• Oogst week 22 – 2026

    Ghost Stories

    Het is al even geleden dat de boeken van Siri Hustvedt (1955) in de belangstelling stonden in ons land. Van deze Amerikaanse schrijfster zijn in Nederland o.a. de romans Wat me lief was (2004), De zomer zonder mannen (2011) en De vlammende wereld (nominatie voor de Man Booker Prize) bekend.

    Onlangs is van haar Ghost Stories verschenen, persoonlijke en openhartige memoires over haar jarenlange leven en huwelijk met de schrijver Paul Auster, zijn ziekbed en zijn dood in 2024. Hustvedt gebruikt daarvoor delen uit dagboeken, e-mails en wederzijdse (liefdes)brieven.

    Ghost Stories opent met ‘Ik leef. Mijn man, Paul Auster, is dood.’ De toon is meteen gezet.

    Ghost Stories

    Ghost Stories

    Siri Hustvedt

    Vertaling door: Paul van der Lecq

    Uitgever: Uitgeverij De Bezige Bij (2026)

    ISBN 9789403139623

    320 pagina's

    Prijs: € 27,99

    Kopen bij Libris

    De dag dat de duivel naar Des Indes kwam

    In de laatste column van Casper Postmaa in 2023 voor DHC, Den Haag Centraal, een wekelijkse Haagse krant, schrijft hij dat hij van Helga Ruebsamen het advies had gekregen om te stoppen met de journalistiek om boeken te gaan schrijven. Hij zag dat eerst niet zo zitten, maar is dat toch gaan doen. In zijn column had hij het over een boek ‘op de rand van werkelijkheid en fictie. Over de intrigerende gebeurtenissen die zich in ons oude huis afspeelden. Te beginnen met de nacht dat de muren begonnen te spreken. Schor als een papegaai, in het Duits.’

    In het huis waar hij toen woonde bleek ook de Duitser Joseph Thum gewoond te hebben die tijdens de Tweede Wereldoorlog directeur van het beroemde hotel Des Indes aan het Lange Voorhout was geweest. Des Indes was een populair hotel onder de nazi’s, het werd ook wel het ‘Wehrmacht Hotel’ genoemd. Wat de nazi’s niet wisten is dat Thum in datzelfde hotel onderduikers verborgen hield waarbij hij hulp kreeg van een man die ‘de zwarte duivel’ werd genoemd. Postmaa wil weten wie dit was en gaat naar hem op zoek. De dag dat de duivel naar Des Indes kwam is een reconstructie van de gebeurtenissen uit die zwarte periode. Postmaa deed dit aan de hand van vele gesprekken (o.a. met Thum), stoffige archieven en vele reizen

    De dag dat de duivel naar Des Indes kwam

    De dag dat de duivel naar Des Indes kwam

    Casper Postmaa

    Uitgever: Uitgeverij Querido (2026)

    ISBN 9789025320775

    240 pagina's

    Prijs: € 22,99

    Kopen bij Libris

    Een van ons

    De mensen die Het feest gelezen hebben van Elizabeth Day zullen waarschijnlijk blij zijn met het verschijnen van het nieuwe boek van deze Britse schrijfster, Een van ons.

    Een van ons kan gezien worden als vervolg op Het feest, maar kan ook heel goed los daarvan gelezen worden. Het grijpt terug op de gebeurtenissen uit Het feest waarin de vriendschap van twee mannen eindigt als een van hen, Martin, succesvol politicus en kind van de Britse ‘upperclass’, de schuld van de ander (Ben, ‘middleclass’) op zich neemt. Beide boeken spelen in het hart van de Londense politiek. Ben krijgt de kans om wraak te nemen. Machtsspelletjes, manipulatie, privileges, wraak en verstoorde verhoudingen zijn de elementen die van dit boek een pageturner maken.

    Een van ons

    Een van ons

    Elizabeth Day

    Vertaling door: Lidwien Biekman en Tjadine Stheeman

    Uitgever: Uitgeverij Ambo|Anthos

    ISBN 9789026372131

    368 pagina's

    Prijs: € 24,99

    Kopen bij Libris
  • ‘Het was mooi’

    Hoewel de dichter Mahmoud Darwish al in 2008 gestorven is, wordt hij nog steeds beschouwd als de stem van Palestina. Hij werd er geboren in 1941, maar zeven jaar later vluchtten zijn ouders met hun gezin naar Libanon, omdat het dorp waar zij woonden verwoest werd door het leger van Israël. Na een jaar keerden ze in het geheim terug naar de pas opgerichte staat Israël.
    Darwish publiceerde zijn eerste gedichtenbundel toen hij 19 jaar oud was. De gedichten waren eerder verschenen in het tijdschrift van de Israëlische communistische partij. Later richtte hij het literaire tijdschrift al–Karmel op, waar hij ook hoofdredacteur van was.

    In totaal schreef hij ongeveer dertig bundels met poëzie en proza, die in vijfendertig talen vertaald zijn. Hij werd een van de belangrijkste dichters van het Arabische taalgebied. In 1973 werd hij verbannen uit Israël, omdat hij lid werd van de PLO, de Palestijnse bevrijdingsorganisatie. Ook al bracht hij het grootste deel van zijn leven door in Rusland en Amerika, hij bleef schrijven over zijn vaderland in zijn moedertaal. Zijn laatste dichtbundel uit 2006-2007 is Het vlindereffect, die in het Nederlands vertaald werd door Richard van Leeuwen, die ook een interessant nawoord schreef dat inzicht geeft in de politieke situatie rondom Israël en Palestina en in het leven van Darwish.

    Universeel dichterschap

    Het zijn niet uitsluitend gedichten die opgenomen zijn in deze bundel: ook losse prozafragmenten, dagboeknotities en beschouwingen maken deel uit van het boek. Dat is niet zo vreemd als het lijkt, want alle teksten ademen dezelfde sfeer, die van poëtische verwondering en filosofische observaties.

    ‘Blikrichtingen

    Het verschil tussen een narcis en een zonnebloem is een verschil in
    blikrichting: de eerste kijkt naar haar beeltenis in het water en zegt: Er
    is geen ik behalve ik. De tweede kijkt naar de zon en zegt: Er is geen
    ik behalve degene die ik aanbid.
    ’s Nachts wordt het verschil minder, maar breidt de interpretatie zich uit.’

    Wie denkt dat deze bundel uitsluitend over Palestina en haar bewoners gaat, wordt teleurgesteld. Zeker staan er gedichten in die heel direct of in goed gekozen metaforen over de oorlog gaan, de bezetting door Israël en de onrechtvaardigheid die de Palestijnen wordt aangedaan, maar de thema’s en motieven die Darwish in zijn poëzie verwerkt, gaan verder dan dat. Zijn dichterschap is universeel en bestrijkt onderwerpen die voor iedereen van belang zijn: liefde, dood, zoeken naar de betekenis van het mens-zijn. Hij zocht naar ‘zuivere poëzie’ en was van mening dat ‘elk mooi gedicht een vorm van verzet’ was. In het gedicht ‘het essentiële vers’, waarin deze uitspraken staan, schrijft hij bovendien: ‘Wat is betekenis? Ik weet het niet. maar misschien weet ik wat het/ tegendeel is: denken dat het zinloze onbeduidend is.’ Voor Darwish kan alles naast elkaar bestaan zonder dat het afgebakend hoeft te worden door een definitie. Daarom tref je in de gedichten vaak paradoxen aan, tegenstellingen die elkaar opheffen: het gedicht ‘Vanaf nu ben je een ander’ staat moeiteloos en zonder oordeel naast: ‘Vanaf nu ben je jezelf.’

    Zorgvuldig zijn woorden kiezend

    Zijn ballingschap was noodzakelijk voor zijn dichterschap om op afstand de politieke situatie in zijn vaderland beter te kunnen overzien, waardoor hij in zijn gedichten niet zozeer het verzet aanmoedigde, maar de vrede wilde bewerkstelligen:

    ‘Ik hoor mijn stem pas als ik uit het woud
    ben weggegaan en de stilte van het woud
    uit mij is geweken.’

    Darwish wilde niet bekend staan als de dichter-woordvoerder van het Palestijnse volk, omdat die eenzijdige benadering van zijn poëzie hem zou belemmeren in zijn ontplooiing als dichter.
    Hij schreef over de liefde, over dromen, over identiteit (‘Mijn identiteit is nog onder constructie’), over de dood. Bedachtzaam, beschouwend, zorgvuldig zijn woorden kiezend. Juist omdat hij zich niet beperkte tot één enkel thema, spreken zijn gedichten nog steeds tot iedereen.

    Cynisme en tederheid wisselen elkaar af in de beschrijving van zijn herinneringen, maar bitter of beschuldigend wordt het nooit. Wel klinkt er soms een dreiging door in de laatste strofe van sommige gedichten, maar die gaat gepaard met een zekere mate van berusting van de dichter, die niet verward moet worden met onverschilligheid.

    ‘De kanarie

    Dicht bij wat zal zijn
    luisterden wij naar wat de kanarie zei
    tegen mij en tegen jou:
    Zingen in een kooi is mogelijk
    en ook geluk is mogelijk.

    Wanneer de kanarie zingt,
    brengt hij wat zal zijn dichterbij.
    Morgen zul je naar vandaag-gisteren kijken
    en zeggen: Het was mooi
    en het duurde maar kort.
    Je zult niet blij of droevig zijn.

    Morgen zullen we ons herinneren dat we
    de kanarie achterlieten in een kooi, alleen.
    Hij zingt niet meer voor ons,
    maar voor voorbijkomende jagers.’

    Berusten in het onontkoombare

    Darwish was hartpatiënt en werd meerdere malen geopereerd. Het is daarom niet verwonderlijk dat ook de nadering van de dood vaak optreedt in de gedichten. Ook daar spreekt de dichter van een berusting in het onontkoombare. In twee gedichten die beginnen met de vraag: ‘Als je vandaag zou sterven, wat zou je dan doen?’ geeft de dichter aan dat hij hetzelfde zou doen als altijd: lezen, liefhebben, eten, drinken. ‘[…] als ik bestond, zoals nu, zou ik niet aan het niet-bestaan denken; als ik niet bestond, zou de zaak me niet aangaan. […] Wat zou ik anders kunnen doen?’

    Deze stoïcijnse houding ten opzicht van de dood is niet de ontkenning van het leven, maar een ontroerende acceptatie ervan.
    Darwish houdt de lezer een spiegel voor die betekenis reflecteert. Hij laat zich niet ontmoedigen, niet door het leven en niet door de dood. Hij laat zich ook niet vangen in zijn gedichten. Het maakt het voor de lezer wel eens moeilijk om zijn gedachtegang te volgen. De beeldende taal en de schitterende metaforen die de dichter in zijn gedichten verwerkt, verhullen minstens evenveel als ze duidelijk maken. Dat maakt zijn poëzie alleen maar boeiender.

     

     

  • Met frisse versvoetjes van de vloer

    Je hebt, onwetend van wat je mag verwachten, het boek in je handen en leest de tekst op het achterplat van Erratapedia van Eric Bindervoet. Het belooft een labyrint in dichtvorm van dwalingen, fouten, vertaalblunders, misverstanden en veel meer. Je raadpleegt de inhoudsopgave: 16 hoofdstuktitels, allemaal voorzien van een voetnoot die vermeldt hoeveel voetnoten elk hoofdstuk op zichzelf ook weer heeft. In totaal zijn het er in het hele boek 555. Het valt je verder onmiddellijk op dat hoofdstuk 1 (‘In den beginne’) bestaat uit een gedicht van 33 woorden met bij elk woord een voetnoot.

    In noot 1 wordt meteen verwezen naar het woord ‘errata’ met voorbeelden van de hoeveelheid tikfouten die Slauerhoff (‘Sloddervos’) maakte. Daarna volgen in andere noten correcties en veelvuldig verwijzingen naar fouten die anderen inventariseerden, zoals het boek The Poet’s Mistake van Erika McAlpine, dat vol historische blunders en nooit eerder opgemerkte flaters staat. Net daarboven staat het woord ‘rettekestet’, een tikfout die Bindervoet juist niet corrigeert. En dan valt je ineens op dat de voornaam van McAlpine hier staat met een k; dat moet Erica zijn. Ook dat wordt niet verbeterd.

    Luis

    Het wordt allemaal nog grappiger – je bent nog steeds het boek niet echt aan het lezen – als je het omslag wat beter bekijkt. Dat bevat een collage van losse briefjes. Een handgeschreven gedichtje van Elsschot bijvoorbeeld waarin hij belooft iemand die nog een fout (‘luis’) in zijn tekst vindt te zullen belonen; en een lijst met errata in gedichten van Van Ostaijen. En daartussen ook een Erratum van de auteur van Erratapedia zelf: zijn voornaam staat verkeerd op omslag, achterplat en rug van het boek. Eric moet Erik zijn.

    Wat is dit voor boek?!

    Je hebt nog niets gelezen en je bent al één en al oog en oor. Vanaf nu word je op elke pagina overrompeld en verrast met een bibliotheek vol fouten en flaters! Wat een lusthof van originele commentaren, citaten en parafrases daarvan! Wat een prachtige allusies, creatieve woordvondsten en (opzettelijke) dwalingen!  Je kunt Erratapedia, zo besef je, alleen heel gedoseerd lezen: de ruim honderd pagina’s zijn goed voor wekenlang literair amusement.

    Linkervoet

    Maar hoe beschrijf je dan de inhoud in kort bestek? Misschien het best door dieper in een of twee voorbeelden van de veertien gedichten te duiken. Daar lenen het tweede en derde, ‘Gorter en ik’ en ‘Gorter zonder mij’, zich prima voor.
    Ze verwijzen in de beginregel direct naar elkaar: ‘Eens op een dag, zo rond Pasen, / verscheen mij het gezicht van Herman Gorter / op mijn linkervoet’ (het tweede gedicht) en ‘Eens op een Zondagmorgen / verscheen mij (…) / zijn schoon donker godsgezicht / dromend aan mijn voet’ (het derde).

    In ‘Gorter en ik’ mijmert Bindervoet over zijn relatie tot Gorter: ‘Hij, Gorter, werd geboren aan de Zaan, in Wormerveer. / Ik, Bindervoet, ben geboren aan de Zaan, in Oostzaan’, waarna veel meer speelse overeenkomsten volgen als: ‘(…) begon moeder Gorter, Jo, geboren Lugt, een pension, / om de eindjes aan elkaar te knopen en te breien. / Mijn moeder, Jenny, née Swier, heeft ook heel wat eindjes / aan elkaar geknoopt en gebreeën en gehaakt en gepunnikt’.

    U, nu

    Een ander aspect is de lengte van Mei van Gorter. Waarom zo lang? Met tal van verwijzingen naar het eigene van dichtkunst wijdt Bindervoet uit over de vraag wat lengte of beknoptheid eigenlijk betekenen. In de noten verwijst hij naar het kortste gedicht van Vondel (‘U, nu’) en gedichten die uit één woord bestaan (‘Muizenisisminimumeis’ van Chris van Geel), maar strooit hij ook met zelfgemaakte errata die hij niet corrigeert: ‘spetmeber’ in plaats van september, ‘Een puur geheim’ als titel van een essay van Vandevoorde over Gorter dat in werkelijkheid ‘Een duur geheim’ heet. De voetnoten vermelden zelden de bron van een in het gedicht gebruikt citaat (er komen veel regels uit werk van Gorter in voor) maar zijn vooral speelse associaties die door de tekst worden opgeroepen.

    Fluitkeels

    In het gedicht zelf speelt Bindervoet weer met vormen zoals in: ‘Een haiku kan heel wijdlopig, breedsprakig en langdradig zijn, / hemeltergend traag voorbijkruipen zo’n beetje als / een kersenbloesem / op de rug van een schildpad / gevallen vervoerd’ waarin de laatste drie regels voldoen aan de voorschriften voor een haiku (5, 7, 5 lettergrepen).
    Daarnaast is er het spel van klanken. In de titel van het gedicht ‘Gorter zonder mij’ hoor je ‘Mei’ en een zin als ‘het weeeë gebeente van een scherpslijper’ moet je beslist hardop lezen. En er zijn de woordgrappen als ‘fluitkeels’ en ‘Kloos is een kolos, maar Gorter is groter’.

    Het derde gedicht, ‘Gorter zonder mij’, bestaat voor het overgrote deel uit zinnen die afkomstig zijn uit werk van deze dichter. Heel wat van die citaten staan ook al in ‘Gorter en ik’, maar hier net in een ander verband en zonder de parallellen met het leven van Bindervoet.

    Gorter schreef, zo lees je in Erratapedia ‘met de frisse versvoetjes van de vloer / dansend voor God / dansend voor Spinoza / dansend voor Marx (…)’.
    Hierna volgen nog elf gedichten, waaronder één prozastuk (‘Brief aan de cursisten’). Het zijn stuk voor stuk frisse versvoetjes, met heerlijke annotaties. Te leuk om ze lezend af te raffelen. Dus dans. Maar hou maat.

     

     

  • Heldin

    Vorige week heb ik alweer een boek over Jeanne d’Arc gekocht. Ze staat bovenaan mijn lijstje van heldinnen, dat ook Boudicca, Catharina de Grote en Rosa Parks bevat. En de koningsdochter uit het Lied van Heer Halewijn. Vrouwen die dingen deden die ik nooit zou durven.
    Blijkbaar heeft Jeanne meer mensen gefascineerd, want als je alle boeken over haar zou willen lezen, kom je tijd van leven tekort. Jeanne, Jehanne, Joan, ze werd het onderwerp van verhalen van Mark Twain, Hugo Claus, G.B. Shaw, Schiller en Hella S. Haasse. En al die schrijvers laten steeds een andere Jeanne zien: een onwetend boerenmeisje, een gemene intrigante, een hysterica, een geesteszieke, een militair genie. Heldin, heks of heilige.

    Er zijn ook schilderijen van haar gemaakt, films, toneelstukken, Leonard Cohen zong een lied over haar, Tsjaikowski schreef een opera. De meeste nadruk wordt gelegd op de stemmen die zij hoorde en op haar dood op de brandstapel. Ook dit gedicht van Ellen Deckwitz doet dat:

    ‘Kaarsje

    De lont verkoolt in het vlamhart en ervoor
    staat de wapenbroeder van Jeanne d’Arc. Hij zag
    machteloos toe hoe ze terecht werd gesteld.

    Iedere keer wanneer hij een licht opsteekt,
    ziet hij een geblakerde, terugstaren
    vanuit het vuur. Neemt waar dat hij toekijkt en
    wat hij ook lijkt, het is niet voldoende.’

    Maar welke aspecten van Jeanne ook belicht worden, hoeveel ik ook over haar lees, ik krijg het niet voor elkaar om een compleet beeld van haar te zien. Niemand van al deze schrijvers, schilders en componisten is in staat geweest om de echte Jeanne tot leven te wekken. Dat ligt niet aan het feit dat alles zo lang geleden gebeurde, want zelden is iemands leven beter gedocumenteerd dan dat van haar. Het ligt ook niet aan de intentie van de kunstenaars, die een poging gewaagd hebben om haar uit te beelden zoals zij dachten dat ze was. Maar Jeanne d’Arc ontsnapt aan elke poging om haar te doorgronden. Ze blijft een raadsel.

    Zo veel boeken gelezen, en nog steeds weet ik niet wie de echte Jeanne is. Als ik aan haar denk, zie ik haar in een blinkend harnas (dat ze waarschijnlijk nooit gedragen heeft) op een groot wit paard zitten, met in de schacht van haar linker laars de stok waaraan haar banier wappert en in haar rechterhand het omhooggestoken zwaard dat schittert in de zon. Ze lacht, ze is vrolijk en vrijmoedig. Een nuchtere meid moet ze zijn geweest, wars van kapsones.
    Met haar moed, haar humor en haar onverzettelijkheid dwong ze respect af. Met haar gevatte antwoorden tijdens haar proces zette ze alle hoogwaardigheidsbekleders in hun hemd, ze stootte valse koningen van hun troon en schaterde om opgeklopte ego’s.

    Ze werd uiteindelijk veroordeeld op het feit dat ze mannenkleding droeg, omdat ze haar op iets anders niet konden betrappen. Zoals Al Capone gepakt werd op het ontduiken van belasting.
    Net als bij koning Arthur vertellen de volkslegendes dat Jeanne terugkeert als het nodig is. Ik hoop dat ze nu komt om volksverlakkers te ontmaskeren, desnoods in spijkerbroek op een fatbike. Daar kan ze in ieder geval niet meer voor veroordeeld worden.

     

    ‘Kaarsje’ uit: Liter nr. 66, 2012


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column.

     

     

     

     

  • Het mooiste woord dat moeder ooit sprak 

    Midden in het bos in het binnenland van Noorwegen, een eindje van de bewoonde wereld vandaan, bevindt zich een grote, oude boerderij met een brede oprijlaan; we schrijven ergens midden tot eind twintigste eeuw. Als je goed kijkt is achter het raam op de eerste verdieping van de boerderij een ongeveer tienjarig meisje zichtbaar. Ze heet Urd, en ze kijkt hoe haar moeder opstaat uit haar stoel voor het huis en het bos in loopt.

    Samen met Urd en haar ouders wonen er nog zeven broers en zussen in het huis. Urd heeft veel affiniteit met de natuur die haar omringt, maar de liefde en het comfort dat zij vindt in haar natuurlijke omgeving, moet zij ontberen bij haar familie. Haar broers en zussen verlaten een voor een het nest, vader is het grootste deel van de tijd van huis en de liefde van de moeder is als brandstof voor een warm thuis al jaren geleden opgebrand. Een raar kind, zoals Urd is wel het laatste waar zij zich mee bezig wenst te houden.

    Perspectief van het kind

    Sjablone (vertaald door Liesbeth Huijer) wordt verteld vanuit het perspectief van Urd, die in dit boek tussen de acht en de twaalf is; de vertelling bestrijkt zo’n drie, vier jaar. Urd doet vlotte en relevante observaties over de wereld om haar heen, maar is nog niet in staat die te interpreteren en contextualiseren zoals wij, volwassen lezers met meer wereldkennis, dat doen. Wanneer Urd haar moeder bijvoorbeeld vanuit haar slaapkamer het bos in ziet lopen, en zij een uur later terugkeert terwijl er een plakkerige substantie vanuit haar kruis aan de binnenkant van haar been naar beneden druipt, heeft Urd geen idee wat die substantie is; als lezers kunnen wij ons daar wel enig beeld van vormen.

    Wat betreft het perspectief van het kind dat gelaten de wereld om zich heen waarneemt en ondergaat, lijkt Sjablone op het in 2024 door Uitgeverij Das Mag uitgegeven De tweelingentrilogie door Ágota Kristóf. In dat boek sorteert dit perspectief een sterk effect bij de lezer: door het contrast tussen de gruwelijkheden waarvan het kind getuige is en de tamelijk droge, gelaten manier waarop die worden waargenomen, wordt de lezer des te meer van afschuw vervuld. In Sjablone wordt de potentie van het perspectief van het kind niet op zo’n manier ten volste benut.

    Onbenutte kansen

    Het onbenut laten van de kracht van het kind-perspectief is een voorbeeld van hoe Rønning veel kansen tot het vergroten van de impact die het boek in theorie had kunnen maken, aan zich voorbij laat gaan. Een ander voorbeeld is dat de spanning die wordt opgebouwd door de bedrukte sfeer in huis, vooral veroorzaakt door een uitgeputte en ongelukkige moeder, uiteindelijk niet tot een climax komt.

    Het is het overwegen waard of de kracht van Sjablone misschien schuilt in de mijmeringen over de menselijke conditie en natuur die het hoofdpersonage Urd zo nu en dan formuleert. Die overpeinzingen getuigen van een interpersoonlijk inzicht dat indrukwekkend contrasteert met de anders zo naïeve, observerende stijl. Zo lezen wij:

    ‘Mensen hebben alleen plek voor zichzelf vanbinnen, en voor iets wat licht is en iets wat donker is. Maar ik heb meer, ik heb alle dieren, mijn lichaam is een landschap en daar wonen ze in, in verschillende ruimtes […] Ik voel alles in mijn eigen lichaam. Ik voel het als ze elkaar opeten.’

    Urd legt zich gelaten neer bij de kloof die zij tussen haar en de mensen om haar heen waarneemt en die bepalend is voor de manier waarop zij haar omgeving ervaart. Toch zijn deze mijmeringen net iets te zeer gelinkt aan de wat idiosyncratische belevingswereld van het hoofdpersonage, waardoor passages als deze toch niet écht blijven hangen.

    Moeten we de kracht van dit boek dan zoeken in het contrast tussen de grote emotionele afstand tussen Urd en haar familie enerzijds, en het comfort dat zij vindt in de natuur anderzijds? Van alle elementen waaruit dit boek is opgebouwd, is dit contrast het nadrukkelijkst in de roman aanwezig. Hoewel op zich interessant, is die tegenstelling echter nou ook weer niet zo vernieuwend, en beide aspecten zijn met maar weinig diepgang uitgewerkt.

    Het zijn allemaal vlakken waarop Sjablone literair potentieel, waarmee het boek anders tot grootse hoogten had kunnen stijgen, ongebruikt laat. Geen enkel element springt echt in het oog of vat écht de aandacht van de lezer. Individueel zijn die onbenutte kansen te vergeven, maar samen zorgen zij voor een wat oppervlakkige en vergeetbare leeservaring.

    ‘Het mooiste woord dat ik mama heb horen zeggen’

    Misschien is de belangrijkste literaire verdienste van dit boek wel de mysterieuze titel Sjablone, Skabelon in het oorspronkelijke Noors. Urd hoort haar moeder dit woord slechts één keer zeggen, en weet meteen dat het het mooiste woord is dat ze heeft gehoord, maar het is onduidelijk wat ze ermee bedoelt. Het valt te betreuren dat dit soort wonderlijke, niet helemaal te duiden elementen niet rijker gezaaid zijn in Sjablone. Dergelijke elementen geven de lezer in het werk van andere Noorse schrijvers zoals Tarjei Vesaas of Knut Hamsun namelijk de indruk dat er achter de tekst een diepgang en rijkheid schuilgaat waaraan in de tekst zelf, oppervlakkig gezien, slechts zelden expliciet uitdrukking wordt gegeven. En het is de sensatie dat een boek net wat ongrijpbaar is die maakt dat de tekst bij de lezer resoneert.

    Sjablone is teder en ontwapenend geschreven en verdient om die reden alle lof die het boek in Noorwegen ten deel is gevallen, en waar het bij het Nederlandse publiek vermoedelijk ook op zal kunnen rekenen. Maar het gebrek aan diepgang maakt dat het lezen van Sjablone toch geen onvergetelijke ervaring is.

  • Golvende zinnen over kleurrijke personages

    De Angolese schrijver José Eduardo Agualusa behoort al jaren tot de belangrijkste stemmen van de Afrikaanse literatuur in het Portugees. Zijn werk beweegt zich op het kruispunt van geschiedenis, mythe, politiek en verbeelding. Agualusa werd geboren in Huambo, in Angola, een land dat diep getekend werd door kolonialisme, onafhankelijkheidsstrijd en burgeroorlog. Die historische achtergrond vormt vaak het decor van zijn romans. Toch schrijft hij zelden puur realistisch. Zijn werk is sterk geïnspireerd door het magisch realisme van auteurs als Gabriel García Márquez of Mia Couto. Bekende romans als De handelaar in verledens,Vergeten en Het genootschap van onvrijwillige dromers maakten hem internationaal beroemd en leverden hem meerdere literaire prijzen op.

    Met Meester van de trommels keert Agualusa opnieuw terug naar zijn geboortegrond. De roman speelt zich af in en rond het koninkrijk Bailundo, een belangrijke historische regio in Angola en de onafhankelijkheidsstrijd, maar die in het boek een alternatieve geschiedenis krijgt. De verteller is Leila Pinto, die vanuit het heden terugblikt op het liefdesverhaal van haar grootouders Jan en Lucrécia. Jan is een Portugese soldaat die naar Angola wordt gestuurd om mysterieuze sterfgevallen onder soldaten te onderzoeken. Tijdens zijn reis ontmoet hij Lucrécia, dochter van een rijke handelaar, en raakt hij verstrikt in een wereld van geheimzinnige trommels, spirituele krachten en politieke intriges binnen het door Portugal gekolonialiseerde Angola. Tegen deze achtergrond krijgt de lezer een vrij accuraat beeld van de bredere geschiedenis van Angola: een land in wording, verscheurd tussen koloniale overheersing en een eigen culturele identiteit.

    Trommels
    Het plot is moeilijk samen te vatten omdat Agualusa voortdurend schakelt tussen historische feiten, fantasie en symboliek. Er duiken wonderlijke figuren uit de Angolese volksoverlevering op: een magiër-koning, een vrouw die zich onzichtbaar kan maken, krijgersgenootschappen en muzikale rituelen met bovennatuurlijke krachten. Toch blijft de roman verrassend coherent. De trommels vormen daarbij het centrale motief . Hun ritme roept niet alleen angst en extase op, maar staat ook symbool voor collectief geheugen, culturele identiteit en verzet tegen onderdrukking.

    Het sterkste aspect van de roman is zonder twijfel de bijzondere stijl van Agualusa. Zijn taal is zeer beeldend, zintuiglijk en muzikaal. Hij schrijft in lange, golvende zinnen die – net zoals de trommels in het verhaal –  een bijna hypnotiserend effect hebben. Daarbij gebruikt hij geregeld woorden uit lokale Angolese talen, die staan verklaard in een woordenlijst achteraan. Ook wordt vaak bijkomende uitleg gegeven in voetnoten. Agualusa probeert daarmee vergeten woorden en werelden opnieuw tot leven te brengen. Dat past perfect bij het centrale thema: geschiedenis is niet iets wat vaststaat,  maar iets wat telkens opnieuw verteld en herschreven wordt. Heel opvallend is het subtiele spel van Agualusa tussen ernst en speelsheid. Kolonialisme, geweld en machtsmisbruik vormen de historische achtergrond, maar tegelijk blijft de roman zeer lichtvoetig en bijzonder fantasierijk. Het magisch realisme voelt heel natuurlijk aan; het is zijn manier om de Angolese werkelijkheid te vatten. In die zin schrijft Agualusa niet alleen over Angola, maar ageert hij ook tegen de westerse manier van kijken naar geschiedenis. Het bovennatuurlijke is in deze roman geen ontsnapping aan de werkelijkheid, maar een wezenlijk onderdeel ervan.

    De personages zijn kleurrijk, al blijven ze soms eerder symbolische figuren dan dieppsychologisch uitgewerkte karakters. Jan Pinto belichaamt de verscheurdheid tussen Europa en Afrika, tussen koloniale macht en persoonlijke verwondering. Lucrécia vertegenwoordigt dan weer een diepere verbondenheid met het land en zijn tradities. Leila, de vertelster, verbindt verleden en toekomst met elkaar en maakt duidelijk dat geschiedenis nooit afgesloten is. Andere nevenfiguren hebben iets sprookjesachtigs, maar precies daardoor krijgen ze een mythische kracht die bij de toon van de roman past.

    Perspectief
    De relevantie van Meester van de trommels ligt vooral in de manier waarop Agualusa geschiedenis herschrijft vanuit een Afrikaans perspectief. Hij toont hoe koloniale geschiedschrijving teruggeleid wordt naar de essentie, terwijl verhalen, mythen en orale tradities minstens even belangrijk zijn om een land te begrijpen. De roman stelt vragen over identiteit, herinnering en macht: wie mag geschiedenis schrijven? Welke stemmen verdwijnen uit de officiële archieven? En hoe kan literatuur vergeten werelden opnieuw zichtbaar maken? Tegelijk raakt het boek ook aan hedendaagse thema’s. De dreigende kracht van de trommels, die zich zelfs verspreidt via moderne technologie en muziekcultuur, suggereert dat oude trauma’s en conflicten blijven doorwerken in het heden. Daarmee overstijgt de roman het puur historische kader en wordt hij een reflectie op globalisering, cultuur en collectieve herinnering.

    Door de vele zijpaden, mythische elementen en wisselingen van perspectief kan de roman soms fragmentarisch aanvoelen. Lezers die houden van een strak opgebouwde plot zullen af en toe moeite hebben om alle lijnen te volgen. Ook blijven sommige personages eerder archetypen dan mensen van vlees en bloed. Maar die bezwaren vallen uiteindelijk in het niets tegenover de rijkdom van Agualusa’s verbeelding.

    Meester van de trommels is een ambitieuze, gelaagde en bijzonder originele roman. Agualusa combineert geschiedenis, mythe en poëzie tot een meeslepend geheel dat tegelijk exotisch en universeel aanvoelt. Het boek vraagt aandacht en overgave van de lezer, maar beloont die inspanning met een unieke literaire ervaring. Wie openstaat voor een roman waarin realiteit en fantasie in elkaar overvloeien, ontdekt hier een van de meest intrigerende stemmen uit de hedendaagse wereldliteratuur.

     

     

  • Poëzie oogst week 21 – 2026

    In de bijvoetbossen

    Lieske wendt in deze bundel zijn rijke verbeelding aan om in de huid te kruipen van Charlotte de Bourbon, geboren in 1546 of 1547, die trouwde met Willem van Oranje. Hij vervlecht haar leven met de herinneringen aan zijn vroege kinderjaren op het Charlotte de Bourbonplein in Den Haag. In 1943 werd dat gedeelte van Den Haag per ongeluk gebombardeerd door de geallieerden, die de elektriciteitscentrale hadden willen treffen. Het herstel zou tot in de jaren zestig duren. De plant bijvoet groeide weelderig op het puin.

    Lieske vermengt fantasie met historische feiten en verbindt het verleden met het heden: Charlottes jeugd, familie, haar huwelijk en haar zes dochters en haar dood brengt hij voor het voetlicht op een speelse, maar indringende manier, waarbij een lijn doorgetrokken wordt naar de huidige tijd in het algemeen en de jeugd van de dichter in het bijzonder.

    ‘Het besef dat je jeugd voorbij is

    Een kousjeskind van jeugdig rood, haar piepjonge benen
    bloot, Sjalotte drentelt, een juveniele schaduw te midden

    van grillige volwassen texturen. Onder haar jurken droeg ze
    al rode verzamelingen en nooit lange kousen. Ze wilde altijd

    de sleutel vinden van het babyblauw geheim, wie kent
    de betekenis van elke blik en wenk, wie kent de voorschriften

    die als we mondig zijn verdwijnen achter een afstanden gordijn.
    Charlotte drentelt, een juveniele schaduw, haar kindertijd voorbij.’

     

     

     

     

     

     

     

    In de bijvoetbossen

    In de bijvoetbossen

    Thomas Lieske

    Uitgever: Uitgeverij Querido (2025)

    ISBN 9789025319366

    19,99 pagina's

    Prijs: € 72,00

    Kopen bij Libris

    De laatste die ontwaakt

    Toen Rodhan Al Khalidi uit zijn geboorteland Irak vluchtte en uiteindelijk in Nederland terechtkwam, leerde hij zichzelf de Nederlandse taal en begon te schrijven: in 2002 verscheen zijn eerste werk, een bundeling van zijn columns. Onder de naam Rodaan Al Galidi heeft hij romans geschreven, gebundelde columns en gedichtenbundels, waarvoor hij diverse literaire prijzen mocht ontvangen.

    In zijn nieuwste bundel is een man aan het woord die vanaf zijn vijftiende jaar geslapen heeft en nu wakker wordt als hij veertig is. Hij herkent de wereld niet meer en beseft dat hij de laatste vijfentwintig jaar niets gedaan heeft dat bijgedragen heeft aan de ontwikkeling ervan. De tijd lijkt alleen voor hem stilgestaan te hebben, al het andere is verder gegaan. Niet elke verandering is een verbetering gebleken en sommige zaken zijn nog precies hetzelfde. De ontevredenheid van de verteller komt vooral tot uitdrukking bij een vergelijking van Nederland met zijn thuisland Irak. Gelukkig weet Al Galidi met humor, zelfspot en wisselende perspectieven te voorkomen dat het verhaal van de man een klaagzang wordt.

    ‘Ik ben altijd mezelf gebleven

    Mijn zelfmoordpogingen
    lukten mij vaak niet.
    Dat kun je zien.

    Misschien lukt het ooit,
    maar ziet niemand het.

    Een keer lukte het wel,
    maar dat zag niemand.

    precies

    Is het leven na de dood
    als het leven ervoor?

    De laatste die ontwaakt

    De laatste die ontwaakt

    Rodaan Al Galidi

    Uitgever: Uitgeverij Van Kemenade (2025)

    ISBN 9789071376801

    62 pagina's

    Prijs: € 15,00

    Kopen bij Libris

    Voer voor struikrovers

    Els Moors was Dichteres van België in 2018 en 2019. Haar derde bundel is even eigenzinnig als de twee voorgaande. De gedichten spreken van vrijheid, intimiteit en vooral van lichamelijkheid. De bundel is verdeeld in drie afdelingen, maar laat zich lezen als één doorlopend gedicht. Ze dicht over de tijd die verstrijkt, over dieren, over mannen als jagers en rovers die een vrouw als prooi zien. Maar de vrouw die in deze gedichten spreekt, is volstrekt autonoom en laat zich niet vangen in een moeizame en/of langdurige relatie, ook al zoekt zij naar wat blijvend is. In nietsontziende metaforen en onstuimige verzen beschrijft ze hoe haar leven verloopt en hoe ze het het liefste hebben wil. Daarbij geeft ze haar diepste verlangen niet prijs. Haar poëzie lijkt op het eerste gezicht toegankelijk en herkenbaar, maar weet dan met beladen beelden de lezer in een labyrint te voeren waarin hij met plezier ronddwaalt.

    ‘de korte cyclusketen van de meerjarige bloembollen
    kan door de mens niet worden gevolgd
    maar het is heerlijk om elk jaar weer
    zeventien te zijn en dan te verdwijnen
    ondergronds

    ik weet niet meer hoe de boshyacint eruitziet
    maar ik verlang wel naar ze terwijl ik
    het flesje losjes tussen de vingers hou
    alles gebeurt losjes deze dagen

    behalve het in- en uitademen in gesprek
    met bepaalde mannen voor ik
    goed en wel begrijp wat er aan de
    hand is word ik needy

    als een stervende zwaan’

    Voer voor struikrovers

    Voer voor struikrovers

    Els Moors

    Uitgever: Uitgeverij Arbeiderspers (2025)

    ISBN 9789029552318

    92 pagina's

    Prijs: € 19,99

    Kopen bij Libris
  • Een heer met schoenen

    Eddy Jharap is opgegroeid op het platteland van Suriname. Zijn vader had twee vrouwen bij wie hij elk tien kinderen had. Met twintig kinderen onder één dak was het geen vetpot thuis. Op de dorpsschool – vier kilometer lopen van huis – werd hij in het begin veel geplaagd vanwege zijn lichte ogen. Zijn meester nam hem in bescherming. Deze kwam elke dag met de bus uit de stad naar het dorp, altijd netjes gekleed met een mooi overhemd en een stropdas, maar het mooiste waren zijn schoenen. De dorpskinderen liepen allemaal op blote voeten, vaak door de modder. Zulke schoenen, dat wilde Eddy later ook.

    Op 25 november 1975 wordt Suriname ten tijde van het kabinet Den Uyl onafhankelijk. Ter gelegenheid van vijftig jaar onafhankelijkheid maakt Coen Verbraak voor BNNVARA de docuserie Suriname – 50 jaar tussen zorg en hoop, waarvan dit boek de uitgebreide weerslag op papier is van veertien van de achttien interviews. Het verhaal van de kinderjaren van Eddy Jharap is representatief voor dat van veel Surinamers afkomstig van het platteland. Weinig voorzieningen, veel ziektes en grote armoede. Het zijn de vrouwen die opdraaien voor de opvoeding van de kinderen. Na drie jaar te zijn behandeld in een leprozenkliniek krijgt Eddy de kans om met een beurs geologie te gaan studeren in Leiden. Daar ontwaakt zijn politieke bewustzijn. Hij wordt een vurig pleitbezorger van de onafhankelijkheid. Hij bekeert zich tot het socialisme en wordt actief in de vakbeweging. Als veel Surinamers in 1975 uit angst voor politieke chaos hun land verlaten en hun heil zoeken in Nederland, blijft hij in Suriname. Hij wil meehelpen het land op te bouwen. Als hij Suriname ziet wegglijden in een afgrond van corruptie en vriendjespolitiek, staat hij niet onwelwillend tegenover de militaire staatsgreep van Bouterse. Hij wil de coupplegers helpen het land er weer bovenop te krijgen op voorwaarde dat de democratie hersteld wordt. Als dat niet gebeurt, raakt hij steeds meer vervreemd van het regime.

    De militaire coup van Bouterse c.s. in 1980 met in de slipstream daarvan de beruchte decembermoorden van 1982 vormen een markeringspunt in de moderne geschiedenis van Suriname evenals de moordpartij in 1986 op de inwoners van het jungledorpje Moiwana in het oosten van Suriname. Deze gebeurtenissen hebben diepe sporen nagelaten in het bewustzijn van alle Surinamers zoals blijkt uit de gesprekken met Coen Verbraak.

    Iedereen is het erover eens dat Suriname een onvoorstelbaar mooi land is, volgens Humberto Tan eigenlijk zelfs een voorportaal van het paradijs, met slechts 600.000 inwoners, rijk aan bodemschatten en een heerlijk klimaat. In potentie moet Suriname een rijk en welvarend land kunnen zijn. Toch is het dat niet. Onder de talrijke oorzaken daarvan speelt de erfenis van het koloniale verleden een belangrijke rol. De plantagehouders en de koloniale overheid hadden niet bepaald de welvaart en het welzijn van de Surinaamse bevolking op het oog. Zo was het onderwijs helemaal op Nederlandse leest geschoeid en weten vooral oudere Surinamers meer van de geografie en geschiedenis van Nederland dan van hun eigen land, al heeft, volgens Cynthia McLeod, het verplichte onderwijs in het Nederlands onbedoeld wel gewerkt als een katalysator voor integratie tussen de verschillende bevolkingsgroepen van Suriname. Ook heeft het slavernijverleden bijgedragen aan een zekere indolentie onder de bevolking om zelf initiatieven te ontwikkelen om vorm te geven aan de toekomst van het land. Nederland heeft er weinig aan gedaan om dit te bevorderen. Joop den Uyl verklaarde gewoon van de kolonie af te willen. Het moment van uitroeping van de onafhankelijkheid werd eenzijdig gekozen door de Nederlandse regering. Zij zag het als een soort boedelscheiding. Al voldeed het wel aan diepgevoelde verlangens van vooral de meer intellectueel geschoolde Surinamers onder leiding van Eddy Bruma, het land als geheel was er toch nauwelijks op voorbereid en al spoedig werd dit duidelijk in de tegenstellingen die er, als naweeën van het slavernijverleden, bestonden tussen aan de ene kant de inheemse en Afro-Surinaamse bevolking en aan de andere kant de Hindoestaanse bevolking. Voor de Surinamers was het een hoogst emotioneel gebeuren en vooral spannend. Zou het leiden tot onlusten en toenemende spanningen tussen de verschillende bevolkingsgroepen? Veel Surinamers hadden hun land uit angst daarvoor al verlaten. Gelukkig viel dit erg mee, al kunnen de latere gebeurtenissen rond de coup van Bouterse, de decembermoorden en de Binnenlandse Oorlog tegen het junglecommando van Brunswijk daarvan niet losgezien worden.

    De verhalen van de geïnterviewden zijn nauw verweven met deze gebeurtenissen.

    Verhalen

    Zo zijn daar de meer analytische verhalen van de halfzusjes Cynthia McLeod en Kathleen Ferrier. Hun vader, Johan Ferrier, is de eerste president van Suriname. Onder hem was in 1955 Keti Koti, het feest ter gelegenheid van de afschaffing van de slavernij, uitgeroepen tot nationale feestdag. Mooi is het verhaal over zijn kinderjaren van kunstenaar Marcel Pinas, een nakomeling van de Marrons, vluchtelingen van de plantages die zich gevestigd hebben in de bossen in het binnenland. De Binnenlandse Oorlog, die honderden mensenlevens heeft gekost, speelde zich voornamelijk af in de buurt van zijn geboortedorp Moengo. Het monument ter herinnering aan het bloedbad van 29 november 1986 aangericht door de troepen van Bouterse in het dorp Moiwana vlakbij Moengo is door Pinas gemaakt. De strijdbare Linda Nooitmeer, wier achternaam wijst op de afschaffing van de slavernij, wijst op het belang van de excuses van de koning en van premier Rutte voor de vele mensen met Afrikaanse roots in Suriname. Humberto Tan spreekt met liefde over zijn moeder die in de Bijlmer van grote betekenis is geweest voor de Surinaamse gemeenschap daar. En dan is er nog het verhaal van de a-politieke Jürgen Raymann, die weigerde op verzoek van Bouterse zitting te nemen in een zogenaamde Waarheidscommissie in verband met de Decembermoorden. Al deze verhalen dragen duidelijk de handtekening van Coen Verbraak. Duidelijk en, als het moet, confronterend, maar altijd betrokken.

    Een rode heer met schoenen

    Eddy Jharap is de oprichter van de Surinaamse Staatsoliemaatschappij. Het was zijn droom dit bedrijf te runnen op socialistische basis. Toen hijin 1985 door president Wijdenbosch op staande voet ontslagen werd en er een volksopstand uitbrak om hem te steunen, werd hij door de rechter in ere hersteld. Hij was nu weliswaar een heer met schoenen geworden, maar wel een rode heer van het gewone volk.

  • De hel zijn de anderen

    Vroeg of laat kom ik toch altijd weer terug bij Voskuil. Wat is hij toch een geweldenaar. In mijn bespreking van de eerste twee delen van zijn Dagboek op deze site was ik niet bepaald scheutig met loftuitingen. Ik miste de samenhang van Het Bureau en ik vond het allemaal wat sikkeneurig en hakkerig, maar inmiddels herzie ik mijn oordeel. Vanaf deel 4 en verder, die de jaren zeventig beslaan, ben ik helemaal om. De sfeer van de romanserie keert helemaal terug. Inclusief de eindeloze gesprekken over onbetekenende akkefietjes op zijn werk. En mét de volledig uitgeschreven ruzies tussen Voskuil en zijn vrouw Loes. En ook de rake beschrijvingen van de wandelingen en fietstochten die hij onderneemt ontbreken niet.

    Waarschijnlijk is er geen groter verschil in de omgang met mensen dan tussen Voskuil en mij. Voskuil haat sociale contacten, hij voelt zich altijd onzeker en onveilig in gezelschap, neemt zichzelf achteraf kwalijk dat hij iets wel of juist niet gezegd heeft of dat hij zich stuntelig heeft gedragen. Alle sociale contacten zijn voor hem reden tot wanhoop. Hij heeft om dat oude woord maar eens te gebruiken ‘mishagen’ aan zichzelf.

    Zelf geniet ik er juist van. Een bezoek aan de plaatselijke supermarkt loopt bij mij altijd uit de hand. Mijn vrouw vraagt zich niet meer af wanneer ik terugkom maar of ik nog terugkom: ‘Je kwam zeker weer een oude bekende tegen?’ Dat hoeft niet eens een bekende te zijn. Het kan ook een volstrekt vreemde oude of jonge man of vrouw zijn. Geen winkelbezoeker is voor mij veilig. Mijn kinderen waren eraan gewend, al stoorden ze zich er zich mateloos aan, dat ik bleef kleven op het schoolplein bij deze of gene, waardoor zij eindeloos op mij moesten wachtten: ‘Papa wanneer gaan we nou!?’

    Signeren na afloop van een lezing is ook een mooi sociaal moment. Ik geniet van de rij wachtenden op een handtekening in het zojuist door hen aangeschafte boek. Het signeren van een boek is op zichzelf een eenvoudige handeling. Je slaat het boek open, zoekt de bladzijde met het meeste wit op en plaatst bovenaan die bladzijde de datum. En daaronder zet je een handtekening. Maar wat doe ik? Ik kijk de lezer aan en vraag hem of haar, naar naam en woonplaats. ‘Komt u uit de buurt?’ of ‘Hoe kwam u erbij de lezing te bezoeken?’ Dan ontspint zich al snel een gesprek. De rij wordt langer en langer. Alles wordt aan je toevertrouwd. Iemand is verdrietig over de overwinning van de PVV in het dorp dat vroeger aan heel veel Joden onderduik gaf. Een vrouw is helemaal blij als ik de naam van haar geliefde in het boek schrijf. Iemand vraagt me of ik de naam van haar opa in het boek wil schrijven. ‘Hoe oud is hij,’ vraag ik onder het schrijven. Hij is vorig jaar overleden zegt ze, en wendt haar gezicht af. Hij vertelde haar vaak over zijn oorlogservaringen.

    Ik geniet van die mensen.

    Voskuil niet. Die ervaart andere mensen als gedoe. En zo’n man werkt uitgerekend op een kantoor waar hij de hele dag tussen de mensen zit, collega’s voor wie hij weinig respect op kan brengen. Pietepeuterige collega’s die hem af en toe tot razernij brengen. Na afloop van één zo’n dag op kantoor schrijft hij: ‘Pas als ik in het donker in de wind en de regen door de verlichte Leidsestraat naar huis loop, ontspan ik, dankbaar dat ik mijn mond mag houden en met niemand iets te maken heb.’

    De anderen zijn voor Han Voskuil de hel. Die dagelijkse inferno leidt in zijn dagboek tot prachtige beschrijvingen, waarin hij zijn volgelopen gemoed reinigt. Dagboekschrijven is voor hem een vorm van geestelijke hygiëne, waarin hij de opgekropte emoties wél de vrije hand geeft. Eindeloos reflecteert hij op de ontmoetingen die hij op het moment zelf niet aankan. Achter zijn bureau gaat hij uitvoerig het gevecht aan met zichzelf en met de anderen. Hij herbeleeft de momenten van de dag, alsof hij zichzelf dan pas rekenschap geeft van wat hij heeft meegemaakt. Hij maakt schoon schip. Niet alleen schuldbewust over zijn eigen handelingen, maar ook uitermate komisch over de mensen om zich heen. Daarom kom ik altijd weer bij hem terug.


    Michiel van Diggelen publiceerde o.a. Ab Visser – Biografie (2013) en de historische roman Hendrik Peter Scholte. Vorige maand verscheen zijn biografie Weerbaar van verzetsman Arnold Douwes.

  • Waarnemen met nieuwe ogen

    Iemand zit met een mok dampende koffie op een stoel voor zijn beeldscherm. Hij probeert zijn vuist in zijn mond te proppen.
    Die situatie blijft onveranderd gedurende de hele lengte (117 pagina’s) van Je zit op een stoel van Bob Vanden Broeck. Toch gebeurt er ontzettend veel. Al na een paar pagina’s ben je ondergedompeld in een continue stroom van gedachten en gevoelens van het personage die je gevangen houden. De woordenstroom is zo pulserend, absurd, hallucinatoir dat je niet ontkomt aan doorlezen. Of misschien beter: ondergaan.

    De structuur van de roman werkt eraan mee. De tekst begint op pagina 9 en eindigt op pagina 117 zonder enige witregel of nieuwe alinea.
    Wie is ‘je’ uit de titel? Is hij of zij wel een personage waarover je leest of pakt het verhaal jou als lezer onherroepelijk bij de kladden; ben jij de ‘je’? Zoals Vanden Broeck als motto een zin uit Kosmos van Gombrowicz nam (‘Ik zat op die boomstam als op een koffer, wachtend op een trein’), zo nestelt de openingszin ‘Je zit op een stoel’ zich al na enkele regels in de lezer zelf.

    Spiegelbeeld

    Een zin die een keer of vijf in het boek voorkomt is dat het onmogelijk is ‘om wat er is, de feiten, en wat je ervaart, de gevoelens, van elkaar te onderscheiden’. Dat is wat geldt voor de ‘je’, zittend op zijn stoel in een cascade van lijfelijke belevingen, herinneringen, angsten, waarnemingen, fantasieën en dromerijen. Zo maakt hij een reis door zijn lichaam van het hoofd tot ‘de afgeplukte eelt op je voeten’, beweegt zijn hand naar het scherm en terug, bedenkt manieren waarop hij de mok kan optillen (met enkel de duim lukt het niet), ontdekt op welke manieren je een vlieg kunt doden, registreert hoe de muren in de kamer er uit zien en projecteert er beelden op, hoort en ziet door het raam wat zich buiten afspeelt, maar reflecteert ook op zijn spiegelbeeld in de ruit, enzovoort. Al die tijd lijkt hij een gevecht te leveren met zichzelf over het zitten op de stoel: wil hij opstaan, maar heeft hij de kracht niet? Moet hij zich daar schuldig over voelen?

    Nee wordt ja

    Opvallend is het gebruik van het woord ‘nee’ als een tussenwerpsel in zinnen waarin twee (of meer) keren hetzelfde wordt gezegd; een ‘nee’ dus, waar de lezer in semantische zin een ‘ja’ zou verwachten. Zoals in: ‘…en je hoort je ziel, nee, je ziel hoor je…’.
    Dat ‘nee’ duikt in het begin vaak, maar in de loop van het verhaal allengs minder op. En dan, vanaf pagina 87, wordt het ineens steeds een ‘ja’: ‘…jouw zwaaiende hand bungelt, ja, jouw handen zwaaiend in de oneindige ruimte…’.
    Wat betekent dit? Is de ‘je’ tot die 87ste pagina in verzet tegen zijn gestolde zitten op die plek en accepteert hij die situatie uiteindelijk wel? Geniet hij er zelfs van?
    Het heeft er alle schijn van als hij tegen het einde bijna uitbundig overgaat in een taalspel met alsmaar veranderende woordvolgorde in dezelfde zinnen: ‘in deze oneindige ruimte zit je op een stoel, ja, je zit stoel een op, ja, op je stoel zit een, ja zit je op een stoel, ja, je een op stoel zit, ja’ (enzovoort, enzovoort).
    Daarvoor heeft ‘je’ al eens geconstateerd: ‘…de ware ontdekkingsreis, denk je, bestaat niet uit het zoeken naar nieuwe landschappen, maar uit het waarnemen met nieuwe ogen, echte reizigers zitten op een stoel’. Dat lijkt een belangrijke stap van het ‘nee’ naar het ‘ja’.

    Traandruppels

    Wie zich op de – soms raadselachtige – gedachtestromen laat meevoeren leest een verslavende roman. Met prachtige poëtische zinnen bovendien als: ‘…zoals er herfstdagen zijn die barsten van verlangen als bloesemende magnolia’s, dagen waarop dikke druppels zich als transparante, van glas geblazen planeten aan de aardse bladeren hechten zoals de traandruppels op het gezicht van Maria Cleophas in de Kruisafneming van Rogier van der Weyden…’ (Vanden Broeck is ook kunsthistoricus en dichter).

    Laat je meevoeren en bekommer je niet teveel om je eigen logica. Of om ‘je’ zelf nog eens te citeren als hij zegt dat ‘… het niet uitmaakt of je de tekst begrijpt, maar dat je mee wordt gevoerd door een ritme dat zich lijkt los te zingen van de woorden…’.

  • IJzersterk eerbetoon aan de taal

    Eind april sprak NRC met Henny Feenstra; zij geeft Friese les op basisscholen in de provincie. Het artikel sluit af met haar uitspraak ‘Taal is ook de grond waarop je loopt’.
    Wie de roman Een woord voor van Eva Meijer leest zal waarschijnlijk met die opmerking instemmen. In de knap gecomponeerde roman laat de auteur op een geraffineerde manier zien wat we verliezen als we onze taal kwijtraken.

    Het verhaal is gesitueerd in een hedendaags Nederland. Hoofdpersonages zijn Uma en Mik. Uma schrijft gedichten en heeft een heel precies taalgevoel. Mik, die in hun (Mik is non-binair) kunstatelier met hout werkt, en Uma raken verliefd, maar die ontluikende relatie wordt beïnvloed door de verschillende reacties van beiden op de verdwijning van woorden uit de Nederlandse taal. Die woorden vallen plotseling en bovendien alomvattend weg, niet alleen uit ieders geheugen, maar ook uit de spreektaal, boeken, archieven en publicatieborden. Het eerste van die woorden is ‘achteloos’. Dat kiest Meijer niet zomaar. Het geeft precies het proces weer: de woorden verdwijnen plotseling en universeel, maar zonder dat mensen het door hebben. Ze merken het pas als ze erom verlegen zitten.

    De meesten missen ‘achteloos’ niet. Van andere woorden valt het eerder op, vooral als er publieke belangen in het geding zijn. Zo ontstaat er in de financiële wereld onrust als ‘geld’ ineens weg is. En er ontstaan twisten tussen regio’s als ‘geel’ niet meer bestaat: sommige groepen gaan het woord ‘zon’ gebruiken, andere ‘stro’ of ‘kanarie’ en dat splijt de maatschappij.
    Toch is er maar een kleine kring die zich echt druk maakt over de ontwikkelingen en een beroep doet op de regering om maatregelen te treffen.

    Metafoor

    Bij veel verdwijningen laat Meijer zien dat elk woord een eigen gevoelswaarde heeft waardoor een synoniem eigenlijk net niet past. Als ‘zeer’ verdwijnt schrijft ze bijvoorbeeld: ‘Omdat er andere woorden voor zijn valt het verdwijnen op de een of andere manier wel mee (…), heel is toch ook prima. Toch is zeer meer dan heel en zelfs dan erg, omdat het iets statigs heeft, iets ouderwetsigs’.
    Een bijzonder geval waarin de consequenties van het gemis duidelijk worden is de verdwijning van ‘metafoor’. Het leidt tot een incident in de Tweede Kamer als de Minister van BiZa, niet beseffend dat haar microfoon nog open staat, verzucht dat de leider van FvD een ‘flapdrol’ is. Die kan dat alleen nog letterlijk verstaan en niet als een metaforische verwijzing naar een gedrag.

    Hoe gebrekkiger de woordenschat wordt, hoe meer complotdenken opkomt. Is dit een ondermijnende actie van Rusland? Van China? Van de VS? De druk op het kabinet om daadkracht te tonen wordt steeds groter. Dat besluit uiteindelijk (in de roman zijn we dan bijna tot het eind gevorderd), dat we het beste kunnen overgaan op Engels. Er komt geld voor begeleiding voor wie die taal niet machtig is door benoeming van buddy’s.

    Criminaliteit

    Meijer kruidt haar verhaal met veel humor, vooral als het gaat om de politieke besluitvorming. In de premier, die John heet, zit veel van het DNA van Rutte: John is optimistisch en zeer tevreden met zichzelf, schuift zaken voor zich uit en is vooral bezig met delegeren.
    Ook anderen doen aan bekende politici denken. Je ziet Trump bijvoorbeeld voor je als in de roman de Amerikaanse president de Nederlandse premier onder druk zet om met financiële compensatie over de brug te komen omdat Engels in Nederland de voertaal wordt.
    Die humor is soms subtiel en grimmig, zoals in de naam van het ‘Ministerie van Criminaliteit en Immigratie’.

    Intussen wordt de ontwrichting van de maatschappij steeds erger. Wanneer ineens honderden persoonsnamen wegvallen is er het probleem hoe je iemand die naamloos is strafrechtelijk kunt vervolgen (de naam is immers ook uit de identiteitspapieren en de bevolkingsboekhouding verdwenen). De premier kan overigens John blijven heten omdat die naam in het Engels voorkomt.

    Wit

    Dichter Uma voert samen met Mik een uitzichtloze strijd voor het behoud van het Nederlands. Ze zoekt naar allerlei manieren om een archief op te bouwen van verdwenen woorden: als het niet met letters kan, dan maar met tekeningen. Ze werken daarvoor samen met een hoogleraar, Agnes Fagot, die verdwenen woorden onderzoekt. Maar zij kan niets bijdragen omdat zij slechts thuis is in vocabulaire dat in onbruik is geraakt.
    In het laatste deel van de roman vertellen Uma en Mik en enkele andere personages over hun persoonlijke omgang met de gebeurtenissen. De pagina’s van Uma zijn wit. Haar archief bevat nog maar enkele woorden die overleven. Ze zal als dichter geen taal meer hebben.

    Een woord voor volgt qua structuur het verlies van de taalschat. Meijer is immers zelf in de roman gebonden aan wat er aan woorden resteert en hoe verdwenen woorden worden vervangen door (benaderende) synoniemen of door Engelse equivalenten. Dat doet de auteur razend knap en consequent: op het moment waarop ‘dat’ (ook in ‘omdat’), ‘woord’ en ‘lief’ niet meer bestaan wordt een zin: ‘Uma heeft hetzelfde. “Het is logisch die…”, ze aarzelt, zoekt naar het juiste lettercluster, ver      , “love lastig is”, zegt ze. “Omdie het morrelt aan wie je bent, aan hoe je de wereld ziet”’.

    Als lezer word je erin meegezogen. Je wilt af en toe zelfs weerstand bieden aan wat er gaande is. Je ontkomt er niet aan jezelf af te vragen wat je persoonlijke verlies zou zijn.
    De Friese lerares in NRC zit er niet ver naast: de grond onder je voeten valt weg als je taal verdwijnt.
    Een woord voor is een ijzersterk boek dat iedereen moet lezen die van taal houdt of zich ongerust maakt over verlies van identiteit door verengelsing.

     

  • Oogst week 18 – 2026

    De ontdekking van de vrouw

    Filosofieboeken hervertellen? Kan dat? Dat kan zeker, en het is de basis voor de serie ‘De originelen’ van uitgeverij Athenaeum. In deze serie kruipen hedendaagse denkers in de huid van beroemde filosofen en brengen hun oorspronkelijke werk opnieuw tot leven.
    Eerder verschenen delen in deze serie zijn het boek van Coen Simon over De meditaties van René Descartes, en het boek van Bert Keizer over Traktaat over de menselijke natuur van David Hume.
    Het derde deel in deze serie is van de hand van de Vlaams-Poolse schrijfster Alicja Gescinska en gaat over De tweede sekse uit 1949 van Simone de Beauvoir.

    Alicja Gescinska (Warschau, 1981) is schrijver en filosoof. Zij schreef uiteenlopend werk: romans (Een soort van liefde), filosofische boeken, essays en poëzie en een theatermonoloog Apate. In december 2025 verscheen Vrouwen in duistere tijden, tien biografische portretten van moedige en intelligente vrouwen, onder wie Rosa Luxemburg, Anna Achmatova, Hannah Arendt en Barbara Skarga.

    Hoewel er op maatschappelijk en seksueel gebied misschien een hoop veranderd is, verkeren veel vrouwen nog altijd in een achterstandspositie ten opzichte van de man. Het hervertellen van de boodschap van De Beauvoir, – de vrouw is niet inferieur aan de man – is nog altijd nodig en actueel.
    De ontdekking van de vrouw is een filosofische monoloog waarin Alicja Gescinska Simone de Beauvoir tot leven wekt.

    De ontdekking van de vrouw

    De ontdekking van de vrouw

    Alicja Gescinska

    De tweede sekse van Simone de Beauvoir herverteld

    Uitgever: Uitgeverij Athenaeum (2026)

    ISBN 9789025319670

    88 pagina's

    Prijs: € 15,00

    Kopen bij Libris

    Erosie

    Wat gebeurt er met je als een jarenlange vriendschap eindigt? Krijg je dan te maken met iets dat te vergelijken is met liefdesverdriet? In Erosie gaat het over de vriendschap tussen Helle en Alma.

    Het is een intensieve vriendschap. Ze kennen elkaar al van jongs af aan, gaan beiden naar de kunstacademie en wonen in hetzelfde huis. Maar ze groeien uit elkaar. Helle vindt dat vreselijk, Alma heeft daar behoefte aan. Totdat ze helemaal geen contact meer hebben.
    Om rust, stilte en inzicht te vinden vertrekt Helle naar een Duits Waddeneiland. Daar maakt ze eindeloze wandelingen.

    Astrid Haerens (1989) is schrijver van proza, poëzie en non-fictie. Ze behaalde een Master in Woordkunst aan het Conservatorium van Antwerpen. Haar debuut Stadspanters verscheen in  2017. In 2022 verscheen haar poëziedebuut Oerhert waarvoor ze in 2023 de Poëziedebuutprijs ontving en genomineerd werd voor  de Herman de Coninckprijs en de C. Buddingh’-prijs.

     

     

    Erosie

    Erosie

    Astrid Haerens

    Uitgever: Uitgeverij Atlas/Contact

    ISBN 9789025478537

    160 pagina's

    Prijs: € 22,99

    Kopen bij Libris

    Danswoede

    Danswoede, het is een begrip dat echt bestaat. Het is een term voor een ziekelijke, uitputtende drang om te dansen. Het werd voor het eerst beschreven in de Middeleeuwen en werd gezien als een soort massahysterie of een medische aandoening.

    Danswoede is ook de titel van het nieuwe boek van Vincent Merjenberg. Tijdens zijn herstel van een psychose verneemt de hoofdpersoon, de schrijver Elias, dat zijn oude mentor Encke op sterven ligt. Hij gaat hem opzoeken om afscheid te nemen. Elias heeft veel aan Encke te danken, tenminste dat denkt hij. Encke heeft hem immers geholpen bij het schrijven van zijn roman over die zeldzame dansziekte.

    Maar steeds dringt zich meer de vraag op of Encke wel was wie hij voordeed te zijn. Is Elias niet op een ingenieuze manier slachtoffer geworden van manipulatie en hallucinatie? Wat was waar en wat niet?

    Merjenberg debuteerde in 2021 met De Grijzen. Daarover en over zijn schrijverschap had Ingrid van der Graaf in datzelfde jaar op deze website een interview met hem.

    Danswoede

    Danswoede

    Vincent Merjenberg

    Uitgever: Uitgeverij Atlas/Contact

    ISBN 9789025472979

    272 pagina's

    Prijs: € 23,99

    Kopen bij Libris