10 december 2013

Appels en peren – Maarten Asscher

Prikkelende, bijna voorbeeldige essaybundel

Recensie door Machiel Jansen

Wanneer het over historische vergelijkingen gaat moet ik onwillekeurig denken aan de voormalig hoteleigenaar Basil Fawlty uit het Engelse Torquay. Hij had het weer eens gehad met zijn klanten die niets anders deden dan wat rondhangen en klagen, vooral veel klagen. De houding van zijn gasten deed hem denken aan een bepaalde episode uit de geschiedenis en Fawlty was nu niet iemand die zijn frustraties lang voor zich kon houden. Zijn verzamelde gasten kregen van hem te horen hoe lamlendig ze wel niet waren en waaraan hun houding hem deed denken: ‘Well let me tell you something – this is exactly how nazi Germany started.’

Fawlty’s vergelijking is een hilarische parodie op het gebruik van vergelijkingen die betrekking hebben op de Tweede Wereldoorlog. In alle redelijkheid kun je je afvragen of het wel zin heeft om de oorlog te betrekken wanneer je een actuele kwestie wilt duiden. Toch gebeurt het nog regelmatig. Job Cohen zei ja op de vraag of moslims tegenwoordig net zo worden buiten gesloten als Nederlandse Joden in 1940, Rob Riemen zag opmerkelijke overeenkomsten tussen de PVV en de NSB, en Coen Teulings ziet een parallel tussen de crisis in Zuid Europa en die in Duitsland in de jaren twintig.

Wie het om wat voor reden niet eens is met dergelijke vergelijkingen kan altijd de gemeenplaats aanvoeren dat je geen appels met peren moet vergelijken. Appels en peren, Lof van de vergelijking is de titel van de laatste essaybundel van Maarten Asscher die in het openingsstuk overtuigend beweert dat het maken van vergelijkingen tussen twee geheel verschillende zaken heel interessant kan zijn. Wie bijvoorbeeld een historische vergelijking maakt, interpreteert een verschijnsel dat nog volop aan de gang is aan de hand van een afgesloten periode waarvan we het begin en einde kennen. Dat kan aardige inzichten opleveren. Bovendien geeft een historische vergelijking inzicht in het standpunt van degene die de vergelijking maakt en het bevordert de discussie.

Asscher ziet natuurlijk ook wel in dat historische vergelijkingen beladen kunnen zijn, maar het argument dat je zaken die (veel) van elkaar verschillen niet kunt vergelijken, verwerpt hij. Het geeft geen zin om appels met appels te vergelijken.

Het is een prikkelend begin van een bijna voorbeeldige essaybundel waarin de vergelijking min of meer centraal staat. Asscher vergelijkt in dit boek vooral literaire appels en culturele peren: o.a. Hamlet met Telemachus, de vader van de archeologie Heinrich Schliemann met de vader van de psychiatrie Sigmund Freud, Asscher zelf met Napoleon, de mogelijke zelfmoord van Primo Levi met Japanse kamikaze en de jurist R. P. Cleveringa met nazi-rechter Roland Freisler.

Die laatste vergelijking is een opmerkelijke want Cleveringa en Freisler verschillen van elkaar als zwart en wit, of beter gezegd, goed en fout. R.P. Cleveringa weigerde tijdens de bezettingsjaren niet alleen een niet-jood verklaring te tekenen, waardoor hij in de gevangenis belandde, hij nam het na de oorlog ook op voor studenten die naar zijn oordeel al te hard werden gestraft voor hun buigzame houding tijdens de bezetting. Asscher voert hem dan ook op als een toonbeeld van een integer jurist. Over Roland Freisler is daarentegen niets goeds te zeggen. Freisler was de schreeuwende en tierende rechter tijdens Hitlers nazi regime die altijd probeerde de verdachte die voor hem stond te vernederen. In meestal goed voorbereide showprocessen sprak hij voorgekookte doodvonnissen uit. Bij Freisler was de rechtbank een toneel waar hij zijn loyaliteit aan het nazisme schreeuwend kon laten zien.

Asscher gebruikt deze twee, schijnbaar onvergelijkbare juristen om te komen tot een morele thermometer voor juridische zaken, de zogenaamde schaal van Cleveringa. Freisler geeft op die schaal het absolute nulpunt aan en Cleveringa het bijna niet te halen maximum van 100. Op deze manier komen uitersten mooi samen, al is het dan niet in een poging ze te verenigen.

Asscher weet hoe hij essays moet schrijven. Regelmatig snijdt hij onderwerpen aan die hij bewust beperkt en klein houdt. Het essay over Cleveringa gaat eigenlijk over niets anders dan over het meten van goed en kwaad, maar Asscher beperkt zich bewust tot de twee juristen en weet op die manier de zaken hanteerbaar te houden. Iets dergelijks doet hij ook in het openingsstuk. Door zich te beperken tot de historische vergelijking voorkomt Asscher dat hij een filosofie van de vergelijking moet gaan schrijven. Nu is het een prettig, dwars stuk dat tegelijkertijd kraakhelder is. Want dit ‘klein houden’ heeft als bijkomend voordeel dat Asscher nergens grote woorden nodig heeft, of zich verliest in vage opvattingen; het is allemaal plezierig concreet, begrijpelijk en bij vlagen prikkelend.

Iets anders wat Asscher goed doet is het strooien met wetenswaardigheden over met name literatuur. Wie zijn achtergrond kent – Asscher is directeur van Athenaeum Boekhandel, voormalig redacteur van de Gids en werkte o.a. bij uitgeverij Meulenhoff –  begrijpt al gauw dat hij uiterst belezen moet zijn en Appels en peren bevestigt dat vermoeden. Maar Asschers eruditie leidt gelukkig niet tot het nodeloos noemen van namen en titels. Wie de titels en namen kent of herkent krijgt het idee dat hij of zij niet van de straat is, wat de meeste lezers als prettig zullen ervaren. En wie moet toegeven dat hij even niet precies weet over wie of wat het gaat, krijgt het idee er iets van te kunnen opsteken.

Ook zet Asscher af en toe nadrukkelijk aan tot het lezen van andermans werk, bijvoorbeeld het werk van Delmore Schwartz of de Cahiers van Paul Valéry. Een van de opmerkelijkste en sterkste essays in Appels en peren gaat over Het fregatschip Johanna Maria van Arthur van Schendel uit 1930. Volgens Asscher is deze roman een prachtig voorbeeld van een ideeënroman. Dat is een uiterst aanvechtbare uitspraak, maar daar kom je pas achter wanneer je de roman gelezen hebt. Je kunt dit essay opvatten als een creatieve aansporing om dit min of meer vergeten meesterwerk van Van Schendel eens te gaan lezen. De creativiteit zit ‘m erin dat je nieuwsgierig wordt gemaakt naar wat Asscher nu zo belangrijk vindt in een goeie roman. Want behalve over Het fregatschip gaat dit essay (kort gezegd) over de opvatting dat goede romans ideeën behoren te bevatten. Dit is dan ook weer een voorbeeld van de manier waarop Asscher zijn essays klein houdt. Bijna spelenderwijs en bijna achteloos wordt een controversiële opvatting over literatuur vermomd in de bespreking van een vergeten roman. Knap gedaan.

Maar Asscher is soms wat minder subtiel. In ‘Het grote en het kleine verhaal’ neemt hij stelling tegen de opvattingen van Henk van Os over specialisten in de kunstgeschiedenis. Van Os heeft het niet op specialisten en bepleit een meer brede kijk op het vak. Asscher is het niet met Van Os eens en neemt het nu juist op voor de specialist in de wetenschap. Dit betoog rammelt wat, vooral wie bedenkt dat de huidige wetenschap steeds vaker gebaat is bij multidisciplinair onderzoek, waarbij generalisten even hard nodig zijn als specialisten. Maar belangrijker dan dit inhoudelijke argument is misschien dat Asscher er dit keer eens niet in slaagt het onderwerp klein te houden; hij beperkt zich niet tot de kunstgeschiedenis. Dit geeft kritische lezers aanknopingspunten om het nu eens flink met Asscher oneens te zijn. Nu is dit op zich niet erg maar dit essay maakt in vergelijking met de rest van de stukken daardoor wel een ietwat onevenwichtige indruk.

Asscher zondigt één keer echt tegen het idee dat hij zo goed verdedigde in het titelstuk; namelijk dat je appels met peren moet vergelijken en dat het weinig zin heeft om die vergelijking te bekritiseren door te wijzen op verschillen. Natuurlijk verschillen appels van peren, maar appels met appels vergelijken heeft geen zin. In ‘Niet de tralies, maar de deur’ gaat het over de vergelijking tussen de werkplekken van schrijvers en gevangenissen. Dat is een leuke vergelijking en er zijn tal van schrijvers die zichzelf min of meer vrijwillig hebben opgesloten om te kunnen schrijven. Asscher citeert in dit verband een aardig stuk van Tony Perottet in de NYTimes, Why writers belong behind bars waarin de vergelijking tussen gevangenissen en schrijfplekken eens flink wordt aangezet. Asscher gaat een eind mee met Perottet maar heeft uiteindelijk toch kritiek:

‘Toch gaat deze auteur (…) de mist in met zijn verheerlijking van de gevangeniscel als de ideale werkplek voor een schrijver. (…)Hij ziet mijns inziens één kardinaal aspect over het hoofd: hij heeft onvoldoende oog voor het feit dat de schrijver in gevangenschap door de van buitenaf afgesloten celdeur is beroofd van de zeggenschap over zijn isolement.’

Deze kritiek van Asscher komt in feite neer op de uitspraak dat Perottet appels met peren vergelijkt: schrijvers zijn geen gevangenen, want ze sluiten zichzelf vrijwillig op en gevangenen doen dat onvrijwillig. Appels en peren. Dat is vreemde kritiek uit Asschers pen, vooral na het lezen van de voorafgaande essays. Natuurlijk weet ook Perottet heus wel dat de twee zaken niet hetzelfde zijn, maar de lol van de vergelijking ligt in dit geval nu eenmaal in het zoeken naar overeenkomsten, niet naar verschillen.

Asscher weet er nog wel een leuk citaat van Stendhal achteraan te plakken, namelijk dat het grootste ongeluk van de gevangenis is dat je je deur niet op slot kunt doen. Maar helemaal consequent is Asscher hier niet, al is het een kleinigheid in een bundel die niet alleen plezierig leest, maar ook nog eens tot lezen, nadenken en discussie aanzet. Bovendien is het knap essays bij elkaar te brengen die elkaar versterken en ook nog een zekere eenheid vormen. Asscher laat goed zien dat de vergelijking een prachtig stijlmiddel is. …Zolang we nazi-Duitsland maar achterwege laten.

 

Appels en peren
Lof van de vergelijking

Auteur: Maarten Asscher
Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
Aantal pagina’s: 224
Prijs: 19,95

 

Appels en peren
Maarten Asscher
ISBN: 9789045025223

Meer van Machiel Jansen:

26 februari 2014

Zoutloze wansmaak

Over 'En dan komen de foto's' van A.H.J. Dautzenberg
29 januari 2014

Parallellen met een hoofdpersoon 

Over 'Te veel geluk' van Alice Munro

Recent

17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef
14 november 2017

Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

Over 'Binnenplaats' van Joost Baars
13 november 2017

Een aaneenschakeling van mislukkingen?

Over 'We haten elkaar meer dan de Joden' van Els van Diggele
9 november 2017

Verlangen in vele variaties

Over 'Het raadsel van de liefde' van Andre Aciman

Verwant

10 december 2013

Is het een somber boek?

Over 'In de schaduw van toekomstige rampen ' van Maarten Asscher
10 december 2013

Loodzware tocht

Over 'Missie: Mongolië' van Maarten Asscher