30 november 2006

Wintertuinfestivallezing 2006 door Joost Zwagerman

Literair Nederland was erbij

’Wanneer is het geschrevene een kort verhaal en wanneer is het een novelle of een korte roman? Dat is aan de schrijver volgens Zwagerman. ‘Bordewijk schreef de verhalen Blokken, Knorrende Beesten en Bint en besloot dat zelf romans te noemen. Hermans noemde zijn verhalen ‘novellen’. De roman Robinson van Doeschka Meijsing beslaat hooguit 110 bladzijden en zou dus ook novelle of kort verhaal genoemd kunnen worden. De schrijver maakt dat zelf uit. Hij is “king in his castle”.’

In een roman probeert de lezer zich te identificeren met de hoofdpersoon. ‘Je wilt afdalen in zijn gevoel, in zijn herinnering, in zijn achtergrond. In een kort verhaal heb je daar geen tijd voor, daar gaat het om het effect. Als schrijver moet je onmiddellijk met twee of drie veelzeggende beelden komen die de lezer in zijn nekvel grijpen. Een kort verhaal is een taaleenheid die meer is dan de anekdote zelf. Het verhaal ìs de taal. Dat maakt ook dat een goed kort verhaal, net als een gedicht, oneindig herlezen kan worden. De taal is de kracht, de onderstroom in het verhaal.

Zelf heeft hij De Alef van Jorge Luis Borges (1899–1986) wel acht keer gelezen. Het bestaat uit slechts acht bladzijden en is volgens Zwagerman een meesterwerk in de wereldliteratuur. ‘Het is een spannend verhaal over een hoofdpersoon die verdwijnt in de krochten van een huis. Hij vindt een steen, een ronde bol en als hij daarin kijkt ervaar je als lezer een duizelingwekkende simultane sensatie, namelijk de sensatie van alles wat zich ooit in de wereld heeft afgespeeld, vanaf welk moment en vanuit welk perspectief dan ook. Met andere woorden: je ervaart Het Al. Op dat moment stokt de macht van de verteller en is er in mijn optiek sprake van een absoluut verhaal.’

Zwagerman tekent een cirkel in de lucht en plukt daar met duim en wijsvinger een denkbeeldig fragment uit. ‘Je moet een kort verhaal zien als een uitsnede uit een taart. De lezer moet die taart er zelf bij denken. Het karakter van de hoofdpersoon is nog niet af: dat is werk voor de lezer. Dat is ook de reden waarom korte verhalen dikwijls een open einde hebben. De schrijver laat dat aan de lezer over, en de lezer heeft altijd gelijk.’

Ter illustratie gebruikt hij het verhaal A perfect Day for Bananafish uit de bundel Nine Stories (1953) van J.D. Salinger (1919). ‘Een man zit op het strand met een klein jongetje te praten over een speelgoedbeest voor in zee. Hij staat op, gaat de lift in en ergert zich aan iemand die naar zijn voeten kijkt. Zijn vrouw is intussen in de hotelkamer aan het bellen met haar moeder. Hij komt die kamer binnen en ziet zijn vrouw niet, want het telefoongesprek is inmiddels afgelopen en ze is naar de badkamer gegaan. Hij gaat zitten en schiet zichzelf neer. Klaar. Over. Uit. Verhaal. Waarom doet die man dat? Wat is eraan vooraf gegaan? Hoe zal zij reageren? Komt niet aan de orde, want die dingen moeten wij erbij denken. Wij geven romanteske elementen aan het verhaal. Wij geven karakter aan degene van wie we de uitsnede krijgen.’

Er zijn schrijvers die in korte verhalen durven te experimenteren en zich daardoor meer vrijheden toestaan. ‘Simon Vestdijk permitteerde zich in zijn verhalen meer ‘wildigheden’ dan in zijn romans. Ook W.F. Hermans gaat in zijn verhalen en novellen over de grens van het verdraaglijke heen. Mulisch is in zijn verhalen veel anarchistischer dan in zijn gestileerde romans.’

Dat de vrouwelijke auteurs in beide bloemlezingen in aantal achterblijven wijt Joost Zwagerman aan de geschiedenis. ‘Vroeger was het gewoon not done voor een vrouw om te schrijven. Kijk maar naar de film Nynke.’

Carry van Bruggen is met haar verhaal Het Onbegrepene uit 1907 de eerste vrouw die in de chronologie genoemd wordt. Daarna blijft het een tijdje stil en pas na de Tweede Wereldoorlog komt er een lichte kentering, die in de jaren tachtig doorzet.

Een Man uit Singapore (1980) van Renate Rubinstein is hem bijgebleven. ‘Dat ik voor dit verhaal gekozen heb is echt een blijk van erkenning. Zij schreef vooral essays en columns en heeft maar één verhaal geschreven. Als ze er meer geschreven had, had ik er misschien wel twee of drie opgenomen.’

Joost Zwagerman is romancier, dichter, essayist, publicist en columnist. ‘Ik ben hier niet bewust mee bezig. Een verhaal blijkt zelf om een genre te vragen. Van Roeshoofd Hemelt heb ik jarenlang gedacht dat het een roman zou worden, maar het werd toch steeds niet dat wat ik gehoopt had. Totdat het verhaal een betere pasvorm in de poëzie bleek te hebben.’ Dat er ook mengvormen mogelijk zijn blijkt uit zijn korte verhaal Het Jongensmeisje uit de gelijknamige bundel. ‘Dat is een verhaal met een poëtische inslag. Een lyrisch liedje.’

Na zijn Wintertuinlezing neemt hij voor een signeersessie plaats achter een boekentafel en verdwijnt al snel tussen samendrommende fans. A perfect day for Joost Zwagerman. En voor ons.

 

De Nederlandse en Vlaamse Literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen
Samengesteld door Joost Zwagerman
Uitgeverij Prometheus Amsterdam 2005

De Nederlandse en Vlaamse Literatuur vanaf 1880 in 60 verhalen
Samengesteld door Joost Zwagerman
Uitgeverij Prometheus Amsterdam 2006

Gimmick! (roman)
Joost Zwagerman
Uitgeverij De Arbeiderspers 1989

Roeshoofd Hemelt (poëzie)
Uitgeverij De Arbeiderspers 2005

Het Jongensmeisje (verhalen)
Uitgeverij De Arbeiderspers 1998

Zie ook: http://www.joostzwagerman.nl – www.joostzwagerman.nl

Recent

16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

13 oktober 2017

Leven zonder moeder

Literair Nederland - 10 jaar geleden

29 oktober 2007

Roman met speelse cartoonachtige taferelen De opvatting dat de zintuiglijke waarneembare wereld de enige werkelijkheid is, is tegenwoordig niet meer vol te houden. In die andere dimensie van werkelijkheid speelt niet alleen de nieuwe natuurkunde, maar ook de religieuze ervaring een belangrijke rol. De ervaring van mensen die contact zouden hebben gehad met een werkelijkheid die uitstijgt boven de alledaagse werkelijkheid, betreft een waarneming van het transcendente, a.h.w. van het goddelijke. Door de medische technologie overleven steeds meer mensen een levensbedreigende lichamelijke crisis. Steeds meer wetenschappelijke disciplines staan open voor datgene wat deze mensen over bijzondere ervaringen te vertellen hebben die men heeft opgedaan tijdens die crisis. In de westerse wereld zijn wetenschappers de laatste jaren er toe overgegaan dit soort ervaringen toch serieus te nemen en een onderzoek in te stellen naar de strekking ervan. Dat leidt tot uitermate belangrijk onderzoek. Wanneer kan worden aangetoond dat mensen werkelijk de grenzen van ruimte, tijd en sterfelijkheid kunnen overschrijden, zijn de consequenties daarvan voor de wetenschap, de theologie en dus ook voor het leven enorm. Simon Vestdijk schreef in zijn essay Berichten uit het hiernamaals (De bezige Bij , 1982, pg.11) het volgende: Op aarde acht men het psychisch leven gebonden aan de stof. Een dergelijke stoffelijke grondslag kennen wij hier niet. Geen lichaam, geen zintuigen, geen tastbaar denkorgaan, niets. Maar hoe wil ik dat bewijzen? Hoe overtuigend moeten mijn woorden wel klinken, willen zij de kluisters verbreken van wat zelfs ik nauwelijks een vooroordeel waag te noemen? Ik weet zeker, dat ik leef, al ben ik gestorven, en ik weet zeker, dat ik geen lichaam meer heb; maar het zou wel eens kunnen zijn, dat dit dan ook het enige is dat ik weet. Ieder van ons heeft wel eens momenten gehad, dat niets hem eenvoudiger leek dan u, aanstaande lotgenoten, met voorbeeld of beeldspraak uit te leggen hoe wij ons voelen in onze nieuwe toestand, wat er met ons aan de hand is, wie en wat wij zijn en niet zijn. Menige aardbewoner, zo meenden wij, kent uit eigen ervaring wel die dromerige stemmingen, waarin het rumoeren der buitenwereld niet meer tot hem doordringt, en zijn eigen bewustzijn de gehele horizon van zijn bestaan schijnt in te nemen. Dat komt overdag voor, en even voor het inslapen ervaart gij het gewoonlijk op zijn duidelijkst. En nu kunnen wij wel zeggen, dat gij hierin een vergelijkingsmaatstaf bezit, die nadere uitleg onzerzijds overbodig maakt, helemaal eerlijk zijn wij hierin niet, want voor zover wij ons de vroegere dagdromen nog herinneren, weten wij maar al te goed, dat de vergelijking hoogst misleidend is, en dat uw minuten van wegdrijven op innerlijke golven heel iets anders zijn dan onze bestaansvorm. Als gewezen dienaren der wetenschap zouden wij er dus verstandig aan doen onze nederlaag toe te geven. De schrijver Eric de Clercq waagt in zijn roman Het grote spel waterparadijs een poging deze thematiek uit te werken en te gieten in een verhaalvorm. In zijn relaas wordt een zekere Tim ten tonele gevoerd die zich uitgerekend door een sprinkhaan, Vioolpret geheten, laat vertellen dat hij een ongeval gehad heeft en in een comateuze toestand verkeert. Deze toestand zou gelijk staan met de dood. Blz. 17 : “ Je zal ondertussen wel vermoeden dat deze wereld jouw doordeweekse leventje niet is. En dat is het ook niet. Dit is de vijfde Dimensie. De dimensie waarnaast alle levende wezens na hun dood terugkeren. “ Tim wordt in het verhaal omringd door tientallen figuren, allemaal cartoons die de meest uiteenlopende insectensoorten vertegenwoordigen. Elke figuur stelt een soort voor dat het best bij zijn status, beroep of persoonlijkheid past. De figuren die hij tijdens zijn ronddolen ontmoet, komen hem steeds bekend voor. Hij krijgt mensen gepresenteerd die afkomstig zijn uit zijn geboortedorp en die door Tim een plaats toebedeeld krijgen in de vorm van als cartoons. Het stoort hem ook niet dat de figuren creaties zijn van zijn eigen geest. Pas aan het eind van het verhaal keert de rust in Tims’ wereld weer terug. Het feest en de avontuur zijn dan ook voorbij. De figuren van zijn wereld hebben zich teruggetrokken in hun woning op vioolpret na die nog in het rond kuiert..Tim vraagt zich ten slotte af wat de toekomst voor hem in petto heeft. Zou hij uit zijn coma ontwaken en terugkeren naar de aarde, of toch maar hier blijven en binnen afzienbare tijd voor een laatste maal reïncarneren, alvorens te promoveren tot de opperste tweede graad. In de roman gebeurt er van alles, varierende van taferelen die je je in de Efteling doen wanen tot taferelen die zoals Vestdijk schrijft: het eigen bewustzijn de gehele horizon van je bestaan schijnt in te nemen en dat je minuten van wegdrijven op innerlijke golven iets anders zijn dan het gewone bestaansvorm. Het lijkt alsof De Clercq met zijn romanvorm waar hij voor gekozen heeft een poging heeft gewaagd zijn eigen literaire conventie te exploreren en exploiteren. Hij laat je de literaire werkelijkheid met andere ogen bekijken, al is het maar voor eventjes. Desalniettemin kan ik niet concluderen dat De Clercq uitstekende en uitzonderlijke literatuur gecreëerd heeft, d.w.z. literatuur met een inventief beeldend vermogen. In elk hoofdstuk creeert hij een nieuwe bedrijvigheid , volop taal en hallucinerende beelden. Het is voor mij zeker niet bon ton om meewarig te doen over de literaire nijverheid van deze auteur maar als ik zijn literaire conventie serieus neem neig ik te kanttekenen dat zijn relaas veel weg heeft van pulp of zelfs van veredeld divertissement. Voor een serieus thema als reïncarnatie had hij een heel ander soort scéne kunnen bedenken en minder op het speelse en amusante gaan zitten. Het begin van het verhaal is in ieder geval zeer goed bedacht. Het is jammer dat hij voor de tragiek van zijn dramatische expressie gekozen heeft voor taferelen en bedrijvigheden die zijn thema, dat best wel zwaar op de hand is, in het frivole meesleuren. Het is ontmoedigend te moeten constateren dat de verhaallijn die met zoveel ijver en toewijding is geconstrueerd, waar de krachtinspanning ook duidelijk in voelbaar is, enkel de verbinding vormt van een reeks woorden , hoewel deze woorden op zich steeds een beeldenstroom met zich transporteren .Het streven om in deze roman een diepzinnig Oosters gedachtegoed weer te geven , is echter even utopisch als het streven van de schrijver alle aspecten van de zichtbare en verborgen in de reïncarnatie te vangen in een roman, te verklaren door speelse cartoonachtige beelden in de roman en tot slot de personages te willen verklaren door de sociale, de familiaire, historische, culturele, psychologische, biologische, linguïstische etc. van hun geschiedenis.

Roman met speelse cartoonachtige taferelen

De opvatting dat de zintuiglijke waarneembare wereld de enige werkelijkheid is, is tegenwoordig niet meer vol te houden. In die andere dimensie van werkelijkheid speelt niet alleen de nieuwe natuurkunde, maar ook de religieuze ervaring een belangrijke rol.
De ervaring van mensen die contact zouden hebben gehad met een werkelijkheid die uitstijgt boven de alledaagse werkelijkheid, betreft een waarneming van het transcendente, a.h.w. van het goddelijke. Door de medische technologie overleven steeds meer mensen een levensbedreigende lichamelijke crisis.

Lees meer