indisch zijn. Omdat hij zelf wit is en geboren in Nederland voelde hij zich een buitenstaander in het gezin, ook omdat behalve hij alle gezinsleden een Nederlands-Indisch oorlogsverleden hadden. Zijn boek Indische duinen daarover werd een groot succes.

    De oorlog

    Ook in Naar zachtheid en een warm omhelzen ruist oorlog. De negenjarige Adriaan wordt voor langere tijd naar zijn grootvader Huibert gestuurd om in diens ‘hoge huis’ rust te krijgen van zijn vaders oorlogstrauma, van zijn getier, de slaag en de demonen. Hij is een zenuwachtig kind met sproeten. De stugge grootvader praat weinig, weet niet hoe hij met een kind moet omgaan. Bij huishoudster Jans daarentegen, die Adriaan na een tijdje uit zichzelf Ommie gaat noemen, mag hij op schoot zitten, krijgt hij aaien over zijn hoofd en armen om zich heen. De verre herinnering aan haar was voor Van Dis de aanleiding tot dit boek.

    Ommie is in dienst bij Adriaans grootvader. Ze woont in het hoge huis, krijgt niets betaald, is afhankelijk van hem – al is de afhankelijkheid wederzijds. Zij is ook zijn concubine, maar daar wordt in huis niet over gepraat. Ze dient, doet het huishouden, verzorgt grootvader en bedient de vrienden en zakenmannen die op bezoek komen. Het is de tijd van De Koude Oorlog, de komst van de Russen dreigt. Restanten van de Tweede Wereldoorlog zijn nog aanwezig: in ruïnes van dorpsgebouwen, in het op straat tikkende houten been van de dagelijks langslopende Melita, in flarden van gesprekken die Adriaan opvangt. Voor hem is het allemaal spannend. Mondjesmaat krijgt hij over de oorlog iets los van Ommie. Ze praat er liever niet over. Van haar heeft hij een verrekijker gekregen die hij Maresch noemt, naar de naam in de voering van het foedraal. Maresch is de vriend die hem de wereld laat zien
    – zelf durft hij nog niet goed naar buiten. Hij observeert er de straat mee, de langslopende mensen, en in huis de plafonds, kastdeuren, ieder randje of vlekje. ‘Sproet’ is nieuwsgierig, opgewonden en bang voor wat hij ontdekt en niet begrijpt. Ommie stelt hem gerust: ‘Je bent veilig.’ Later hoort hij van haar dat Maresch de achternaam is van de Tsjechische Jan, gevlucht voor de nazi’s en in het verzet, ondergedoken bij Ommie in het hoge huis.

    Intermezzo’s

    Van Dis is inmiddels zevenenzeventig jaar oud en zo presenteert hij zich ook in Naar zachtheid en een warm omhelzen. Over dat heden vertelt hij in een ander lettertype in kleine intermezzo’s tussen de hoofdstukken door. Met een kapotte heup zit hij op een bankje in het park, dagelijks na altijd dezelfde wandeling. Hij ontmoet er onder andere ‘twee vingervlugge kameraden, Hamza en Ricardo, die samen langs de winkels slierden. Al kletsend merkte ik dat ik erg op mijn woorden moest letten. Wat was een roman precies? Wat bedoelde ik met “teruggaan in de tijd”?’ Boeken lezen doen ze niet, nooit. Met deze jongens toont Van Dis zijn beschouwende oog voor andere ontwikkelingen, voor het asociale van een samenleving. In het park peinst hij ook over de tijd in zijn grootvaders huis. ‘Soms kan ik het niet laten even tegen de stam te leunen, zoals Ommie deed na het schoffelen.’

    Melita met het houten been fascineert Adriaan, net als het gevaarlijke woord ‘razzia’ dat hij in verband met haar opvangt. Haar invalide zoon duwt ze in een kar voort. ‘Ze leefde voor hem, dat was ze verplicht aan zijn vader, een verzetsheld.’ Adriaan bekijkt moeder en zoon door het raam nieuwsgierig en medelijdend met zijn verrekijker. Op een ochtend vallen ze, de zoon met zijn hoofd op de stenen. Hij krijgt een spasme en een hersenschudding, moet naar een tehuis, wordt haar afgenomen. ‘Ze begon door de straten te dwalen. (…) Soms schreeuwde ze luid zijn naam. (…) Niet meer het tikken van haar been kondigde haar aan, maar haar stem. Hoog en schor. (…) Adriaan riep Ommie als hij haar hoorde. (…) Hij zou haar nooit meer “manke” noemen.’

    Onder de stijl schuilt het drama

    Gedurende het verhaal blijkt hoe sociaal Ommie is. Ze probeert iets te betekenen voor Melita, heeft onderduikers geholpen en houdt Huiberts familie bij elkaar. Langzaamaan hoort Adriaan meer over de oorlog, al proberen grootvader en Ommie dat te vermijden. Zijn huisleraar – Adriaan krijgt thuis les -laat vallen: ‘“De moffen lieten ons verrekken”. Nou, toen begreep Adriaan het wel. Meneer Van Look (…) dicteerde er nog een hele trits bij: “vechtbereid”, “verhoortechniek”, “vernietigingskamp”. Ook die woorden schreef Adriaan met een bibberpotlood op. Hij kon het echt niet helpen, was zelf niét over de oorlog begonnen. (…) Hij stelde vele vragen. Verboden vragen. Betrad verboden terrein. Maar hij genoot ervan. O, wat verlangde hij naar dapperheid.’

    De hedendaagse Van Dis gaat op zoek naar informatie over de vrouw die zijn Ommie was. Hij spreekt verre familieleden, vindt documenten. Zijn moeders nalatenschap levert een paar brieven van Ommie op. ‘Geruststellingen over mijn schoolvorderingen en strijd tegen galbulten (…) Bij tweede lezing viel mij een passage op die ineens meer betekenis kreeg: Wat is dat toch met Adje? Hebben jullie er veel met hem over gesproken? Hij tekent al dagen tanks in zijn tekenschrift en schietende soldaten in plassen bloed.’

    In Naar zachtheid en een warm omhelzen neemt de waarnemer Van Dis de lezer in treffende bewoordingen mee naar de ervaringen van de kleine, bangelijke jongen van toen. Het boek leest moeiteloos. Maar onder de heldere, haast lichtvoetige stijl van de auteur schuilt het drama. De verbeelding en empathie van de lezer worden aangesproken dankzij levendige personages, invoelbare dialogen en het perspectief van de kleine Adriaan. Af en toe is er een alwetende verteller aan het woord. De hedendaagse intermezzo’s zijn in de eerste persoon geschreven.

    Rudy Kousbroeklezing

    Vorig jaar kon Adriaan van Dis dan eindelijk de Rudy Kousbroeklezing houden die wegens corona een paar jaar was uitgesteld. In de tussenliggende jaren schreef hij verder aan de lezing. Zijn onderzoek breidde zich uit, de artikelen stapelden zich op, er kwamen steeds meer gegevens bij. Veel te veel voor een lezing. Daarom is er nu wederom een boek; De kolonie mept terug is de neerslag van al dat materiaal. Opnieuw is Van Dis’ beschouwende oog gericht op het koloniale verleden en de gevolgen ervan, op racisme en de witte kijk op de wereldgeschiedenis.

  • Ingenieus gecomponeerde briefroman over de macht van de verbeelding

    Er is weer eens een briefroman geschreven! In De schim van Raamswolde, het debuut van Alexander Baneman, lezen we de brieven die correspondentieschaker Allard van Benniq Methorst gedurende ruim een jaar naar verschillende mensen verstuurt of niet verstuurt. Halverwege de achttiende eeuw zorgde Samuel Richardsons briefroman Pamela or Virtue Rewarded (1740) voor een Pamelamania die in Engeland en continentaal Europa tot een hausse aan imitaties, vertalingen (van vertalingen), schilderijen, toneelstukken en opera’s leidde.

    Decennialang was het genre dominant en zagen talloze briefromans het licht, zoals de klassiekers Les liaisons dangereuses van Pierre Choderlos de Laclos en Die Leiden des jungen Werthers van Goethe. In Nederland is Sara Burgerhart van Betje Wolff en Aagje Deken, onlangs fenomenaal hertaald door Tonnus Oosterhoff, verreweg de beroemdste briefroman. En allemaal gaan ze over jonge vrouwen die belaagd worden door mannen, over deugd, seks, liefde, huwelijk en de balans tussen hoofd en hart. Aan het eind van de achttiende eeuw is het genre over zijn hoogtepunt heen

    Voor hedendaagse schrijvers spreekt de keuze voor de briefvorm minder vanzelf. Veel moderne briefromans hebben een historische invalshoek: ze zijn ofwel gesitueerd in een verleden waarin de brief nog een belangrijk communicatiemiddel was of ze refereren aan briefromans van weleer, zoals De Daal-en-Bergse brieven van Hella Haasse, waarin de 20ste-eeuwse hoofdpersoon met Madame de Merteuil uit Les liaisons dangereuses correspondeert. Een andere legitimatie van de briefvorm is de functie van de brief als egodocument, als therapeutische uitlaatklep, zoals in de briefromans van Gerard Reve.

    De schim van Raamswolde combineert op eigen wijze beide invalshoeken: de roman speelt zich af in 1987 – niet lang voordat de brief plaatsmaakt mail en chat. De 45-jarige Allard van Benniq Methorst houdt uitsluitend per brief contact met de buitenwereld, omdat hij zijn huis niet uit durft. Hij schrijft brieven om boodschappen te bestellen, om schaakzetten door te geven, maar vooral om zijn gedachten over zichzelf kwijt te kunnen. Hiermee markeert de roman enerzijds het einde van een tijdperk van de persoonlijke brief als communicatiemiddel, anderzijds doet de roman, hoewel niet autobiografisch, denken aan therapeutische ego-literatuur. Dit wordt onderstreept door het feit dat we alleen Allards brieven te lezen krijgen.  

    Vivisectie

    Baneman maakt het zichzelf niet makkelijk. Omdat de hoofdpersoon een kluizenaarsbestaan leidt, levert het vertelheden nauwelijks spannende gebeurtenissen op. De roman moet gedragen worden door Allards bespiegelingen en herinneringen. En dat lukt ruimschoots. Het is een plezier om deze man steeds beter te leren kennen omdat hij een sympathiek, intelligent en aandoenlijk mens is van wie je graag een brief ontvangt. Hij heeft altijd wel iets interessants weet te melden en heeft oog voor het wel en wee van de ander. Zonder zelfmedelijden legt hij zichzelf op de ontleedtafel om als een patholoog-anatoom zichzelf en de oorzaken van zijn angststoornis te analyseren.

    De roman krijgt structuur doordat Allard dit systematisch doet. Zoals hij tijdens het correspondentieschaken meerdere partijen naast elkaar speelt die zich elk op hun unieke manier ontvouwen, zo beschouwt hij in elke briefwisseling een ander aspect van zichzelf.

    Met Trudy de Klerk, een vrouw die hij nooit heeft ontmoet maar heeft leren kennen omdat ze ooit het verkeerde nummer draaide, schrijft hij over zijn liefdeloze jeugd. Zij heeft namelijk ook een getroebleerde relatie met haar vader. Die brieven zijn ontroerend door de trefzekere typering van zijn kille, liefdeloze vader én omdat Allard ondanks zijn asociale leefwijze oog heeft voor Trudy’s leed en haar probeert te troosten, zich regelmatig verontschuldigend voor zijn onhandigheid. Baneman gebruikt briefconventies als de afsluiting effectief om de emotionele gesteldheid van Allard te onderstrepen, wanneer hij Trudy over de dood van zijn vader schrijft: ‘Volgende keer meer, het grijpt mij nu te veel aan’. 

    In de brieven aan Leopold Weijzer, een oude schaakvriend, wordt de aanhef effectief ingezet om de wisselende waardering voor zijn vriend uit te drukken: ‘Waarde wurgslang’, ‘Grote schoft’ of ‘Beste Lop’ maken Leopold en de lezer meteen duidelijk hoe de vlag erbij hangt. De rode draad in deze brieven wordt gevormd door Allards angststoornis die hij nu eens verdedigt als verstandig (de man die haaien rond zijn boot ziet zwemmen, besluit toch ook niet te gaan zwemmen), dan weer afkeurt als bron van praktisch, geestelijk ongemak.  

    In de correspondentie met Daniël Wolvecamp, de twaalfjarige domineeszoon uit het dorp, staat Allards liefde voor het schaken centraal. In uitgesproken filosofische verhandelingen (‘Misschien is dit wat lastig te begrijpen voor een jongen van 12’) zet hij de relatie tussen schaken, het onderbewuste en de kunst uiteen. Net als in de andere brieven en in een schaakpartij probeert hij zich in te leven in Daniël, geeft hem leestips en adviseert over de omgang met zijn religieuze vader, wat de serieuze bespiegelingen een komische toets geeft. 

    Met Dagmar Slotvoogd, die ooit een half jaar bij hem inwoonde, is de liefde het belangrijkste thema. Deze brieven hebben een uitermate romantisch karakter: verlangen, verlies, naïviteit en onvermogen geven de brieven kleur, versterkt door het feit dat Allard Dagmars adres niet heeft. En ten slotte probeert Allard in de brieven aan gemeenteambtenaar Den Andel steeds wanhopiger de dreigende onteigening van zijn huis te voorkomen. Hij is de onpeilbare, machtige en onberekenbare tegenstander die vanuit het duister opereert.  

    Verbeelding

    De verschillende briefwisselingen zijn met elkaar verbonden door het belangrijkste overkoepelende thema van het boek: de verbeelding die als `een laagje van glanzende schellak’ over de werkelijkheid ligt. Filosofisch als Allard is, ontvouwt hij zowel de positieve als de negatieve kanten van de verbeelding.

    Enerzijds is de verbeelding een manier om controle te houden. Producten van de verbeelding zoals kunstwerken kunnen daarvoor zorgen. ‘Schaken verhoudt zich tot oorlog als een speelfilm of een boek zich tot het ware leven verhoudt’, stelt Allard. De schaker wil de buitenwereld ‘opeten en verwerken tot iets wat, ja iets wat – tot wat? – laat ik zeggen tot iets wat acceptabel is. De buitenwereld mag niet bestaan, mag alleen onderdeel van het zelf uitmaken. Anders wordt het gevaarlijk en onberekenbaar. De scalp van een tegenstander aan het bord in je ransel is een stuk buitenwereld dat je opgegeten hebt’. 

    In een brief aan Trudy verwijst Allard naar de novelle Kurgast van Herman Hesse die hem geleerd heeft hoe verbeelding gebruikt kan worden om ergernis over een persoon – bij Hesse een Nederlandse gast, bij Allard zijn vader- om te buigen in positieve waardering door die allerlei meelijwekkende ervaringen en tragische omstandigheden toe te dichten. Dit werkt echter alleen wanneer zijn vader er niet is.

    De positieve kanten van de verbeelding delven het onderspit tegen de negatieve kanten. ‘Angst en verbeelding hebben een slepend huwelijk’, stelt hij in een brief aan Dagmar, waarbij hij zijn vermoeden uitspreekt dat de angsten in zijn onderbewuste de verbeelding versterken. Hij beschrijft in een andere brief hoe hij als achtjarige zijn reflectie in een etalage zag, wat hem tot de gedachte bracht dat hij niet echt bestond; hij was slechts verbeelding. Een inzicht dat hem letterlijk aan het wankelen bracht, waardoor hij zich bijna voor een auto wierp, om voor zichzelf zijn bestaan te bewijzen.

    Het is de lezer echter duidelijk dat de verbeelding ook de angst voedt. Zo neemt Methorsts angstgegner, de Russische topschaker Tsjacharin, in zijn verbeelding zulke groteske vormen aan dat hij de partij moet staken en – nog erger – dat alle volgende tegenstanders in Tsjacharin veranderen. Ook zijn angst om naar buiten te gaan samen wordt gevoed door de verbeelding: buiten is er nou eenmaal meer gevaar denkbaar dan binnen.

    Hoewel het einde wat geforceerd en ongeloofwaardig aandoet, is het fijn om in 2024 zo’n aardige, intelligente en aandoenlijke man uit 1987 te leren kennen die zijn best doet zich zorgvuldig uit te drukken, en even prettig ouderwets overkomt als de vorm waarin hij schrijft. Dat is wat literatuur vermag: een fictief verleden overtuigend tot leven te brengen en ons te herinneren aan het verleden zoals dat ooit echt was. De Nederlandse literatuur is een fijne, intelligente briefroman rijker. 

     

  • Den Ouden lees je kwispelstaartend

    Het lezen van een bundel van Martijn den Ouden is altijd een avontuur. Je wordt als lezer heen en weer geschud alsof je in een achtbaan zit. Den Ouden experimenteert graag met vorm en inhoud in zijn gedichten, heeft maling aan gevestigde opvattingen over wat poëzie zou moeten zijn en schept een geheel eigen universum naar zijn wil, waar alles mogelijk is en wetmatigheden niet bestaan. Hij zet daarbij de logica naar zijn hand, spreekt zichzelf tegen, schept verwarring en gaat vrolijk zijn eigen gang. De gedichten stralen brutaliteit en lef uit en wekken de indruk dat ze met veel plezier geschreven zijn. Dat gold voor zijn voorlaatste bundel Ruimtedagen, maar zeker ook voor de nieuwe bundel Visioenen.

    Deze bundel is één lang gedicht, dat de lezer het best in één keer uitleest om de draad niet kwijt te raken. Alsof het een scenario van een toneelstuk is, wordt het verhaal verteld door meerdere stemmen, die aangeduid worden door hun naam boven de tekst. Alleen de ik-figuur, de belangrijkste rol, wordt niet speciaal aangegeven. Soms is ‘de dichter’ aan het woord, die een innerlijke monoloog houdt, maar het wordt niet duidelijk of dat dezelfde is als het lyrisch ik. Beurtelings spreken Jimi Hendrix, God, de dichter, een landschap en diverse andere kleine rollen. Er is zelfs een echte rei, een klassiek koor, dat als in een Griekse tragedie interrumpeert, waarschuwt, commentaar levert of alleen maar als echo fungeert.

    Vreselijke dromen

    De dichter wordt bezocht door vreselijke dromen. Jimi Hendrix, die na een ongeluk ‘de spreekbuis van God’ is geworden, komt hem vertellen dat deze dromen waarschuwingen zijn: ‘het wordt tijd dat jij je visioenen serieus neemt/ je bent een profeet/ dat je weet’. De dichter verzet zich hiertegen: ‘wanneer is het een visioen/ wanneer is het een onschuldige droom’. Jimi leert hem dat hij op vlinders moet letten: ‘de verschijning van een vlinder is altijd een visioen’. Er dwarrelen dan ook op verschillende bladzijden voldoende vlinders rond. De dichter moet, zeer tegen zijn zin, een profeet worden die de mensen moet waarschuwen voor een naderende catastrofe. Dit doet denken aan de profeet Jona uit het Oude Testament, die de opdracht krijgt van God om de inwoners van Nineve te waarschuwen wegens hun slechte gedrag. Ze moeten hun levensstijl beteren, anders zal de stad verwoest worden. Jona weigert om God te gehoorzamen en vlucht weg met een schip, de andere kant op. Net als Jona wil de dichter de opdracht niet aanvaarden: in een droom gaat hij naar de haven om weg te varen. Maar het schip dat aanmeert is niet voor hem bestemd:

    op het dek staat een man
    die schittert in een rood gewaad

    in de flanken radslagen
    mannen en vrouwen
    in hysterisch gekleurde kostuums
    met zwartgeschilderde
    gezichten

    koor
    dus het is feest

    Bijbelse citaten

    De bundel wemelt van Bijbelse verwijzingen en letterlijke citaten. De religieuze symboliek is niet zo vreemd als je bedenkt dat Den Ouden de zoon van een predikant is. Zijn taalgebruik is doorspekt met plechtige en archaïsche uitdrukkingen die contrasteren met de gewone spreektaal: zinsneden als ‘mij is groot onrecht aangedaan’ worden gecombineerd met ‘er geen sjoege van hebben’. Er wordt niet alleen geciteerd uit de Bijbel: het gedicht ‘engelen schilderen met oorverdovend gekrijs de lucht in de kleur van bunkers’ is geschreven met deels woorden en regels uit de poëzie van Campert in opdracht voor een bijdrage aan een nummer van De Revisor. Maar ook andere dichters zijn ruimschoots vertegenwoordigd in veel intertekstuele verwijzingen. Er zijn dichtregels opgenomen die doen denken aan het werk van andere dichters, zoals Hugo Claus en Willem Hussem. Ze wekken niet de indruk dat ze noodzakelijk zijn, maar ze komen mooi in het gedicht van pas. Het kan bedoeld zijn als eerbetoon aan de betreffende dichters, maar het zou ook een grap van Den Ouden kunnen zijn om de lezer bij de les te houden.

    De dichter vlucht een bar in en treft daar het gedicht/de vrouw/de god aan, naast wie hij plaats
    neemt. Zij vertelt hem dat er weer een pandemie aankomt. Over een vaccin is zij niet enthousiast, want ‘het is juist de bedoeling dat er mensen doodgaan/ vanwege de overbevolking’. De dichter moet deze boodschap overbrengen en de mensen waarschuwen, maar hij heeft daar geen zin in. Dan laat het gedicht/de vrouw/de god een dreigend staaltje zien van haar goddelijke macht:

    de vrouw
    de god
    dit gedicht

    beweert dat ze de zon
    in haar hond kan laten verdwijnen

    hoewel zij misschien wel
    de mooiste vrouw op aarde is
    maakt ze zich volkomen belachelijk
    met haar uitspraak

    we lachen om wat ze beweert

    de zon in haar hond

    het is een kleine hond
    daar past geen zon in

    om zeven voor vijf
    staat ze op het plein
    en propt
    met grof geweld
    de zon in haar hond

    terstond is het nacht
    de hond gloeit

    straalt licht
    uit de bek
    wanneer hij blaft

    koor

    jullie zijn gewaarschuwd

    Het is de opmaat voor een wereldslachting. De vlinders en de zee, die eerst zo veelvuldig en uitbundig werden bezongen en die symbool stonden voor visioenen en zuiverheid, worden vervangen door bloedige geraamtes, vreemde beesten uit de zee, schroeiend vlees, brandende trommels. ‘nog even een bokje doodslaan/ om de wangen te sieren met / bloed’. De wereld wordt een pandemonium dat zijn weerga niet kent, als op ‘Het laatste oordeel’ van Jeroen Bosch. Er is geen ontkomen aan: het laatste gedicht in de bundel luidt:

    met de fiets naar de Lada
    met de Lada naar de toendra
    van de toendra naar de zee

    koor
    zo zuiver is de zee

    het water ingelopen
    om van het gedonder af te zijn

    en te worden gered
    door een boot vol vluchtelingen

    Wrange humor

    De humor van Den Ouden is vaak wrang, zoals in de laatste strofe van bovenstaand gedicht. Hij houdt ervan om op die manier tegen heilige huisjes aan te trappen. Maar soms lijkt hij alleen maar om zich heen te trappen uit baldadigheid, uit branie, en wordt zijn humor flauw en melig. Zoals wanneer de dichter aan het gedicht/ de vrouw/ de god vraagt of Thierry de profeet niet kan worden. Hij krijgt als antwoord: ‘Thierry is – sorry dat ik het zeg – niet goed bij zijn hoofd/ hij begrijpt de boodschap niet of is mentaal te gemankeerd om/ die goed over te brengen’. Den Ouden wekt de indruk dat het hier om Thierry Baudet gaat, maar zonder diens naam voluit te noemen.

    Sommige gedichten zijn hoogdravend, andere weer in alledaagse taal. Een aantal ervan lijkt buiten de bundel te staan, omdat ze weinig toevoegen aan het geheel, maar net zoals in een toneelstuk als ‘terzijdes’ beschouwd kunnen worden. Ook kunnen ze een intermezzo zijn in de lange tekst, waarna de aandacht weer gericht wordt op de hoofdzaak. Maar er zit vaart in de bundel die boordevol zit met vindingrijke, originele, verrassende beeldspraak, die zijn komisch effect niet mist. Jongehondenpoëzie kortom: enthousiast, meeslepend en plezierig.