De waarheid van Old Shatterhand

Zijn hele schrijvende leven probeerde Karl May (1842 – 1912) twee geheimen te bewaren. Hij verzweeg dat hij als jongeman vanwege kruimeldiefstal en oplichting in de gevangenis was terecht gekomen, en hij loog zijn lezerspubliek voor over de romanpersonages Old Shatterhand en Winnetou. Wanneer men aan hem vroeg of hij zelf al die avonturen had beleefd, dan antwoordde hij daar resoluut bevestigend op. Natuurlijk! Met zijn Henri-buks en Berendoder had hij als Old Shatterhand het Wilde Westen minder wild gemaakt, vreedzamer, christelijker. Om zijn bewonderaars te behagen, gaf hij hen blauwzwarte paardenharen cadeau onder het mom dat ze van de dode Winnetou kwamen. Alleen, Karl May had nimmer over de prairies gedoold. Hij verzon zijn eigen werkelijkheid. 

Ik las de avonturenromans van Karl May tussen mijn negende en vijftiende jaar. Vijftig dikke pockets uit de befaamde Prismareeks, allemaal met een nummer op de rug, mijn verzamelinstinct werd geboren. Nummer twee heette Old Shatterhand. Nog steeds betrap ik mezelf erop dat ik bij zijn naam denk aan een bejaarde man die voortdurend met zijn hand trilt of schudt. Waarom heb ik al die deeltjes, met veelal spannende titels als De schat in het Zilvermeer of Door het woeste Koerdistan willen lezen? Was het vanuit plichtsbesef? Je maakt af waaraan je bent begonnen, zelfs tegen heug en meug. Eigenlijk waren de uitgesponnen landschapsbeschrijvingen waar May patent op had voor een kind uit de jaren zeventig best saaie lectuur.  

Veel herinner ik me niet meer van al die boeken, behalve dan dat de pagina’s weinig lucht tussen de regels boden. Verder vertel ik graag, wanneer iemand geïnteresseerd is, hoe Old Shatterhand met leugen en waarheid omging. (Al vraag ik me nu af of mijn herinnering klopt, ik blader een paar deeltjes door zonder de passages terug te vinden.) Old Shatterhand loog als rechtschapen christen nimmer, terwijl hij wel in situaties terechtkwam waarin het opbiechten van de waarheid gevaarlijk kon zijn. Zijn oplossing: vertel je vijanden alleen dingen die kloppen, dus lieg niet, maar hou cruciale informatie achter. 

Recent dacht ik daaraan toen mijn partner vertelde over zijn taalkundecollege over de maximes van Paul Grice. In de theorie van Grice ga je er vanuit dat iedereen zich houdt aan het coöperatieprincipe, namelijk dat wat je zegt ook waar is en zo volledig mogelijk. Als je aan een collega vraagt: ‘Hoeveel kinderen heb je’ en hij antwoordt dat hij twee zonen heeft, kijk je toch vreemd op als je bij een bezoekje drie zonen en een dochter aan tafel ziet zitten. Letterlijk is het geen leugen, je collega heeft (ook) twee zonen, maar erg coöperatief was zijn antwoord nu ook weer niet. Het is precies hoe Old Shatterhand met de waarheid durfde te spelen zonder gewetenswroeging te krijgen. 

Het ging mij uitstekend af om ook als Old Shatterhand de waarheid te spreken.  De innemende jongen uit de hoogste klas die tegen mij zei: ‘Ik zie jou nooit met een meisje’, antwoordde ik vlot met, ‘Ik kom nu al niet met mijn geld uit.’ De dubbele bodem in zijn eigen opmerking – de jongen lakte de nagel van zijn linkerpink roze en droeg gebloemde vestjes – drong pas bij thuiskomst tot mij door. Het kost nu eenmaal meer moeite om de Old Shatterhand in de ander te herkennen.

 

 


Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider, in zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben. Begin dit jaar verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil.

 

 

 

Meer van Eric de Rooij: