Soms kom je iets tegen waarvan je de betekenis onderschatte. Ik was vijf dagen in Deventer, de stad die boeken ademt. Ik woonde er tot begin jaren negentig. Nu ik er terug was, beleefde ik opnieuw de uitnodigende stilte van de stad bij het ochtendgloren. De stad waar ik als vijftienjarige dweepte met Toergenjev, Marnix Gijsen, waarvan de romantiek van dood door tuberculose me in Klaaglied om Agnes enorm aantrok. Waar ik op een achterkamertje in de Papenstraat alles van Simone de Beauvoir las. Het waren mijn jaren ‘des onderscheids’. Kocht de (dag)boeken van de gebroeders Goncourt, Italo Svevo, Natalia Ginzburg, Prima Levi, las er het eerste boek van Connie Palmen. Deze week, toen de regenval enkel in het zuiden van het land de rust verstoorde, liep ik door de oudste wijk van de stad. Via de Stromarkt door de Graven, (dacht aan roesachtige dagen), links naar de Noordenbergstraat (waar een alcoholistische vriend woonde), over het Muggeplein (de buurtfeesten) de Molenstraat in, een gangpad door naar de Stenenwal. Bij een gevel begroeid met stokrozen hing een boekenkastje.

Er was een verheugd weerzien met Agnes, een creatie van Peter van Straaten, verscheen in 1986 in Vrij NederlandVanaf de eerste afleveringen was ik verslaafd aan het levens van Agnes, een voorbeeld van onvoorbereid door het leven gaan. Elke vrijdagmiddag haalde ik Vrij Nederland bij de boekhandel, toen nog een krant. Later werd het een tijdschrift. Hoewel Agnes meer thuishoorde op krantenpapier dan op de gladde witte bladzijden van een magazine, was mij niets gevraagd. Agnes was een zelfstandige vrouw, begin veertig, een puberzoon. Het feuilleton was een tijdsbeeld van de laatste twee decennia van de twintigste eeuw. Roken en alcohol waren net zo gewoon als een kadetje met kaas. Liefde was ingewikkeld, dat wel. Wie de Beauvoir en Sartre las, schuwde vaste verbintenissen. Er werd gefilosofeerd, gerommeld, er was gedoe, niks lag vast.  

Van Straaten tekende Agnes met haar halflange krullen, zittend aan tafel. Een smeulende sigaret op de rand van de asbak voor haar (overal asbakken toen). Met haar linkerhand duwt ze haar krullen achter haar linkeroor, rechterarm op tafel. Het leven was voor Agnes niet eenduidig, dat zie je zo. Op de achtergrond een fles wijn. Ze kijkt ietwat blasé, toch is ze een evenwichtige mengeling van ‘mij krijg je er niet onder’, en, ‘Your wish is my comment’. Ze is een ster in het te lang blijven zitten, of het nu bij vrienden thuis is, of in het café, ze is bodemloos als er drank in het spel is. Als ze met een vriend te lang in het cafe zit, zegt deze, ‘Zeg, halvegare, weet je dat we ongemerkt allebei dronken zitten te worden?’
‘Verdomd,’ zegt Agnes, ‘nu je het zegt… ik liep al zo raar toen ik net naar de wc ging. Ik dacht dat ik misschien koorts had.’ Ja, dan krijg ik ook een ongelofelijke trek in een drankje, oeverloze gesprekken in een café, waar tijd vloeibaar wordt, ach, dat waren nog eens tijden.

 

 


Inge Meijer is een pseudoniem, houdt van een goed verhaal, een overtuigend relaas.

Meer van Inge Meijer: