• Liefde in associaties

    Claire-Louise Bennet, woonachtig in Ierland en afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk, kennen we van haar debuut Poelen het alom geprezen Kassa 19, waarmee ze de Europese Literatuurprijs 2023 won. Ze schrijft in een opvallende en herkenbare stijl. Dat geldt ook voor haar in 2025 verschenen roman Dikke kus, dag-dag. De titel zet de toon voor een roman die voortdurend schakelt tussen kinderlijk en hooggestemd taalgebruik. Bennet wisselt zinnen met ingewikkelde woorden als exigeante, nymfolepsie en incubi (allemaal binnen dezelfde zin) af met dialogen die je misschien niet in een serieuze roman zou verwachten:

    ‘Je praat alsof ik een probleem heb,’ zei ik. ‘Is dat dan niet zo?’ zei hij. ‘Niet echt,’ zei ik. ‘En je bent niet bij een dokter geweest?’ zei hij. ‘O nee,’ zei ik. ‘Is het ooit bij je opgekomen?’ zei hij. ‘Is wat bij me opgekomen?’ zei ik. ‘Om naar de dokter te gaan?’ zei hij. ‘Jawel,’ zei ik, ‘het is bij me opgekomen, lang geleden is het bij me opgekomen. Maar toen, met enige moeite, veranderde mijn kijk erop en leek het niet langer relevant om maar de dokter te gaan.’ ‘Aha,’ zei hij, ‘dus het is geen probleem?’ ‘Niet echt,’ zei ik. ‘Nou,’ zei hij, ‘ik moet zeggen, ik vraag me af of ik het begrijp – het klinkt allemaal erg ingewikkeld.’ ‘Het is ook een beetje ingewikkeld,’ zei ik, ‘maar het is niet alleen maar onprettig, laat ik het zo zeggen.’ ‘Nee?’ zei hij. ‘O nee,’ zei ik, (…)

    Bloemen

    De wat trage, alledaagse gesprekken kunnen bladzijdenlang doorgaan, waardoor je als lezer het gevoel krijgt de conversatie van dichtbij mee te maken vanwege de directheid van de dialogen. Aan het woord zijn hier de naamloze ik-figuureen schrijfster, en haar veel oudere vriend Xavier. Hun relatie is al enige tijd geleden beëindigd, maar de ik is nog lang niet los van hem en denkt regelmatig op zeer associatieve wijze terug aan mooie en minder mooie momenten uit hun relatie. Zij is ondertussen verhuisd van de stad naar een uitgestorven dorpje op het platteland, zonder hem daarvan op de hoogte te stellen. Al snel rijst de vraag of hun samenzijn überhaupt kans van slagen zou hebben gehad. Ze merkt op dat ze in haar dagboek zijn naam zelden voluit schreef, alleen zijn initiaal en dat ze op haar telefoon zijn nummer bewaart onder de eerste letter van zijn naam. Xavier is duidelijk veel ouder dan de ik, het gaat in bijzinnen over een rolstoel en een kunstgebit, maar toch is zijn leeftijd niet de belangrijkste reden van hun scheiding. Meerdere keren bestempelt de ik Xavier als een narcist die niet weet wat liefde is. Enerzijds wordt hij inderdaad afgeschilderd als een hork die te lui is om de afwas voor haar te doen, maar anderzijds wil hij er als een galante man wekelijks voor zorgen dat de ik verse bloemen heeft. Hij sluit daarvoor zelfs een soort abonnement van vijftig euro per week af, waarvoor ze zelf bloemen mag gaan uitzoeken. Ze ervaart dat als beklemmend, omdat ze de voorkeur geeft aan kleine bossen of zelfs aan enkele bloemen, waardoor ze steeds grote moeite heeft om aan dat bedrag te komen.

    Intertekstualiteit

    De bloemboeketten die steeds terugkeren zou je als een knipoog naar Mrs Dalloway van Virginia Woolf kunnen opvatten. Net als Mrs Dalloway is Dikke kus, dag-dag opgebouwd volgens het principe van de ‘stream of consciousness’Wie een duidelijk opgebouwde verhaallijn verwacht, zal weinig houvast vinden. Intertekstualiteit speelt een belangrijke rol. Hildegard van Bingen komt een aantal keer voorbij, er zijn verwijzingen naar Joris-Karl Huysmans en het motto uit diens boek Uit de diepte past de roman van Bennet als een handschoen: ‘Nee, u kunt ze niet horen, de duizend gesprekken waarmee mijn ziel de uwe verveelt…’ 

    Inhoudelijk weet de lezer na afloop nauwelijks meer dan de flaptekst al prijsgaf. Wel wordt duidelijker waarom de relatie tussen Xavier en de ik is gestrand. Tegelijkertijd is het nog maar de vraag of je het als lezer bij het juiste eind hebt wanneer je bepaalde scènes interpreteert. Wat te denken bijvoorbeeld van de droom waarin de ik een schorpioen doodt met een boek en die droom uitgebreid en heel beeldend aan een vriendin vertelt. Heeft de droom met haar schrijverschap te maken? Bedoelt ze met de schorpioen eigenlijk Xavier, die tot woede van de ik vindt dat ze filmscenario’s zou moeten gaan schrijven? Er bij deze roman zijn genoeg redenen om je hoofd erbij te houden.

    Uitweidingen

    Romans over de teloorgang van een relatie zijn niet nieuw, de manier waarop Claire-Louise Bennet dat thema oppakt is echter zeker vernieuwend. Tussen de regels door merk je dat de ik haar voormalige geliefde nog niet heeft kunnen loslaten, maar dat ze tegelijkertijd haar keuze om hem te verlaten niet in twijfel trekt. De onafgebroken stroom gedachten en gesprekken vraagt veel van de lezer; waarnemingen, herinneringen en dialogen buitelen voortdurend over elkaar heen. Voor wie geen liefhebber is van ‘stream of consciousness‘  is het een opgave om tussen de vele associaties en de uitweidingen waarvan het boek aan elkaar hangt, de aanwezige elementen als intertekstualiteit of mooie beschrijvingen op te merken. Wie bereid is zich over te geven aan Bennets associatieve vertelwijze ontdekt een roman die minder wil vertellen dan laten ervaren. Juist daarin schuilt haar grootste kracht.

    Dikke kus, dag-dag

    Dikke kus, dag-dag

    Claire-Louise Bennett

    Vertaling door: Karina van Santen en Martine Vosmaer

    Verschenen: 2024

    Uitgever: Koppernik

    ISBN 9789083535616

    220 pagina's

    Prijs: € 22,50

    Kopen bij Libris

  • De veilige desolaatheid van het bestaan

    Toorn is de tweede roman van Gabrielle la Rose over Tyrell een (fictieve) Amsterdamse jongen die opgegroeid is in een gewelddadig gezin en mede daardoor zelf een keiharde crimineel wordt. Het leven is voor hem een ‘levenslange veroordeling’. Hij spreekt alleen nog de taal van de straat, voor hem gelden eigen wetten en regels. Pijn is zijn beste afleider van pijn. ‘Ik ben officieel gestoord’, zegt hij halverwege de roman, ‘ik heb geroofd. Gemarteld. Gestolen. Gemoord’. Hij zegt dat hij geen spijt heeft. Maar in het nawoord van het boek laat de schrijfster Tye ook zeggen dat ‘niets en niemand is wat het lijkt’. 

    Natuurlijk zit er ook menselijkheid, liefde en behoefte daaraan in deze keiharde straatjongen. Dat is onder andere duidelijk in zijn contact met het kleine neefje Dex met wie hij heel lief omgaat en die ook gek op z’n grote oom is. Maar wat de eerdere roman Niet geschikt voor publicatie extra aangrijpend maakt, namelijk dat Tye in wezen een lieve jongen is die hunkert naar liefde, vertrouwen en een veilig thuis is in deze tweede roman bijna afwezig. Tye is na een TBS-veroordeling en ‘twaalf kerstbomen binnen’ verder verhard. Zijn tijd in de gevangenis is een belangrijke leerschool geweest voor het oppakken van de criminele draad in de parallelle wereld buiten de bak. Daarnaast heeft hij ‘als een circusacrobaat’ geleerd zich schijnbaar te voegen naar wat door behandelaars en begeleiders van hem verwacht wordt. Dat hij óók nog dezelfde jongen is die als zestienjarige voor het eerst vast kwam te zitten, zien de ‘nette mensen’ die altijd in vrijheid leven niet. Alleen dat al maakt hem boos.

    Aardige jongens

    Na zijn vrijlating, als Tye nog bij z’n geslaagde zus Esra, haar man Berend en hun zoontje Dex inwoont, zoekt hij al snel zijn vriend en voormalige partner in crime Rico op. Volgens justitie vormden zij samen met leider Don een klassieke nietsontziende criminele organisatie, voor Tye is Rico zijn ‘broer’ en Don zijn surrogaatvader, steun en toeverlaat. En hoewel deze Don ooit aan Tye heeft uitgelegd: ‘Wij gaan niet met pensioen, wij gaan dood’, geniet hij nu van zijn oude criminelendag in een luxe villa in Marbella waar hij zielige honden opvangt en zo nu en dan de jongens ontvangt. ‘Aardige jongens zijn het’, denk hij warm, met een knipoog naar de brave Titaantjes van Nescio, ‘Gouwe gozers.’ Maar de aardige jongen die Tye is heeft een belangrijke missie, een project. Hij wil wraak nemen op zijn ex Monika.

    Serafina is een aardig meisje dat achter de balie werkt bij de reclassering waar Tye wekelijks langskomt. Tye herkent in haar pijn en kwetsbaarheid en ziet samenwerkingskansen voor zijn wraakproject. Ze spreken samen af en al snel blijkt dat Tyes lotgenotenkennis hem niet bedrogen heeft. Serafina heeft een vreselijke en liefdeloze geschiedenis achter de rug in een sekte. Ze lijkt nu eerste stapjes in een vrij en onbezorgd leven te kunnen gaan zetten met lieve collega’s die zich als vriendinnen opwerpen, maar ook in die route gaat er al snel iets mis. Ze ervaart dat de ‘enge man’ niet die ene in de bosjes is. ‘Ze zijn met heel veel en […] onherkenbaar en overal.’ Vriendelijke vaders die hun kind van de crèche halen, politici en presentatoren. Dit alles maakt haar ontvankelijk voor Tyes destructieve plannen, al was het alleen al omdat ze nu een heft in eigen handen kan nemen en van lijdend voorwerp onderwerp kan worden.

    Misbruik

    Weinig mensen zullen uit het niets een boef worden. Uit La Roses vorige boek over Tye blijkt dat de jonge Tyrell in een bijzonder onveilige thuissituatie opgroeit waarin hij en zijn zusje Kim misbruikt worden door een gewelddadige oom. Kim wordt door de oudere Tye regelmatig genoemd, zij en haar droeve lot zijn een belangrijke inspiratiebron voor zijn boosheid en wraakgevoelens tegenover mannen die hij ‘Onze eigen grootste teleurstelling’ noemt. Voor Serafina is het niet veel anders. In de sekte waar zij met haar ouders deel van uitmaakte was misbruik eerder regel dan uitzondering en als vrouw heeft zij ook in haar vrije leven nadat ze uit de sekte ontsnapt is met mannelijke agressie te maken. Ze is misschien wat te goedgelovig en meegaand als Tye haar zijn wraakactie ontvouwt, maar ze heeft zeker een eigen agenda en motivatie. ‘Mijn recht. Mijn toorn. Mijn overwinning.’ Haar slachtoffers zijn de eigenlijke daders.

    La Roses debuut Niet geschikt voor publicatie uit 2022 werd in 2023 genomineerd voor de prijs van het Beste Boek voor Jongeren, een literaire prijs van het CPNB die boeken bekroont die goed aansluiten bij de belevingswereld van jongeren. Hoewel die roman niet als Young Adultboek is uitgegeven, was die nominatie begrijpelijk en terecht. Ook deze tweede roman Toorn is als volwassenenroman uitgegeven. De hoofdpersoon is inmiddels volwassen, het boek is nog rauwer. Het is overduidelijk dat schrijfster Gabrielle la Rose weet waar ze over schrijft, dat ze deze beschadigde oudere jongeren goed kent, ze begrijpt en overtuigend duidelijk kan maken wat hen drijft. Ze beschrijft van binnenuit hun defaitisme en cynisme, de hardheid en toorn in kenmerkend straattaalgebruik om van te genieten. ‘Ik moet verder moven in mijn leven’, zegt Tye als hij onverwacht en wat zus Esra betreft veel te snel zijn tijdelijke onderkomen bij haar en haar gezin verlaat, ‘en never dat ik jullie ooit laat vallen of vergeet.’ Helaas meent hij wat hij liegt. Maar spijt zal hij niet krijgen, want daar heb je een geweten voor nodig, zoals hij eerder cynisch zelf heeft beweerd. 

    Het is een pijnlijke werkelijkheid die La Rose beschrijft en een die verdrietig stemt omdat je de personages zoveel anders gunt. Want ‘[…] weet je wat die shit is? We zijn altijd alles meer en altijd alles minder dan wat mensen denken te weten.’ La Rose heeft met deze roman een klein inkijkje gegeven in wat jongeren als Tye en Serafina méér zijn dan kansloze criminelen.

    Toorn

    Toorn

    Gabrielle la Rose

    Uitgever: Lebowski

    ISBN 9789048862375

    304 pagina's

    Prijs: € 22,99

    Kopen bij Libris
  • Ontregelde geest in protest

    Johannes van der Sluis is al geruime tijd actief is in de literaire wereld. Hij is hoofdredacteur van Hollands Maandblad en publiceerde eerder verschillende dichtbundels, waaronder Een mens moet ook niet alles willen wetenIk ben de Verlosser niet – genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs – en Profane verlichting. In 2024 verscheen Mijn vaderland. Met De grote kuur waagt Van der Sluis zich voor het eerst aan een roman. 

    Dat van de Sluis uit de poëzie komt, is in De grote kuur voortdurend merkbaar. Het boek is geen klassieke, strak opgebouwde roman, maar een literaire en behoorlijk eigenzinnige vertelling waarin psychologische ontregeling, literatuur, geschiedenis, religie en maatschappelijke kritiek voortdurend in elkaar grijpen.

    Psychische crisis

    Centraal in het boek staat Paul Bleicher, een 44-jarige psycholoog uit Assen. Zijn leven raakt volledig ontwricht wanneer hij wordt beschuldigd van grensoverschrijdend gedrag. Nadat hij zijn assistente tegen haar wil heeft gekust, maakt zij zijn gedrag bekend aan zijn cliënten en komt er een einde aan zijn praktijk. Paul belandt in een ernstige psychische crisis en wordt opgenomen in een psychiatrische kliniek, waar hij als bipolair wordt gediagnosticeerd. Daarenboven loopt ook zijn huwelijk op de klippen.

    Paul probeert vervolgens letterlijk en figuurlijk afstand te nemen van zijn oude leven. Hij reist naar het Noord-Italiaanse Merano, een plaats die voor hem een soort toevluchtsoord moet worden. Hij wil er schrijven en hoopt er de dood van zich af te kunnen schudden. Onderweg ontmoet hij Rebecca, op wie hij onmiddellijk verliefd wordt. Wanneer zij vervolgens niets meer van zich laat horen, raakt hij opnieuw geobsedeerd door zijn eigen verlangens en ideeën. In Merano raakt Paul betrokken bij Małgorzata, een jonge, kwetsbare en streng katholieke Poolse vrouw. Hij neemt haar onder zijn hoede, maar ook deze relatie wordt gekleurd door zijn neiging om anderen vooral vanuit zijn eigen behoeften en overtuigingen te bekijken. Uiteindelijk reist hij door naar München. Daar ontwikkelt zijn persoonlijke crisis zich tot een steeds radicaler maatschappelijk en politiek waanbeeld. Hij ziet in het hedendaagse Duitsland de contouren van wat hij het ‘Vierde Rijk’ noemt en wil met een eenmansprotest de geschiedenis een andere richting geven. Zijn persoonlijke zoektocht naar verlossing krijgt zo steeds groteskere vormen.

    Aparte stijl

    De stijl van De grote kuur kan op zijn minst bijzonder genoemd worden. Van der Sluis schrijft associatief, intelligent en bij momenten geestig. De humor is echter meestal wrang: de lezer kijkt mee naar iemand die zichzelf steeds verder verliest, terwijl Paul zijn eigen gedrag tegelijkertijd van allerlei intellectuele en filosofische verklaringen voorziet.

    De roman bevat veel literaire verwijzingen en citaten. Onder meer Emily Brontë, Orson Welles en de Duitse schrijver Morgenstern spelen een rol. Vooral de verwijzingen naar Morgenstern vormen een terugkerend motief, mede omdat diens levensgeschiedenis verbonden is met Merano en München. Die intertekstualiteit geeft de roman een extra laag, maar kan ook afstand scheppen. Niet iedere lezer zal alle verwijzingen onmiddellijk herkennen of de Duitse passages en gedichten zonder meer kunnen plaatsen, wat het soms lastig maakt om lezen. Ook de structuur vraagt inspanning. Het verhaal beweegt geregeld tussen heden en verleden en volgt niet altijd een duidelijk lineair pad. Dat past goed bij Pauls ontregelde geest, maar maakt het boek soms moeilijk toegankelijk. De vorm weerspiegelt dus de inhoud, al is dat niet altijd hetzelfde als leesplezier.

    Paul Bleicher is zonder twijfel  een interessantst personage. Hij is intelligent, belezen en gevoelig, maar tegelijk egocentrisch, onzeker en nauwelijks in staat om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen gedrag. Juist die tegenstrijdigheid maakt hem intrigerend. De lezer kan begrip opbrengen voor zijn psychische ontregeling, maar wordt voortdurend geconfronteerd met zijn onaangename kanten. Hij maakt van zijn persoonlijke problemen een soort filosofisch wereldprobleem en ziet zichzelf steeds meer als slachtoffer van krachten die groter zijn dan hijzelf. De andere personages blijven sterk in zijn schaduw. Rebecca is vooral belangrijk als object van Pauls verlangen: zijn verliefdheid zegt uiteindelijk meer over hem dan over haar. Małgorzorta krijgt iets meer ruimte en laat zien hoe Pauls behoefte om anderen te redden tegelijk een vorm van zelfbevestiging kan zijn. Ook Pauls ex-vrouw speelt een belangrijke rol in de achtergrond van zijn ontwrichte leven, hoewel zij minder diep wordt uitgewerkt.

    Origineel, maar weinig toegankelijk

    De grote kuur is zeker origineel. Van der Sluis kiest niet voor een voorspelbaar verhaal over psychische problemen, maar vermengt persoonlijke crisis met literatuur, religie, Duitse geschiedenis en maatschappelijke angst. De wrange humor voorkomt bovendien dat het boek uitsluitend zwaar of somber wordt. Vooral de manier waarop Paul zijn eigen ontsporing probeert te rationaliseren, is scherp en soms geestig.

    Daar staat tegenover dat de roman behoorlijk veeleisend is. De vele flashbacks, literaire verwijzingen en associatieve passages maken het verhaal niet altijd gemakkelijk te volgen. Sommige personages blijven bovendien relatief oppervlakkig en bepaalde ideeën krijgen zoveel nadruk dat ze soms eerder geconstrueerd dan organisch aanvoelen. Ook de Duitse citaten en poëzie, die niet altijd worden vertaald, kunnen een drempel vormen. 

    De grote kuur is een intrigerend en eigenzinnig debuut, maar het is geen roman die vlot leest. Je moet bereid zijn mee te gaan in de verwarde gedachtewereld van Paul Bleicher en de vele literaire en historische zijpaden te volgen. Dat maakt het boek lastig om lezen. Van der Sluis heeft met zijn eerste roman weliswaar een merkwaardig, intelligent en bij momenten ongemakkelijk boek geschreven, maar het is niet altijd even toegankelijk.

    De grote kuur

    De grote kuur

    Johannes van der Sluis

    Verschenen: 2025

    Uitgever: Jurgen Maas

    ISBN 9789493397200

    164 pagina's

    Prijs: € 19,90

    Kopen bij Libris
  • Moderne hervertelling van een oud verhaal

    In 1873 schreef Jules Verne Reis om de wereld in tachtig dagen. Anderhalve eeuw later spreekt het boek nog steeds tot de verbeelding en wordt het nog frequent gelezen.  Adwin de Kluyver – schrijver, historicus, organisator van filmfestivals en poolreiziger -studeerde cultuurgeschiedenis en richtte zich in zijn eerdere werk vooral op ontdekkingsreizen en poolgeschiedenis. Met Aouda en Passepartout  waagt de Kluyver zich voor het eerst aan een jeugdroman.
    […]
    Aouda en Passepartout is een hervertelling van Jules Vernes beroemde boek, maar de Kluyver kiest bewust voor een ander perspectief. Waar bij Verne vooral Phileas Fogg en diens weddenschap centraal staan, krijgen hier twee personages die oorspronkelijk slechts een bijrol vervulden het verhaal in handen. 
    […]
    De Kluyver bewijst dat een klassieker niet onaantastbaar hoeft te zijn om waardevol te blijven.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

    Aouda en Passepartout

    Aouda en Passepartout

    Adwin de Kluyver

    Verschenen: 2026

    Uitgever: Lemniscaat

    ISBN 9789047718055

    Prijs: € 16,99

    Kopen bij Libris
  • Op zoek naar bescherming

    In 1988 kwam Patrick Modiano in France Soir van 31 december 1941 een advertentie tegen van het Parijse echtpaar Bruder: ze vroegen hulp bij het vinden van hun spoorloos verdwenen dochter Dora. Er stond een nauwkeurig signalement bij van het 15-jarige meisje (de advertentie staat hier afgebeeld op). Dora was een joods meisje. 
    Modiano, die zelf op zijn vijftiende van huis was weggelopen en wiens vader in 1940 geweigerd had zich als jood te laten registreren, wilde het leven van dit meisje reconstrueren, maar het boek daarover (Dora Bruder) zou hij pas in 1999 afronden. 
    Daaraan vooraf gaat Huwelijksreis, de vertaling van Voyage de noces, dat in 1990 al uitkwam. 

    Modiano vond de advertentie over Dora, toen hij documentatie verzamelde voor dat boek over een fictief joods meisje van zestien dat aan deportatie ontkomt door te trouwen met een vriend die ze kort daarvoor in Parijs had leren kennen en met wie ze naar de Côte d’Azur is gevlucht. 

    Donkergroene map

    Je kunt je er gemakkelijk een voorstelling van maken hoe het Modiano te moede was toen zijn oog op die advertentie viel: Huwelijksreis heeft een passage waarin verteller Jean B, zijn donkergroene map met aantekeningen en krantenknipsels doorbladerend, stuit op een advertentie van een vader die meldt dat zijn dochter ‘een meisje, Ingrid Teyrsen, 16 jaar’ vermist is. Het signalement is vrijwel gelijk aan dat van Dora Bruder. Zelfs het adres scheelt bijna niet: ‘Boulevard Ournano’, niet nummer 41, maar 39.

    Omdat Modiano er kort na de ontdekking van het krantenberichtje niet in slaagde voldoende te reconstrueren wie Dora Bruder was, ontstond eerst Huwelijksreis, een zoektocht in romanvorm naar haar alter ego. 

    Genoemde Jean is Jean B, een documentairemaker die op een dood punt in zijn carrière is beland. Hij heeft zich voorgenomen te onderzoeken wat er gebeurd kan zijn met een Parijse vrouw over wie hij achttien jaar geleden in Milaan heeft gehoord dat ze twee dagen daarvoor zelfmoord heeft gepleegd in een van de kamers in het hotel waar hij zelf op dat moment verbleef. Hij had daarna de Corriere della sera gekocht, waarin het berichtje stond. Hij wist op dat moment nog niet dat die vrouw een bekende van hem was.
    Dat is het onheilspellende begin van Huwelijksreis

    Dekmantel

    In het volgende hoofdstuk is hij opnieuw in Milaan. Hij weet al jaren dat het meisje uit de krant dat zelfmoord had gepleegd Ingrid was, de echtgenote van Rigaud. Jean kende het stel omdat hij van hen zes jaar voor haar zelfmoord een lift had gehad naar Saint-Tropez en daar kort bij hen was gebleven. 
    Deze keer, achttien jaar, na haar dood, is hij er kort omdat hij zichzelf heeft laten verdwijnen voor zijn naasten; hij is niet, zoals met hen afgesproken naar Rio de Janeiro gevlogen, maar naar Milaan om vandaar terug te gaan naar Parijs. Daar wil hij op zoek naar Rigaud, de weduwnaar van Ingrid (het huwelijk was een dekmantel voor haar om aan de jodenvervolging te kunnen ontsnappen), die mogelijk nog leeft. 
    Uiteindelijk vindt hij diens woning en betrekt die zelfs even. Van de conciërge van het appartement hoort hij dat Rigaud niet meer terug komt – een uitleg volgt niet. 
    Jean zelf wordt ondanks zijn afleidingsmanoeuvre door zijn vrouw Annette wel teruggevonden.

    Parallellen

    Modiano gebruikt deze grote lijn om verteller Jean in zijn eigen herinneringen te laten duiken en om, net als in andere romans, scherp te stellen in welke situaties joden zich bevonden die aan de genocide probeerden te ontkomen. Schrijnend is bijvoorbeeld hoe Ingrid haar vader in de steek liet en hoe ze met Rigaud in een isolement terecht kwam in een wereld aan de Côte d’Azur die nog altijd luxe ademde.
    De auteur doet dat verhaal van Jean met voortdurend wisselende sprongen heen en weer in de tijd. Dat vraagt alertheid van de lezer die zich steeds bewust moet zijn van de tijd waarin hij al lezend verblijft.

    Er zitten veel parallellen in de levens van Jean en van Ingrid. Het is dan ook geen wonder dat trefwoorden uit haar leven ook voor het zijne opgaan: vlucht (‘Ik wilde vooral vluchten’ zegt Jean ergens), leegte (een gevoel dat ze beide een paar keer benoemen), bescherming (Ingrid die bescherming zoekt bij Rigaud en Jean tijdens een wandeling met Ingrid: ‘Het contact van haar arm en schouder gaf me een gevoel dat ik nog nooit had gekend, een gevoel van bescherming’) en tenslotte verlies.

    Fragmenten

    In zekere zin is Huwelijksreis een verzameling fragmenten zoals de donkergroene knipselmap van Jean (en die van Modiano zelf in 1988): ondanks alle precieze aanduidingen van (werkelijk bestaande) adressen blijft veel onduidelijk als om te laten zien hoe groot ons verlangen naar houvast in het verleden is en hoe onvolkomen onze herinnering daaraan. 
    We kunnen slechts behoedzaam benaderen waarnaar we op zoek zijn.

    Voyage de noces

    Voyage de noces

    Patrick Modiano

    Vertaling door: Martin de Haan

    Verschenen: 2026

    Uitgever: Weerwoord

    ISBN 9789493456181

    176 pagina's

    Prijs: € 24,99

    Kopen bij Libris
  • Tekst zonder ballast

    Deining is de eerste verhalenbundel van de Welshe auteur Cynan Jones, die de voorbije jaren uitgroeide tot een van de meest eigenzinnige stemmen binnen de hedendaagse Britse literatuur. Jones woont en werkt nog steeds in het landelijke Ceredigion, een streek die een onuitwisbare stempel drukt op zijn werk. Eerder verwierf hij veel lof met korte romans als The Long DryThe DigEverything I Found on the Beach en Cove. Daarnaast won hij onder meer de BBC National Short Story Award en de Wales Book of the Year Fiction Prize. Zijn verhalen en romans spelen zich vrijwel steeds af in een ruig landschap waarin mens en natuur voortdurend met elkaar in conflict zijn, maar ook onlosmakelijk met elkaar verbonden blijven. Diezelfde thematiek keert nadrukkelijk terug in Deining, de Nederlandse vertaling van de bundel Pulse.

    Zes verhalen

    De bundel bestaat uit zes verhalen die inhoudelijk los van elkaar staan, maar verbonden worden door eenzelfde sfeer van dreiging, kwetsbaarheid en volharding. Het titelverhaal ‘Deining’ beschrijft een jong gezin dat tijdens een zware storm geïsoleerd raakt in een afgelegen huis. Terwijl de wind aanzwelt en een boom gevaarlijk richting elektriciteitsleiding helt, groeit ook de spanning tussen de partners. De storm wordt een metafoor voor de druk waaronder hun relatie en jonge gezin staan. Jones laat zien hoe de natuur niet alleen een fysieke bedreiging vormt, maar ook verborgen emoties naar de oppervlakte brengt.

    In ‘Rendier trekt een man door een besneeuwd berglandschap op zoek naar een beer die het vee van de plaatselijke boeren aanvalt. Wat begint als een jachtverhaal, verandert langzaam in een beschouwing over angst, verantwoordelijkheid en de dunne grens tussen mens en dier. De uitgestrekte sneeuwvlaktes en de stilte versterken voortdurend het gevoel dat de natuur zich niets aantrekt van menselijke plannen of verwachtingen.

    Het verhaal ‘Koe’ speelt zich af op een boerderij waar een koe een bijzonder moeilijke bevalling doormaakt. De lezer volgt stap voor stap de wanhopige pogingen om zowel moederdier als kalf te redden. De fysieke beschrijvingen zijn rauw en soms confronterend, maar nooit gratuit. Achter de strijd om nieuw leven schuilt een diepere reflectie over verantwoordelijkheid, verlies en de kwetsbaarheid van alles wat leeft.

    Ook ‘Witte vierkantjes’ draait om menselijke relaties, al verschuift hier de aandacht naar een vader die moeite heeft om opnieuw aansluiting te vinden bij zijn zoon. De afstand tussen beiden wordt nooit expliciet verklaard; Jones suggereert meer dan hij vertelt. Daardoor krijgt het verhaal een emotionele lading die nog lang blijft nazinderen. Juist de stiltes tussen de dialogen en de onuitgesproken gevoelens maken duidelijk hoe moeilijk het soms is om elkaar werkelijk te bereiken.

    Wat deze verhalen vooral met elkaar verbindt, is de uitzonderlijke stijl van Cynan Jones. Zijn proza is uiterst sober en compact. Hij schrijft korte zinnen, laat veel onuitgesproken en vertrouwt erop dat de lezer zelf de emotionele verbanden legt. Toch voelt die beknoptheid nooit afstandelijk aan. Integendeel: elk woord lijkt zorgvuldig gekozen en draagt bij aan de spanning. Zijn natuurbeschrijvingen zijn bijzonder zintuiglijk; wind, regen, sneeuw, modder en dieren zijn niet zomaar decor, maar bepalen mee het innerlijke leven van de personages. Daardoor ontstaat een proza dat tegelijk poëtisch en tastbaar is. Jones bewijst dat een kort verhaal niet veel woorden nodig heeft om een grote emotionele impact te hebben.

    Tijdens het lezen valt vooral op hoe intens de verhalen aanvoelen. Ze zijn zelden spectaculair in de klassieke betekenis van het woord, maar ze houden de lezer voortdurend in een gespannen verwachting. Onder de schijnbare eenvoud schuilt een voortdurende dreiging: een storm die elk moment kan toeslaan, een dier dat sterft, een relatie die onder druk staat of een mens die zichzelf dreigt kwijt te raken. Jones schrijft niet over helden, maar over gewone mensen die proberen stand te houden in omstandigheden waarover ze nauwelijks controle hebben. Juist die herkenbare kwetsbaarheid maakt de verhalen zo aangrijpend.

    Nazinderen

    De grootste verdienste van Deining is ongetwijfeld de literaire kracht waarmee Jones complexe emoties weet op te roepen zonder ze expliciet te benoemen. Zijn verhalen blijven nog lang nazinderen omdat ze ruimte laten voor interpretatie. De natuur is daarbij veel meer dan een achtergrond; ze weerspiegelt de innerlijke toestand van de personages en maakt duidelijk hoe klein de mens uiteindelijk is tegenover de krachten die hem omringen.

    Toch zal deze bundel niet iedere lezer aanspreken. Wie houdt van uitvoerige karakterontwikkeling, een duidelijke plot of afgeronde ontknopingen, kan de verhalen als te fragmentarisch of zelfs enigszins afstandelijk ervaren. Jones vraagt een aandachtige lezer die bereid is de stiltes tussen de regels zelf in te vullen. Soms blijft daardoor ook een gevoel van onvolledigheid achter.

    Dat kleine bezwaar weegt echter nauwelijks op tegen de indrukwekkende kwaliteit van deze bundel. Deiningtoont een schrijver die met een minimum aan woorden een maximum aan emotionele zeggingskracht bereikt. Het zijn verhalen die niet luid schreeuwen, maar zich langzaam onder de huid nestelen. Wie bereid is zich over te geven aan Jones’ sobere, beeldrijke stijl, ontdekt een bundel die zowel ontroert als verontrust en nog lang blijft resoneren nadat de laatste bladzijde is omgeslagen.

    Deining

    Deining

    Cynan Jones

    Vertaling door: Manon Smits

    Uitgever: Koppernik

    ISBN 9789083572437

    192 pagina's

    Prijs: € 23,50

    Kopen bij Libris
  • Liefde en gemis in Leda’s leven

    In Leda in de regen, geschreven door Martijn Couwenhove, staat het wonderlijke verhaal van de olifant en de giraf. De olifant wil net als vogels boven in een boom zitten, maar hij is veel te zwaar en valt bij elke poging met boom en al op het mos. ‘[…] het is een wonder dat hoge bomen niet op de grond liggen,’ zegt de olifant. Op een dag ontmoet hij een giraf met vijf meter hoog een zachte blik in bruine ogen. Hij wordt op slag verliefd en er volgt een liefdevolle omhelzing. ‘Jij bent mijn boom’, zegt de olifant.

    De korte roman van de kunstschilder, schrijver en uitgever Martijn Couwenhoven gaat niet over olifanten en giraffen maar het olifantenverhaal vangt veel van waar het verhaal wel over gaat, namelijk over liefde, melancholie, onbevangenheid, verbazing en het onverwachte, of noem het een zekere absurditeit. Hoofdpersoon Leda is acht als haar beide ouders overlijden door een auto-ongeluk tijdens een verschrikkelijke sneeuwbui. Leda zit ook in de auto maar overleeft de botsing tegen de boom. Haar broer en zusje logeren op de fatale avond bij familie. Ze is nu 38 jaar, de leeftijd die haar moeder had toen ze overleed. Het verlies van haar ouders hangt nog altijd als een donkere wolk boven haar leven. 

    Gemis van moeder

    Leda Miller fietst door de herfstregen en ze ziet bij de onderdoorgang van het station een vrouw op haar rug naast haar fiets liggen, zo begint het verhaal. Er is al iemand bij en de ambulance is gebeld. Als Leda het gezicht van de vrouw ziet schrikt ze omdat ze op haar moeder lijkt, maar dan in een tientallen jaren oudere versie. Ze legt haar jas als een deken over haar heen, zet de fiets van de vrouw aan de kant en op slot en gaat de volgende dag naar het ziekenhuis met de bedoeling de sleutelbos met fiets- en huissleutel terug te geven en haar jas weer op te halen. Tot zo’n ruil komt het niet. Er ontspint zich een heel andere route waarin Leda in het huisje van de huissleutel van de vrouw trekt dat zich op drie uur rijden van haar woonplaats bevindt in een bosrijke omgeving vlak bij de Duitse grens. 

    In het jaar na het fatale auto-ongeluk brengt een meester in de derde klas van de lagere school Leda op het idee brieven te gaan schrijven aan haar ouders om de pijn te verzachten. Ze begint niet lang daarna inderdaad te schrijven; eerst brieven vanuit het perspectief van haar ouders aan haar en later een fictief dagboek vanuit haar moeder. Na de middelbare school gaat ze filosofie studeren, vooral omdat ze een schrijvend beroep wil. Hoewel ze twijfelt aan de filosofiestudie maakt ze haar toch af maar ze wil nog steeds en eigenlijk veel liever schrijven. Dat lukt vooralsnog niet omdat er zoals vriendin Beatrice zegt een muur in de weg zit. Als ze achter de laptop gaat zitten typt ze ‘het licht moet lichter’, minder zwaar bedoelt ze, maar verder komt ze niet. 

    Het auto-ongeluk, de logeerpartij van de kinderen bij het gezin van een tante en oom die uitmondt in een permanente verhuizing, de herinneringen aan haar ouders en het gemis, de relatie met haar broer en zusje, hun niet-praten over het verlies en later Leda’s werk in de kookwinkel van vriendin Beatrice, dit alles wordt beschreven in innerlijke monologen vanuit Leda’s perspectief. Als Leda na een autorit door een schier ondoordringbare sneeuwbui bij mevrouw Meijerinks huis aankomt en de vriendelijk-behulpzame boswachter en huisoppasser Mats en later ook buurman Arthur ontmoet kabbelt het verhaal wonderlijk verder in Leda’s wereld. Ze spreekt hun veronderstelling dat ze mevrouw Meijerinks dochter is niet tegen. Ze liegt niet maar dat hoeft ook niet want ze ervaart dat mensen voortdurend van alles invullen, dus een eigen werkelijkheid creëren waarin je gewoon mee kunt gaan, waar of onwaar.

    Licht in de duisternis

    De filosofische kennis en inzichten die Leda heeft opgedaan tijdens haar studie leveren veel mooie passages op over eeuwige wederkeer, de ondraaglijke lichtheid van het bestaan en jezelf worden door stappen naar de eenzaamheid te zetten. Filosofen, kunstenaars en schrijvers passeren de revue, zoals Joost Zwagerman en zijn boek De stilte van het lichtdat op het nachtkastje naast mevrouw Meijerinks bed ligt. Het verlangen om er niet te zijn, resoneert in Leda, een verlangen ‘om niet in het licht te zijn maar in de schaduw’, zoals duisternis en dreiging veel aanwezig is in haar waarnemingen en gedachtes. 

    In de regen heeft ze mevrouw Meijerink na het ongeluk aangetroffen en na de sneeuwbui op haar reisdag regent het elke dag in Leda’s leven in het boshuisje. Zelfs haar ogen ‘regenen’: ze heeft een oogaandoening waardoor haar ogen soms extra tranen. Toch zijn er ook genoeg opklaringen. Leda bevindt zich temidden van een overdadige natuur met reeën in de tuin, hazen op het pad, ontmoetingen met een heuse wolf en veel vogels in en om het huis. ‘Bosjesman’ Mats, de ‘bos- en landschapsverzorger’, komt ze regelmatig tegen. In het bos vogelen ze grappend en grollend over pestvogels en geluksvogels, ze ontwikkelen al snel gevoelens voor elkaar en daarna breekt er zowaar een heldere avond aan. 

    Natuur, humor, liefde en een prachtige schrijfstijl brengen licht in dit poëtische boekje en in de duisternis van Leda’s zoekend bestaan. Aan het eind van het boek kijken Mats en Leda buiten in de donkere nacht samen naar de sterrenhemel. Mats vertelt Leda over de mythe van de Grote en Kleine Beer en de rol van oppergod Zeus daarin. Voor Leda is dit een verhaal over moeder en kind, voor de lezer is er natuurlijk ook een verwijzing in te lezen naar de Zeus die als zwaan Leda verleidt. Het is een van de vele mooie scènes in deze licht geschreven roman, waarin personages zich schikken naar het moment en de actuele werkelijkheid. 

    Leda in de regen

    Leda in de regen

    Martijn Couwenhoven

    Uitgever: Thomas Rap

    ISBN 9789400412392

    208 pagina's

    Prijs: € 21,99

    Kopen bij Libris
  • Zoektocht naar vergeving

    In PS Brief aan mijn moeder onderzoekt Yolanda Entius de tegennatuurlijke relatie met haar moeder. Een gezonde warme relatie is haar volledig vreemd, realiseert Entius zich wanneer ze tegenover twee vrouwen in de trein zit. Duidelijk een moeder en een dochter die vriendschappelijk met elkaar omgaan. Hoewel de moeder even oud is als Entius, identificeert ze zich met de dertigjarige dochter. Er welt boosheid en jaloezie op over het gemis aan een vriendschap, een normale omgang met haar moeder, en zelf kindloos, beseft ze dat ze altijd een dochter zal blijven, maar van wat voor een moeder. 

    PS Brief aan mijn moeder is een  boeiend en urgent verhaal dat verscheen bij de boekenreeks Acht3 van uitgeverij Nijgh & Van Ditmar waarin vrouwelijke egodocumenten centraal staan. Het is een aanvulling of een verantwoording van de roman Het kabinet van de familie Staal, dat de longlist van de AKO Literatuurprijs 2011 haalde en genomineerd werd voor de Halewijnprijs 2011 en de Opzij Literatuurprijs 2012. 

    Geen fictie meer

    Yolanda Entius’ moeder heeft haar lang geleden samen met de vader uit het nest gezet, de dood van haar vader verzwegen en uiteindelijk haar en haar twee zussen ook onterfd. Twee jaar na haar moeders dood begint Entius met tegenzin aan deze brief, als PS van de roman Het kabinet van de familie Staal. In deze roman beschrijft ze vanuit de jongste dochter Mees hoe het is om te leven met een tirannieke vader, een moeder die vooral zijn gezag steunt en de kinderen die proberen te overleven. De al te aardige buurjongen valt niets te verwijten, nee de zusjes zullen hem wel uitgedaagd hebben. En wee je gebeente als het dode broertje genoemd wordt. De angstige moeder kiest altijd de kant van haar man. Feit en fictie lopen in deze roman door elkaar, maar zijn herkenbaar genoeg voor haar familie, en voor de moeder die de roman ook gelezen had. Wat weer een reden was om haar dochter te minachten.

    In de brief gaat de zoektocht naar de reden waarom hun moeder haar kinderen niet kon beschermen verder. Van fictie is geen sprake meer. De hamvraag is waarom de moeder altijd voor hun tirannieke vader koos en niet voor haar dochters, die net zo goed de bedreiging en angst voor hun vader voelden. 

    Entius hoopt, door haar moeder op papier rechtstreeks aan te spreken dat het haar boosheid zal wegnemen, dat ze zelf wat zachter wordt en de door haar zelf uitgesproken woorden misschien zelfs tot vergeving leiden. Na ampel beraad kiest ze voor de u-vorm, wat soms afstand schept en de stijl wat gedragen maakt, maar het is zoals ze zelf zegt toepasselijk, ook al hebben ze elkaar nooit gevousvoyeerd. Je en jij riekt te veel naar vriendschap en die was er niet.

    Tegennatuurlijk

    Voor het schrijven van de brief is Entius onder andere geïnspireerd door Ischa Meijer. Hij schreef ook een brief aan zijn moeder en gebruikte het woord tegennatuurlijk om de relatie met haar te duiden. Een term die Entius graag overneemt, al haast ze zich te zeggen dat ze zich niet met hem wil vergelijken, en niet hun moeders met elkaar wil vergelijken ‘- de dood van een kind is nog geen Holocaust (en ook dat is ongepast: het ene verdriet afwegen tegenover het andere) – maar de kinderen werden, net als wij (Do, Ilse en ik) uit het ouderlijk nest gewipt; moeder Meijer koos, net als u, radicaal voor haar man, ten koste van haar kinderen.’ 

    Entius beschrijft haar moeder voor haar huwelijk als een dappere frisse meid die er graag met de fiets op uit trok. En haar vader, uit wat voor nest kwam hij? Hij had geen opleiding en een weinig serieus baantje. Zijn aanstaande schoonouders waren tegen een huwelijk, een reden voor de moeder om juist wel met hem te trouwen. Gevolg was dat haar ouders niet op hun huwelijk waren. Tijdens die huwelijkse beginjaren waren er vrienden noch familie. Entius verwijst naar een idyllische foto gemaakt tijdens een vakantie in Oostenrijk. Volgens het onderschrift zou er ruzie zijn geweest. Waarom? Het is gissen, maar ‘U zult nooit aan uw man gaan twijfelen. Of toch, misschien, dat kan niet anders, maar niet aan uw keuze voor hem, en zeker niet naar de buitenwereld toe. Daar hebben uw ouders voor gezorgd…’ 

    Het vroeg gestorven eerste kind in het gezin, het zoontje Vincent, zou een diepe wond hebben veroorzaakt bij de moeder. Juist omdat er nooit meer over hem gesproken is – zijn naam werd niet genoemd en er zijn geen foto’s – kan het een reden zijn dat de moeder met dat nooit verwerkte trauma verhardde tegenover haar dochters. Entius speculeert erover, maar ook hier blijft het gissen voor haar. 

    De brief begint wat zoekend naar vorm en inhoud, maar gaandeweg groeit Entius erin. Ze spreekt haar moeder toe terwijl ze beseft dat de woorden door haar nooit gelezen zullen worden. Ze schrijft min of meer chronologisch, grijpt ook vooruit en slaat zo nu en dan een zijpaadje in. Ze groeit in haar brief, schrijft oprecht, met duidelijke wrevel en een ondertoon die raakt. 

    Entius’ relatie met haar twee zussen, die veel volgzamer in het gezin bleven, komt ook onder druk te staan. Zijzelf ging op haar zestiende uit huis na een ruzie met haar vader, die ze toen al doorzag als een zielige kleine man, die zijn macht ontleende aan de onderdrukking van zijn vrouw en dochters. Ze verbrak de ban van de angst door te handelen, te doen en maar te zien wat daarvan zou komen. ‘Het verlies van mijn angst ging gepaard met de teloorgang van uw macht over mij en van het wankele evenwicht dat u in stand hield.’

    In retrospectief ziet Entius de toxische relaties helder. Boeiend beschrijft ze de krampachtig vastgehouden status quo van haar moeder, met verwijzingen naar het doorbreken van angst in het algemeen. Het hologige, wezenloze portret van Mohammed B. van Marlene Dumas in het Stedelijk Museum doet haar aan haar moeder denken. Dat is wat angst met mensen doet. Ze zag de documentaire The Kyiv files over de gevolgen van repressie onder het Sovjet regime. Juist mensen, ze noemt Navalny, ‘die zich verzetten, zagen er, omdat ze mentaal gezond waren gebleven, normaal uit. En ook, heel opmerkelijk, ze hadden humor.’

    Zacht worden

    Het is schrijnend te lezen hoe de onvoorwaardelijke liefde die een moeder voor haar kind zou moeten voelen bij de moeder van Yolanda Entius volledig afwezig was. Het is ook een vorm van gaslighting. De moeder wantrouwde haar zodanig dat de dochter ging geloven dat ze fout zat. ‘Ik was de oorzaak van alle ellende. Het is in me gaan zitten als regen in een wollen vest dat niet helemaal droog is opgeborgen.’ 

    Haar moeders laatste jaren is ze dement. Ze verblijft tijdens corona in een verpleeghuis en sterft in 2023. Een moeizame tijd voor Entius, zeker als zij de rol van eerste aanspreekpunt krijgt omdat haar oudste zus alle contact uit de weg gaat en haar middelste zus er mentaal niet toe in staat is. Ze blijft zoeken naar iets van erkenning om haar jeugd en afkomst te kunnen afsluiten. Om zacht te worden, misschien zelfs te kunnen vergeven. Wanneer ze ontdekt dat haar vader van tuinieren hield, net als Entius, waarover ze geschreven heeft in Om en nabijlangs de grenzen van mijn tuin, is dat een lichtpuntje van herkenning. 

    De manier waarop Entius de relatie met haar familie, en vooral haar moeder, beschrijft dwingt respect af. Het is niet niks wat haar is overkomen, maar ze kijkt ernaar met rechte rug, houdt de toon luchtig en ziet er soms zelfs de humor van in. Met deze PS Brief aan mijn moeder beschrijft ze een disfunctioneel gezin, waar mensen met een soortgelijke achtergrond zeker iets aan kunnen hebben.

    PS

    PS

    Yolanda Entius

    Uitgever: Singel Uitgeverijen

    ISBN 9789038817163

    144 pagina's

    Prijs: € 18,50

    Kopen bij Libris
  • Geen vrolijkheid, wel humor in meeslepende crisis

    Het lijkt een beetje een mode in de literatuur om boeken uit te geven waarin ogenschijnlijk weinig tot niets gebeurt aan ‘plot’ maar waarin het innerlijke leven van de hoofdpersoon indringend wordt beschreven aan de hand van de gebeurtenissen gedurende één dag. Soms zijn die gebeurtenissen op zich zelf bescheiden van omvang en karakter en gaat het vooral om de innerlijke dialoog en de gedachten van de hoofdpersoon. Zo’n boek is Aan de rand van Peter Drehmanns. De auteur is in bredere kring niet zo erg bekend maar heeft een in ieder geval getalsmatig indrukwekkend oeuvre op zijn naam: vijftien romans, een verhalenbundel en vier gedichtenbundels. Voor dat gehele oeuvre kreeg hij in 2015 de Halewijnprijs. Drehmanns studeerde Italiaans en Literaruurwetenschap en woonde lang in Italië. Hij recenseerde Italiaanse literatuur voor dag- weekbladen. Zijn boeken zijn bij een flinke reeks uitgeverijen gepubliceerd, de laatste jaren vooral bij kleinere uitgeverijen zoals In de Knipscheer, Marmer, Vleugels en nu dus Magonia. Hij maakte ook van een aantal van zijn verhalen (korte) films die op kleinere festivals zijn vertoond.

    Aan de rand kun je met recht een compromisloos boek noemen. Het verhaal over een man op leeftijd die de hele dag wacht op een postpakket dat uiteindelijk niet wordt bezorgd is breed uitgesponnen (140 pagina’s) en vergt veel van de lezer, inleving in de persoon en uithoudingsvermogen. Toch is Aan de rand een fascinerend boek. Niet helder wordt wat er in dat postpakket zit, waarmee de crux van het verhaal mysterieus blijft. Het enige wat duidelijk wordt, is dat de inhoud van het pakket op zijn minst heel belangrijk zo niet essentiëel, zelfs lotsbepalend is voor het vervolg van het leven van de hoofdpersoon. Het vermoeden rijst dat het pakket wel eens ‘de pil van Drion’ of een vervangend middel tot beëindiging van het leven zou kunnen bevatten. Veel concrete aanwijzingen daarvoor zijn er niet behalve een geringe hoeveelheid ‘lust for life’ die de hoofdpersoon toont. Daarnaast valt al vroeg in het boek post op de mat waarover Drehmanns in zijn kenmerkende stijl schrijft: ‘Hij hoorde de brievenbus klepperen en begaf zich naar de voordeur. Op de deurmat lagen twee enveloppen van verschillend formaat. Hij boog voorover. Keek verontrust naar beneden alsof hij twee kakkerlakken zag.’ Direct daarna: ‘…een brief van de belasting alsmede een brief van de Vereniging voor een vrijwillig Levenseinde, hm nee, daar ga je je vingers niet aan snijden, vandaag heb je andere prioriteiten, laat maar lekker dicht die enveloppen, weg ermee, een offerande voor de prullenbak, ruimte moet je maken, ruimte voor het pakket.’

    Meanderende rivier

    Drehmanns’ stijl is opvallend. Zinnen lopen lang door, soms wel een gehele bladzijde en het gebruik van interpunctie is bijzonder te noemen. Die schrijfstijl en -methode, enigszins te vergelijken met Cliënt Busken van Jeroen Brouwers, vraagt veel van de lezer, maar die krijgt er ook veel voor terug. De worsteling van een man om te blijven leven terwijl dat leven op zijn zachtst gezegd weinig florissant is. Geen werk, onduidelijke financiën, een verwaarloosd tot vervuild huis, een niet erg bevredigende relatie die bovendien recent tot een eind is gekomen, zij het met voortgezette communicatie. Kortom, een mens in crisis. Het knappe van het boek is dat het desondanks geen somber verhaal is geworden maar humoristisch, vilein, meeslepend in alle ellende.  

    Het thema van het boek is: een mens maakt de balans op van zijn leven, met een negatieve uitkomst en wat dan? Dat is boeiend genoeg maar het boek raakt ook door de unieke stijl en woordkeus die iets heeft van een meanderende rivier die je meesleept. Een paar voorbeelden. ‘Hij voelde de zenuwknop boven zijn navel samentrekken, de plexus solaris, en drukte zijn handpalm ertegenaan. Een ijskoude vlaag trok door zijn wang toen hij de handpalm erop legde. Hij liet zijn hand in zijn broekzak glijden en trok zijn telefoon tevoorschijn. Zette die aan. Zijn hand werd langzaam warmer.’  (…) ‘….geen apps, geen sms’jes, geen pushberichten, nada, noch van je communicatiegeile vriendin, noch van de pakketdienst en evenmin van een opdrachtgever, geen enkel stuk drijfhout waaraan je je kunt vastklampen, en heel in de verte een eiland, of is dat een luchtspiegeling, wie zal het zeggen, niemand dus, niemand die je hoort, niemand die je nodig heeft, je bestaat als het ware niet, doodvallen mag je van iedereen, ga je gang, zelfs God zal het niet merken, die heeft het veel te druk met mensen onder het puin trekken en kennelijk hoor jij daar niet bij.’ 

    Wachten

    Schrijnend is ook de telefonische dialoog met zijn moeder .’Dag moeder.’ ‘Ben jij het?’ ‘Wellicht. Je tweede zoon, in min of meer intacte staat.’ ‘Leef je nog?’ ‘Ik meen van wel. Het feit dat ik immers nu…’ ‘En wat spook je allemaal uit? Ben je weer met iets bezig. Je bent altijd met iets bezig.’ ‘Dat doen mensen nu eenmaal, moeder. Dat heet leven. Maar maak je geen zorgen, ik doe steeds minder. Ik ben aan het afbouwen.’ ‘Welk gebouw? Toch niet die sloopwoning van je?’ 

    In de Wachten op Godot-achtige setting kruipt de dag voorbij met voornamelijk huishoudelijk-praktische zaken, een bizar bezoek van iemand die de hoofdpersoon zo snel mogelijk de deur uitwerkt en een naargeestige monologue intérieur. Nog een wrang voorbeeld: ‘Maar vandaag heb jij, jij ja, eindelijk een reden om in beweging te komen en te blijven, en in jouw geval jij labbekakkerige luiwammes, wordt die reden gevormd door datgene waarop je wacht… dat wat zo dadelijk of in ieder geval vandaag wordt afgeleverd door een pakketbezorger, voor zover die onderweg geen ongeluk krijgt of anderszins zijn taak naar de klote helpt, bijvoorbeeld omdat zijn vrouw moet bevallen of omdat hij de moordende werkdruk niet langer aankan en daarom vaandelvlucht pleegt, gewoon al die rotdozen en klotepakketjes de rug toekeert, of nee, ze met benzine overgiet en er een vreugdevuur van maakt.’ 

    Geen vrolijk stemmend, wel een aangrijpend en intrigerend boek.

    Aan de rand

    Aan de rand

    Peter Drehmanns

    Uitgever: Magonia

    ISBN 9789492241924

    144 pagina's

    Prijs: € 21,95

    Kopen bij Libris
  • De dagboekaantekeningen van Benno Barnard

    Het raadsel van de anderen bevat de dagboekaantekeningen van de in Engeland woonachtige auteur Benno Barnard (1954) die lang in België heeft gewoond. Over de reden van het schrijven van een dagboek haalt hij de Franse schrijfster – en in 2022 winnares van de Nobelprijs voor Literatuur – Annie Ernaux aan: ‘Ik heb zo weinig de indruk dat ik beleef wat ik beleef, dat ik het opnieuw moet beleven om het uiteindelijk te beleven…’ Dat is natuurlijk mooi geformuleerd, maar dan blijft nog wel de vraag over of de lezers van het gepubliceerde dagboek er ook iets aan hebben. Is het niet te klein en te persoonlijk om door te kunnen dringen in het raadsel dat het leven van Barnard voor zijn lezers is?

    Een dagboek geeft altijd een versnipperd beeld van iemands leven. Er wordt van de hak op de tak gesprongen en veel dingen herhalen zich. In het geval van Barnard: het wandelen met de honden, bezoeken van en etentjes met vrienden (van wie de meesten voor Nederlanders onbekend zijn, als ze al met hun volledige naam vermeld worden), bezoeken aan artsen voor onderzoek aan zijn prostaat of reizen vanuit Engeland naar België voor lezingen en voor het werk van zijn vrouw. Hij doorbreekt het verslag van een specifieke dag regelmatig door herinneringen op te schrijven, bijvoorbeeld aan vroegere reizen of het opgroeien van zijn zoon en geadopteerde dochter. De harde werkelijkheid dringt ook regelmatig door in de dagboekaantekeningen van Barnard: de inval van Rusland in Oekraïne vormt de eerste dagboekaantekening. Het dagboek is verder een weerslag van de boeken die hij zélf leest, waarbij het opvalt dat veel van zijn lectuur in het interbellum is geschreven met af en toe verwijzingen naar de Bijbel en klassieke Griekse en Latijnse auteurs.

    Liefde voor vrouw en zoon

    Zijn liefde voor zijn vrouw en zoon spat van de pagina’s af. Verder is de veel te jong overleden dochter een constante factor van Barnards aandacht en liefde. Herinneringen aan haar vormen de mooiste en ontroerendste dagboekaantekeningen. Een eerder deel van zijn dagboeken mondde uit in een roman, hier sluit hij zijn dagboek af met een serie gedichten die gedeeltelijk over die overleden dochter gaan. 

    Stijl

    Een schrijver die ook dichter is, heeft vrijwel altijd een bijzonder mooie schrijfstijl. Barnard vorm hier geen uitzondering op. Er zijn dan ook pareltjes van zinnen in zijn dagboek aan te wijzen. Daar staat tegenover dat hij het de lezer niet altijd makkelijk maakt en moeilijke of ongebruikelijke woorden niet mijdt. Hij stelt zichzelf dan ook de vraag of zijn teksten moeilijk zijn. Dat zou hem spijten: ‘Ik kan het allemaal wel anders formuleren, maar dan kom ik niet te weten wat ik denk, omdat ik het dan niet denk.’

    Op dezelfde voet verdergaan

    Van zijn vorige boek Afscheid van de handkus blijken in het eerste jaar van verschijnen nog geen vijftienhonderd exemplaren verkocht te zijn, terwijl dat toch algemeen als zijn magnum opus wordt beschouwd. Desondanks gaat hij op dezelfde voet verder. Hij is niet voor de verleiding gezwicht de dagboekaantekeningen en gedichten over zijn overleden dochter in een handzaam boekje onder te brengen, dat ongetwijfeld een groter verkoopsucces zou kunnen worden.

    Nu zegt kwantiteit – gelukkig – niets over kwaliteit. Iemand die zo fraai over zijn eigen leven en dat van de anderen om hem heen kan schrijven, moet daarmee vooral doorgaan, liefst tot het einde der tijden.

    Het raadsel van de anderen

    Het raadsel van de anderen

    Benno Barnard

    Verschenen: 2026

    Uitgever: Atlas Contact

    ISBN 9789025478551

    448 pagina's

    Prijs: € 26,99

    Kopen bij Libris
  • Waanzin en waarheid

    Elias ontvangt zes jaar nadat hij zijn tweede roman (zijn eerste was ‘De verticalen’) heeft gepubliceerd een brief van de vrouw van degene die een belangrijke adviseur was geweest bij de totstandkoming van het boek. Hij had aanvankelijk een historische roman willen schrijven over het Middeleeuwse fenomeen waarbij mensen een ziekelijke drang hadden om in groepen te dansen, soms zelfs tot de dood er op volgde. Om meer te weten over deze danszucht of choreomanie had hij intensief contact gehad met professor Amon Encke die er veel onderzoek naar had gedaan. Toch was Elias’ roman, die hij ‘Danswoede’ had getiteld, in hoofdzaak niet over die dansmanie gegaan maar over de waanzin die in zijn eigen familie voorkwam. De invloed van Encke was bij de keuze voor die wending beslissend geweest.

    Danswoede is ook de titel van de tweede roman (zijn eerste was De grijzen in 2021) van Vincent Merjenberg. En hij stuitte eveneens op dit verschijnsel uit de Middeleeuwen en ook hij kende ‘gekte’ in zijn familie. 

    Merjenbergs Danswoede beschrijft het ontstaansproces van de denkbeeldige roman ‘Danswoede’ van Elias (diens achternaam komt in het boek niet voor) en de psychotische verwikkelingen rond die auteur na de publicatie van dat boek. Elias’ moeder pleegde kort daarna zelfmoord (volgens hem ten gevolge van het boek) en hijzelf leefde vervolgens twee jaar op straat.

    Ongemakkelijk

    Merjenberg vertelt het verhaal in drie delen. In het eerste lezen we door Elias’ ogen welke rol de waanzin in zijn familie heeft gespeeld. Zijn opa van moederskant was ‘gek’ en zijn aan pillen verslaafde moeder zinspeelde voortdurend op een gekte die Elias van zijn opa zou kunnen erven. 
    In het tweede en langste deel reist Elias naar Lebensrode, de plaats waar Encke is geboren en in zijn latere leven is teruggekeerd: ‘De professor wenst je nog eenmaal te ontmoeten’, luidde de uitnodiging. Op weg ernaar toe reflecteert Elias lang filosoferend op zijn vriendschap met Encke en diens adviezen aan hem. Voor zover je dat als lezer in deel 1 nog niet had, voel je je in het tweede deel steeds ongemakkelijker worden. Er klopt van alles niet aan de gedachten van Elias.
    In het derde deel belanden we in de bijzondere belangen die Encke had bij zijn ‘hulp’ aan Elias. 

    Angst

    Danswoede gaat over fundamentele vragen als het ontstaan van psychoses en waanzin, het horen van stemmen en de erfelijkheid van de ziekte. Daaromheen draaien boeiende filosofische kwesties.  Dat iemand psychisch ziek is valt op zolang de grote meerderheid van de mensen dat niet denkt te zijn. Voor de zieke is zijn eigen wereld echter normaal omdat hij erin gelooft; in zijn ogen is de rest van de wereld gek: ‘Waanzin was de staat waarin je zelf koos wat waarheid was’, denkt Elias. 

    Waardoor wordt iemand waanzinnig? Daar kunnen verschillende redenen voor zijn als massahysterie, vrees voor de toorn Gods, maar ook vergiftiging. Zo kwam in de vroege Middeleeuwen een paar keer de aandoening Sint-Antoniusvuur voor die lang als straf van God werd gezien, maar afkomstig bleek van het eten van beschimmeld graan (ergotisme).

    Populisme

    In de ogen van Encke, die erfelijke doorgifte tegenover Elias afwees, was angst de kern van het ontstaan van waanzin: ‘Angst heeft geen bewijs nodig (…) Angst zoekt geen inhoud maar vorm (…) Wat we vrezen kan werkelijkheid worden, als we er samen in geloven.’ (Merjenberg laat Encke zijdelings een stapje naar populisme maken: ‘We leven in een tijd van (…) populisme dat mensen bevrijding belooft via simplistische mythes. Narratieven vervangen feiten (…) De waanzin is collectief geworden, de dans is opnieuw begonnen.’)

    Elias had zijn roman willen schrijven om zo af te rekenen met de dreiging van de waanzin die van de verhalen over zijn opa en de raadselachtige toespelingen van zijn moeder uitging. Op grond van de adviezen van Encke geloofde hij met een nieuw persoonlijk narratief het familieverhaal de das om te doen: een nieuw verhaal hoeft niet waar te zijn als het maar geloofwaardig is, had Encke hem uitgelegd. Het werkte echter averechts. Elias bevestigde er juist door dat de gekte hem in zijn greep had. 

    De sinistere rol die Encke daarin achteraf blijkt te hebben gespeeld geeft Danswoede een beklemmende en knap opgediende spanning.

    Danswoede

    Danswoede

    Vincent Merjenberg

    Verschenen: 2026

    Uitgever: Atlas | Contact

    ISBN 9789025472979

    288 pagina's

    Prijs: € 23,99

    Kopen bij Libris
  • Aan de vergetelheid ontrukt 

    Van de Zwolse chirurgijn Hendrik Smeeks (1645-1721) verscheen in 1708 het verzonnen reisverhaal, getiteld Beschryvinge van het magtig Koningryk Krinke Kesmes. Hij beweert dat hij de tekst heeft samengesteld uit de geschriften van koopman Juan de Posos, zoon van een Spaanse vader en een Nederlandse moeder. Daarin komt ook het verhaal van El-Ho voor die als Hollandse jongen achterbleef op een eiland en daar zonder metgezellen moest zien te overleven. Ze zouden elkaar ontmoet hebben in het koninkrijk Krinke Kesmes.

    Helemaal alleen overleven op een eiland? Dat doet natuurlijk onmiddellijk denken aan het beroemde verhaal over Robinson Crusoe dat Daniel Defoe in 1719, elf jaar na Krinke Kesmes, publiceerde. Zou Defoe het verhaal van El-Ho misschien gekend hebben en als inspiratie hebben gebruikt voor zijn Robinson? Er zijn immers duidelijke overeenkomsten aan te wijzen tussen de twee verhalen en Defoe bezat een Nederlands-Engels woordenboek. Dat bewijst nog niet alles, maar als het zo is, dan is het natuurlijk jammer dat het Nederlandse origineel in de vergetelheid is geraakt en dat de navolging wereldberoemd is geworden. Gerechtigheid dus dat Arjen van Meijgaard het verhaal van De Posos (met daarin dat van El-Ho) aan de vergetelheid heeft ontrukt en er een in modern Nederlands geschreven hertaling van heeft gemaakt die natuurlijk een stuk prettiger leest dan het achttiende-eeuwse origineel.

    Terra australis incognita en Utopia

    Er spelen nog twee andere zaken een belangrijke rol in het verhaal van De Posos: allereerst is men begin achttiende eeuw op zoek naar Terra australis incognita, het onbekende Zuidland. De Posos strandt daar bij toeval en bij het beschrijven van het daarop gelegen koninkrijk Krinke Kesmes (waarvan de naam natuurlijk een anagram is van de naam van de auteur) kan hij in navolging van Thomas More’s Utopia een samenleving beschrijven die op sommige punten superieur is aan de Europese. Ook de tijdrekening is volkomen anders dan in Europa. De Posos realiseert zich daardoor dat zijn wereldbeeld relatief is en dat Europa niet in alles superieur is. 

    Krinke Kesmes beschreven

    Wat komen we te weten over het koninkrijk Krinke Kesmes? Het is een eiland van ongeveer twintig bij twintig kilometer en wordt strak geregeerd volgens oude regels die gedeeltelijk ontleend zijn aan Confucius. De hiërarchie is streng, maar rechtvaardig en er heerst orde omdat de bewoners veel waarde hechten aan een behoorlijke opvoeding. Er is vrijheid van godsdienst en vrouwen hebben dezelfde rechten als mannen; ze worden zelfs gestimuleerd te gaan studeren. Twee eilanden maken deel uit van Krinke Kesmes: Nemnan en Wonvure. Ook hier is sprake van anagrammen, namelijk van de woorden mannen en vrouwen. De opvattingen van de inwoners van de twee eilanden staan lijnrecht tegenover elkaar, maar tot een discussie komt het niet: de brieven die vanuit Wonvure naar Nemnan gestuurd zijn, worden niet beantwoord.

    Isolement 

    Om de binnenlandse rust te waarborgen heeft de koning van Krinke Kesmes bewust gekozen voor isolement: het is de inwoners verboden zich buiten de landsgrenzen te begeven; op overtreding van dit verbod staat de doodstraf. De koning koopt zoveel goederen van De Posos dat deze een gigantische winst kan boeken, waardoor hij zijn reis niet hoeft voort te zetten en de terugreis meteen kan aanvaarden. Bij zijn vertrek wordt hem uitdrukkelijk te verstaan gegeven dat hij nooit meer naar Krinke Kesmes mag terugkeren.

    Het verhaal van El-Ho

    De Posos ontmoet op Krinke Kesmes El-Ho die zijn overleven op het eiland aan het papier heeft toevertrouwd. Wat is deze scheepsjongen overkomen? Het schip waarop hij bemanningslid was, lag bij een eiland voor anker en hij ging op zoek naar water. Bij zijn zoektocht verdwaalde hij waardoor hij niet op tijd terugkeerde op zijn schip dat vervolgens zonder hem vertrok. Gelukkig had de bemanning wel een flinke hoeveelheid gereedschap en kleding voor hem achtergelaten. Met behulp hiervan en dankzij zijn improvisatievermogen slaagt El-Ho erin op het eiland te overleven. Wanneer de nood hoog is, wendt hij zich tot God met het verzoek hem te troosten; later dankt hij God voor zijn steun. Na verloop van tijd voelt El-Ho zich helemaal op zijn gemak op het eiland; wel verliest hij alle begrip van tijd. 

    Uit een aangespoeld scheepswrak kan El-Ho zijn voorraad aanvullen; er zijn ook wapens aan boord die hij meeneemt. De scheepshond wordt zijn metgezel die hem helpt bij het verslepen van goederen van het schip naar zijn eigenhandig gebouwde fort. Daar wordt hij aangevallen door een groep Kaskes (Strandbewoners). Uit angst bidt hij tot God. De jongen is intussen een volwassen man geworden en blijkt zich uitstekend te kunnen verdedigen: hij verslaat verschillende aanvallen af. Uiteindelijk wordt hij overmeesterd door een list waarna hij meegenomen wordt naar hun nederzetting, waar hij een jonge vrouw aangeboden krijgt om mee te leven.

    Na enige tijd duikt een ruiterleger op, dat afkomstig is uit Krinke Kesmes. De ruiters richten een slachting aan onder de Strandbewoners die zich nauwelijks verzetten. El-Ho is – in tegenstelling tot de anderen – wit, wordt niet gedood, maar meegenomen naar het koninkrijk. Daar krijgt hij van de autoriteiten zijn naam, die vrij man betekent in de taal van Krinke Kesmes (zijn Nederlandse naam wordt niet vermeld). Het wordt zijn taak een aantal jongeren de Nederlandse taal te onderwijzen. 

    Niet ingekort

    Het verhaal van Juan de Posos wordt niet alleen onderbroken door het verhaal van El-Ho, maar ook door op zichzelf staande, eerlijk gezegd nogal lange en saaie zijsprongen, bijvoorbeeld over de vraag hoe je het beste scheurbuik kunt voorkomen en uitleg over de Texelstroom. De gedetailleerdheid van deze informatie zal waarschijnlijk bedoeld geweest zijn om Smeeks’ tijdgenoten het verder verzonnen verhaal voor waar te laten aannemen. Voor een lezer in onze tijd voegen de zijsprongen niet veel toe. Hadden ze misschien weggelaten kunnen worden? Dat zou natuurlijk een verminking van het oorspronkelijke manuscript betekend hebben waarvoor niet is gekozen.

    Vergelijk El-Ho met Robinson Crusoe 

    Vooral het verhaal van El-Ho is spannend en het lezen meer dan waard. Pak vervolgens Robinson Crusoe erbij en dan kan iedereen voor zichzelf uitmaken welke overeenkomsten het verhaal van El-Ho heeft met dat van Robinson. Eén opvallende overeenkomst is de religieuze context: Daniel Defoe presenteerde zijn Robinson Crusoe uitdrukkelijk als een bekeringsgeschiedenis. Het gaat om een ongehoorzame jongeman die door God wordt gestraft met een schipbreuk. Hij wordt pas van zijn onbewoonde eiland gered na zijn bekering. In de 53 pagina’s van El-Ho komt God een twintigtal keer voor (en één keer zingt hij psalmen). Het geeft voedsel aan de gedachte dat El-Ho met recht een voorloper van Robinson Crusoe genoemd mag worden.

    Beschrijving van het machtige koninkrijk Krinke Kesmes

    Beschrijving van het machtige koninkrijk Krinke Kesmes

    Hendrik Smeeks

    Vertaling door: Arjen van Meijgaard (hertaling)

    Nawoord door: Arjen van Meijgaard

    Verschenen: 2026

    Uitgever: kleine Uil

    ISBN 9789493492011

    160 pagina's

    Prijs: € 22,50

    Kopen bij Libris