Het was maandagmorgen en de lente maakte veel goed, zo niet alles. Ik was op weg naar de tandarts, gedreven door kiespijn. Aan de overkant van de straat scheen uitbundig de zon, daar liep een man op de stoep die moeizaam vooruit kwam. Hij droeg een grijze wollen trui, een afhangende spijkerbroek. Het schurende geluid van stugge spijkerstof dat over de ruwe stenen sleepte, bezorgde me rillingen. Ik zette mijn fiets tegen de muur, bleef even staan, om de man aan de overkant op de rug gezien, na te kijken. Hoe hij daar voortging, traag, verslagen. Nu wreef hij met beide handen over zijn gelaat. Heftig, alsof er een boze droom verdreven moest worden. De man aan de overkant had vast alles en iedereen die hij liefhad verlaten. Zomaar, omdat hij niet anders kon. Mijn tandarts kende ik nog niet.

Sinds ik in het dorp dat aan de rand van de Veluwe ligt, woon, had ik hem nog nooit bezocht. In het weekend had ik zijn stem op zijn antwoordapparaat gehoord. Een wat rochelende stem, die klonk alsof hij zijn keel moest schrapen. Hij deed zijn best het niet zover te laten komen. Hij sprak zijn boodschap, met steeds schordere stem, helemaal uit. Ik begreep dat ik niet bij hem terecht kon, of ik moest een noodgeval zijn. Maar dat was ik niet. Ik hield de kans een ‘noodgeval’ te worden op afstand door me terug te trekken in mijn werkkamer. Door in Rug aan rug van Julia Franck te lezen (dat me in een trance-achtige staat bracht), geregeld een paracetamol te slikken, meer glazen wijn dan ik gewoon was te drinken. Ik hield het wel uit. Tot maandagmorgen. Gek genoeg bracht het wrange verhaal over de twee aan zichzelf overgelaten Duitse kinderen in een uiteengeslagen land van kort na de oorlog, me een bepaald soort sereniteit.

Het schuren van spijkerstof over de ruwe stoeptegels, verergerde de zenuwpijn. Het leven van de kinderen Thomas en Ella, die zonder enige bescherming opgroeiden in het communistische Oost-Berlijn eind jaren vijftig, maakte de pijn draaglijker. Alles kon altijd nog erger. Als een doekje tegen het bloeden, pijn gestelpt met ellende en pijn van anderen. De tandarts ging op blote voeten in klompschoenen. Of waren dit nu crocs? Op zijn neus groeide een plukje haar. Hij had een mooie neus en dat plukje misstond hem niet eens. Terwijl hij schrapend en borend met metalen werktuigen mijn kies bewerkte, dacht ik aan de man in de grijze slobbertrui die in die  stille straat in het zonlicht had gelopen. Zo je al overgevoelig kunt zijn voor elke mate van geluk, dan was deze man het wel. Dat had ik aan zijn smalle rug gezien. Toen werd ik afgeleid door het plukje haar op de neusrug van mijn tandarts. Het leidde me af van de reden waarom ik hier was.

 

Meer van Inge Meijer: