Anna Enquist – Nieuws van nergens, gedichten

In februari 2010 verschijnt bij Uitgeverij De Arbeiderspers de zevende dichtbundel van Anna Enquist. Zij brak weliswaar naar het grote publiek door met haar eerste roman Het meesterstuk, maar haar naam vestigde ze daarvoor al als dichter. Voor haar debuutbundel Soldatenliederen (1991) ontving zij meteen de C. Buddingh’-prijs en haar tweede bundel Jachtscènes  (1993) werd bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt prijs.  

Zes jaar na De tussentijd, poëzie die doordrongen was van gemis en verlies na het overlijden van haar dochter, komt Anna Enquist met een nieuwe bundel gedichten. Hoewel dit op zichzelf een gebeurtenis van formaat is, lijkt de titel – Nieuws van nergens– het belang van de bundel nogal te relativeren. Schijn bedriegt. Weliswaar wordt het gewicht van het hier en nu in deze nieuwe gedichten ondermijnd, maar daarvoor komt iets anders in de plaats. In veel van de gedichten wordt de alledaagse werkelijkheid afgepeld tot haar kale existentie. Het naakte bestaan, dat is de actualiteit van deze bundel. Anna Enquist schrijft onverminderd elementaire poëzie. Over de seizoenen en het verstrijken van de tijd, over weer en wind, ouders en kinderen, taal en muziek, verdriet en hartstocht. Over alles wat het leven genadeloos en groots, bitter en zoet maakt.

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Recent

26 december 2023

Beste boeken van 2023

26 december 2023

Een oeverloos bestaan

Literair Nederland - 10 jaar geleden

06 januari 2014

Een boer met een bibliotheek Een boer met een bibliotheek
Recensie door Adri Altink

Al op de eerste pagina legt Benno Bernard treffend uit waarom hij een landjonker is: ‘Gezonde buitenlucht snuif ik met welbehagen op; ik boots hier op mijn bekoorlijke platteland tussen voormalige boeren de voormalige landadel na. Daartoe bewoon ik een oud boerderijtje, cultiveer elf are grond en koester vele anachronistische inzichten, die muf ruiken in de neus van mijn tijdgenoten.’

Wie deze zinnen na lezing van het hele Dagboek (het bestrijkt de periode van 2008 tot de eerste dagen van 2013) nog eens terugpakt, merkt hoe kernachtig dat zelfportret is.