Achtergrond doet ertoe

Diep in de Nacht van de Poëzie kwamen we opnieuw te spreken over het belang van de biografie van de schrijver. Degene met een voor dichters bijzondere biografische achtergrond vond het vervelend dat ze voortdurend over haar biografie werd bevraagd, er zelfs op werd aangesproken, alsof ze een representant was van een bepaalde groep mensen en voor die hele groep kon, of moest, spreken. Dat wilde ze niet. Ze wilde voor zichzelf spreken, via haar poëzie, zonder voortdurend dingen te moeten uitleggen over wie zij was en wat dat met haar poëzie te maken had.

Over dit onderwerp had ze brieven geschreven met een dichter die een voor dichters gebruikelijke achtergrond had. Hij was het roerend met haar eens geweest: de achtergrond van de schrijver moest er niet toe doen, het was het werk dat telde. Maar voor hem is die positie waarschijnlijk makkelijker vol te houden dan voor haar. Als hij schrijft over een koe, zijn boekenkast, zijn dronkenschap, zijn huiskat of zijn echtelijk bed, dan kan hij denken dat dit universele ervaringen zijn die de menselijke conditie illustreren, en zullen er niet veel lezers zijn die vragen naar de rol die de middelbare mannelijke Groningse identiteit heeft gespeeld bij de vorming van zijn dichterschap. Terwijl de dichteres die de menselijke conditie met beelden van zinderende eilanden schrijft, als exotisch wordt gelezen, en de vragen over haar jonge vrouwelijke Antilliaanse identiteit haar om de oren vliegen. Hij heeft de luxe te denken dat zijn achtergrond er niet toe doet, zij niet.

Voor mij doet hun achtergrond er wel toe, en die van mezelf trouwens ook. Als schrijver maak ik gedichten en verhalen op basis van mijn individuele, subjectieve ervaring van de werkelijkheid. En als lezer hoop ik iets mee te krijgen van de individuele, subjectieve ervaringen van andere mensen met andere levens. En daarom ben ik blij dat er van steeds meer verschillende mensen gedichten gelezen kunnen worden. In die zin doet de identiteit van de dichters ertoe. Waarmee niet gezegd is dat je een dichter zou moeten reduceren tot representant van een bepaalde groep mensen. Dan ontneem je haar haar individualiteit.

De dag na de Nacht las ik op weg naar huis de bundel Gedichten met een Mazda 626 van Jonathan Griffioen. Hij schrijft: ‘je kunt hoogopgeleiden niet verplichten je gedichten te waarderen / maar je bent wel de bedoeling (…)’

Wat me eraan deed denken dat dichters net als Tweede Kamerleden gemiddeld tamelijk hoog opgeleid zijn. Dat mag ook wel wat diverser. In Gedichten met een Mazda 626 komt een jongen met PDD / NOS aan het woord. Heeft de schrijver zelf ook PDD / NOS? Dat weet ik niet helemaal zeker, maar zijn achtergrond is zodanig dat hij mij een ander, verrassend perspectief op de wereld biedt.

 


Gerda Blees schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

Meer van Gerda Blees: